Conclusie
2 maart 2016 toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de erflaatster aan hem een schenking van ƒ 70.000,- heeft gedaan.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
1 januari 2002 geldende recht hun betekenis hebben behouden [18] . Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad [19] nog steeds dat partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten en dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. Voor het laatste is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd tegen toewijzing van het verzoek of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van deze beide gevallen zal de rechter zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent moeten motiveren [20] .
in voldoende matein de gelegenheid zijn gesteld om hun visie op de zaak naar voren te brengen, zodat er geen gelegenheid meer behoefde te worden gegeven aan partijen om zich uit te laten over de vraag of zij nog pleidooien wensten. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van art. 134 lid 1 Rv Pro geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daar komt bij dat na de comparitie van partijen geen bewijsverrichtingen hebben plaatsgehad of stukken in het geding zijn gebracht.
ex-echtgenote heeft besproken en in zijn oordeel heeft betrokken.
in samenhang metde verklaringen van de erflaatster in het testament tot het voorshands bewezen oordeel kon komen. De schriftelijke verklaring van de ex-echtgenote vormt dus niet het enige of beslissende bewijs.