Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“Indien de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde pauze niet geniet of niet of onvoldoende registreert, wordt een fictieve pauze geregistreerd van 30 minuten.”
4. Onduidelijkheid over de toepassing van de automatische pauze
30 minuten pauze berekend per 1-1-2017 (20-12-2016)
onder b, WOR (een arbeids- en rusttijdenregeling of een vakantieregeling) en/of van een regeling als bedoeld in art. 27 lid Pro 1, aanhef en
onder l, WOR (een regeling inzake voorzieningen voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van in de onderneming werkzame personen).
2.Ontvankelijkheid
petitumop blz. 13 van het verweerschrift. De gemeente merkt in dit verband op, dat in beginsel slechts rechtspersonen en natuurlijke personen de bevoegdheid hebben om als procespartij in een civiele procedure op te treden. De WOR kent geen rechtspersoonlijkheid toe aan de ondernemingsraad. Wel kent de WOR in sommige gevallen uitdrukkelijk een procesbevoegdheid aan de ondernemingsraad toe. Overal waar de ondernemingsraad in rechte kan optreden, dient hij door zijn (plv.) voorzitter te worden vertegenwoordigd. Nu het verzoekschrift is ingediend namens de ondernemingsraad – en niet namens de voorzitter die dit doet als vertegenwoordiger van de ondernemingsraad −, stelt de gemeente zich op het standpunt dat de ondernemingsraad in zijn verzoek niet kan worden ontvangen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
primaire arbeidsvoorwaarden, zoals de arbeidsduur. [29] Een nadere beperking van het instemmingsrecht is gelegen in het vereiste dat het voorgenomen besluit moet strekken tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een regelingals bedoeld in het eerste lid. Dienaangaande vermeldt de wetsgeschiedenis:
schriftelijkaan de ondernemingsraad moet worden voorgelegd, is door de wetgever als volgt toegelicht:
schriftelijke mededelingvan het genomen besluit, als potentieel aanvangstijdstip van de in het vijfde lid opgenomen
termijnvoor het inroepen van de nietigheid, heeft de wetgever het volgende opgemerkt:
concreetheidmoet bevatten, zodat − bijvoorbeeld − een nota waarin beleidsopties worden verkend (nog) geen besluit oplevert in de zin van art. 27 WOR Pro. [35] Of sprake is van een (voldoende concreet) besluit in de zin van art. 27 WOR Pro, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [36]
feitelijk handelenwaardoor een regeling als bedoeld in art. 27 lid 1 WOR Pro wordt vastgesteld, gewijzigd of ingetrokken, onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad valt. De achterliggende gedachte is dat het instemmingsrecht zou kunnen worden uitgehold indien ‘stilzwijgende’ besluiten daarbuiten zouden vallen. Tegen deze achtergrond wordt aangenomen dat ook het
niet toepassenvan een bestaande regeling – mits sprake is van een bestendige gedragslijn – kan leiden tot de conclusie dat de regeling (blijkbaar) is gewijzigd of ingetrokken in de zin van art. 27 lid 1 WOR Pro. [37]
schriftelijke voorleggingvan het voorgenomen besluit vereist (respectievelijk een
schriftelijke mededelingvan het genomen besluit), en dat daarachter de gedachte schuilt dat absolute duidelijkheid moet bestaan over de inhoud van het besluit waaraan de ondernemingsraad instemming heeft gegeven (zie alinea 3.3). Uit de tournure aan het slot van het vijfde lid blijkt echter dat de wetgever het instemmingsrecht juist niet heeft willen beperken tot de ‘normale’ situatie waarin het besluit vooraf in schriftelijke vorm aan de ondernemingsraad wordt voorgelegd.
mystery guests– anonieme rijinstructeurs – liet meerijden met chauffeurs van wie de rijvaardigheid ter discussie stond. Hoewel daaraan geen (formeel) besluit van algemene strekking ten grondslag lag – volgens de onderneming werd alleen op incidentele basis, naar aanleiding van klachten, gebruik gemaakt van
mystery guests– oordeelde het hof dat er sprake was van een voor herhaalde toepassing geschikte “regeling” in de zin van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder g, WOR.
personele gevolgenvan politieke besluitvorming (zie art. 46d, aanhef en onder b, WOR [44] ) – is in deze zaak niet aan de orde: het gaat hier om een politiek-neutrale regeling. [45]
voorgenomenbesluit tot aanpassing van de werktijdenregeling, (ii) dat in 2009 en 2011 van de zijde van de gemeente uitdrukkelijk is bevestigd dat de werktijdenregeling
niet gewijzigdwas en (iii) dat de ondernemingsraad in 2009 en 2011 kansen heeft gehad om de door hem bepleite wijziging van de werktijdenregeling (alsnog)
geformaliseerdte krijgen, maar deze kansen niet heeft benut. [46]
tijdelijke gedoogsituatie, die geen wijziging heeft gebracht in de geldende werktijdenregeling. [47] Tegen die achtergrond is niet onbegrijpelijk voor de lezer dat het hof de aankondiging dat vanaf 2017 “weer” de geldende werktijdenregeling zal worden gehandhaafd, niet als een instemmingsplichtig besluit beschouwt. Die aankondiging bleef immers binnen de kaders van de werktijdenregeling zoals die sinds 2008 gold, en waarmee de ondernemingsraad nog in 2011 had ingestemd. [48]
handhavingsbesluit, maar niet tegen de vooraankondiging daarvan. [51]
onderdeel 4nog bespreking (onderdeel 5 behelst een voortbouwende klacht zonder zelfstandige betekenis). Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 3.5.5, waar het hof oordeelt dat de ondernemingsraad in zijn verzoek niet-ontvankelijk is voor zover dit verzoek is gegrond op art. 27 lid Pro 1, aanhef en
onder l, WOR, omdat de ondernemingsraad deze nieuwe, voor het eerst in hoger beroep aangevoerde, grond niet heeft genoemd in zijn brief van 10 januari 2007. Met dit onderdeel klaagt de ondernemingsraad dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat het beroep op nietigheid vormvrij is en niet behoeft in te houden op welke grond(en) het berust.
als zodanigverandert namelijk niet, aldus de gemeente. [53]
welke regeling(in de zin van art. 27 lid 1 WOR Pro) de ondernemingsraad doelt. [58] Aanvulling van nietigheidsgronden is in die opvatting mogelijk zolang door het beroep op nietigheid niet een
andere regelingwordt aangetast. Deze genuanceerde benadering lijkt mij in lijn met de zo-even weergegeven wetsgeschiedenis.
onder b, WOR. In zijn appelschrift van 28 juli 2017 heeft de ondernemingsraad, bij wege van aanvullend verzoek, een beroep gedaan op art. 27 lid Pro 1, aanhef en
onder l, WOR. Daartoe heeft de ondernemingsraad aangevoerd dat met ingang van 1 januari 2017 niet alleen de “staande praktijk”, maar ook het “kloksysteem” is gewijzigd. Dat systeem moest volgens de ondernemingsraad namelijk worden “ingericht op de gewijzigde rekensystematiek”. [60]
andere regeling(namelijk: het kloksysteem) dan de regeling waarop de brief van 10 januari 2017 doelde (te weten: de werktijdenregeling, respectievelijk de praktijk van pauzeregistratie). Deze lezing is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt en niet onbegrijpelijk voor de lezer. De klacht stuit hierop af.