Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1 e.v. niet enkel vaststaande feiten opgesomd, maar ook het verloop van de verschillende tussen partijen gevoerde procedures weergegeven, wat in verband met de onderlinge verwevenheid van beide begrijpelijk is. Ik volg het hof hierin:
(i) Verzekeringnemer heeft voor haar directeur en enig aandeelhouder, geboren op [geboortedatum] 1961, als verzekerde in 2002 met De Amersfoortse een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten voor het verzekerde beroep van: ‘eigenaar bedrijf in gevelreiniging (commercieel/leidinggevend)’. Verzekeringnemer was tot 2014 bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] ). Deze vennootschap dreef een onderneming die zich bezighield met gevelreiniging en onderhoud. Tussen verzekeringnemer en [A] was een managementovereenkomst gesloten op grond waarvan verzekerde leidinggevende en commerciële werkzaamheden verrichtte voor [A] .
(ii) Naar aanleiding van een arbeidsongeschiktheidsmelding wegens een burn-out op 7 juni 2005 heeft De Amersfoortse de mate van arbeidsongeschiktheid van verzekerde eerst vastgesteld op 80-100%, daarna in fasen op lagere percentages en na onderzoek van 16 juli 2007 door prof. dr. Colon, psychiater, uiteindelijk per 1 januari 2008 op minder dan 25%, zodat per laatste datum geen uitkering meer zou volgen. Bij dagvaarding van 4 augustus 2008 in zaak 1 heeft verzekerde ten overstaan van de toenmalige rechtbank Utrecht uitkering gevorderd vanaf 1 maart 2007 op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
(iii) Op 28 juni 2012 hebben de door de rechtbank benoemde deskundigen prof. dr. Koerselman, prof. dr. Van den Bosch en drs. Nabarro, allen psychiater, hun definitieve rapportage uitgebracht (hierna: het rapport Koerselman) met de conclusie dat verzekerde een ongedifferentieerde somatoforme stoornis had (verder ook: OSS) die gepaard gaat met significant lijden of disfunctioneren en dat als zodanig sprake was van een objectief medisch vaststelbare ziekte in de zin van de polisvoorwaarden.
(iv) Op grond van het rapport Koerselman heeft De Amersfoortse vanaf augustus 2012 een uitkering verstrekt op basis van 50% arbeidsongeschiktheid en heeft zij op basis van dat percentage arbeidsongeschiktheid nabetalingen gedaan over de periode vanaf 20 november 2007 tot 30 oktober 2012.
(v) Na benoeming door de rechtbank heeft verzekeringsgeneeskundige Wolthuis op 10 februari 2014 een deskundigenrapport uitgebracht (hierna: het rapport Wolthuis) en heeft arbeidsdeskundige Hulsen gerapporteerd op 12 juni 2014 (hierna: het rapport Hulsen). Na het rapport Hulsen heeft De Amersfoortse over de periode van 1 november 2007 tot en met 31 juli 2014 aanvullend op basis van 65-80% arbeidsongeschiktheid uitgekeerd en heeft zij daarna ook op basis van dat percentage uitkeringen gedaan aan verzekerde.
(vi) Op basis van de drie genoemde rapporten heeft de rechtbank Midden-Nederland bij haar eindvonnis in zaak 1 van 4 februari 2015 De Amersfoortse veroordeeld om vanaf 1 maart 2007 overeenkomstig de verzekeringspolis de maandelijkse uitkeringen aan verzekerde te betalen die behoren bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%, vermeerderd met rente.
(vii) Na een vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van (eveneens) 4 februari 2015 heeft De Amersfoortse de maandelijkse betaling van de arbeidsongeschiktheidsverzekering hervat en nabetalingen gedaan.
(viii) Intussen had De Amersfoortse begin oktober 2014 een zestal getuigenverklaringen met correspondentie en stukken ontvangen, waaruit zij opmaakte dat verzekerde wel arbeidsongeschikt was, maar haar niet naar behoren had geïnformeerd en tevens verzekeringsfraude had gepleegd (hierna: de verklaringen van de tipgevers). Hierop heeft De Amersfoortse verzekerde bij brief van 3 november 2014 aangesproken en de uitkeringen met ingang van oktober 2014 gestaakt.
(ix) De Amersfoortse is bij de rechtbank Gelderland een nieuwe procedure gestart jegens verzekeringnemer en verzekerde, ingeleid bij dagvaarding van 26 november 2014 (zaak 2), waarin De Amersfoortse samengevat heeft gevorderd te verklaren voor recht dat de verzekeringsovereenkomst is ontbonden per 3 november 2014 en dat ieder recht op uitkering is vervallen met ingang van 20 november 2007, met daarop een gebaseerde terugvordering van betaalde uitkeringen. De Amersfoortse heeft vervolgens bij dagvaarding van 23 februari 2015 tevens hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen in zaak 1 (appel 1).
(x) Bij tussenvonnis in zaak 2 van 30 september 2015 heeft de rechtbank De Amersfoortse in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat verzekeringnemer en verzekerde de op hen rustende inlichtingenplicht vanaf 20 november 2007 hebben geschonden met het opzet De Amersfoortse te misleiden, althans dat De Amersfoortse daardoor in een redelijk belang is geschaad en voorts dat verzekerde bedrog heeft gepleegd in zaak 1 bij de rechtbank Midden-Nederland.
(xi) Na het horen van een groot aantal getuigen, waaronder (een aantal van de) tipgevers en verzekerde zelf, heeft de rechtbank Gelderland bij eindvonnis in zaak 2 van 12 juli 2017 als volgt beslist. De Amersfoortse is er niet in geslaagd te bewijzen dat verzekerde zijn inlichtingenplicht heeft geschonden in de periode van 20 november 2007 tot november 2012 (periode 1). Dit heeft de rechtbank wel aangenomen voor de periode van november 2012 tot november 2013 (periode 2). Ter zake van die periode heeft de rechtbank aangenomen dat dit gebeurd is met het opzet De Amersfoortse te misleiden. Op grond daarvan heeft de rechtbank de verzekeringsovereenkomst met ingang van 3 november 2014 ontbonden en heeft zij voor recht verklaard dat ieder recht op uitkering onder de overeenkomst is vervallen met ingang van november 2012. Verzekerde is op basis hiervan veroordeeld tot terugbetaling van door De Amersfoortse onverschuldigd gedane uitkeringen tot een bedrag van € 154.948,13 met rente en tot 2/7 van de door De Amersfoortse werkelijk gemaakte proceskosten in zaak 1, te weten € 7.720,84.
(xii) Na het eindvonnis in zaak 2 heeft De Amersfoortse de maandelijkse betalingen van de uitkering gestaakt; er is betaald tot en met juni 2017.
(xiii) Verzekerde en verzekeringnemer zijn bij dagvaarding van 29 september 2017 in hoger beroep gekomen tegen het eindvonnis in zaak 2 (appel 2). Bij tussenarrest van 30 januari 2018 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden beide zaken gevoegd en een comparitie gelast.
(xiv) Bij eindarrest van 17 juli 2018 heeft hof in appel 1 het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland in zaak 1 van 4 februari 2015 vernietigd en de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van verzekerde toegewezen.
(xv) Bij hetzelfde arrest heeft het hof geoordeeld dat de vonnissen van de rechtbank Gelderland in zaak 2 van 30 september 2015 en 12 juli 2017 eveneens vernietigd dienen te worden, omdat enkele van de door verzekerde en verzekeringnemer opgeworpen grieven slagen. De vorderingen van De Amersfoortse heeft het hof afgewezen, met haar veroordeling in de kosten van beide instanties.