De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor het voorhanden hebben van stoffen bestemd voor de productie van amfetamine en het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj op zijn perceel. Het hof baseerde zijn oordeel op de ervaringsregel dat de bewoner wetenschap heeft van wat zich op zijn perceel bevindt, mede gelet op de vondst van voorwerpen in de woning en opslagruimte die de verdachte gebruikte.
De verdediging voerde aan dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de stoffen, mede omdat delen van het perceel ook door anderen werden bewoond en de opslagruimte via een ander perceel toegankelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht aannam dat de verdachte wetenschap had van de voorwerpen en stoffen in zijn woning en opslagruimte, maar dat het hof ten onrechte aannam dat de verdachte wetenschap had van de hennep en hasjiesj in de schuur, aangezien niet is vastgesteld dat de verdachte de enige gebruiker was van die ruimte.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het gaat om de bewezenverklaring van wetenschap omtrent het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.