Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin hij werd veroordeeld voor moord op 21 juni 2007 in Apeldoorn. Het hof achtte bewezen dat verdachte samen met anderen na kalm beraad en overleg vijf kogels op het slachtoffer heeft afgevuurd, wat tot diens overlijden leidde.
Het geschil spitste zich toe op de bewijswaardering van verklaringen van een medeverdachte, die zich herhaaldelijk op zijn verschoningsrecht beriep. Het hof oordeelde dat deze verklaringen voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen van familie en derden, telefoontaps, en forensisch onderzoek, en dat deze verklaringen tot het bewijs konden worden gebruikt.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en verwierp het cassatiemiddel dat de bewijsvoering betrof. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarom werd de opgelegde gevangenisstraf van achttien jaren verminderd tot zeventien jaren en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan op 10 december 2013 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.