ECLI:NL:HR:2013:BY9993
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- N. Jörg
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt opzettelijk aanwezig hebben van GHB ondanks falende bewijsklacht
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk aanwezig had gehad een hoeveelheid GHB in een tas die in een auto van een derde was aangetroffen. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte de eigenares was van de tas met GHB en dat zij opzettelijk handelde. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat zij niets wist van de aanwezigheid van GHB en dat zij de tas al weken eerder in de auto had achtergelaten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht was uitgegaan van de algemene ervaringsregel dat de eigenares van een tas bekend is met de inhoud daarvan. Het hof had de verklaringen van verdachte en de derde als ongeloofwaardig beoordeeld, wat niet in cassatie kan worden getoetst. Daarmee bleef het bewezenverklaarde overeind.
Wel was er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase door late aanlevering van stukken, maar gezien de lichte straf (een week gevangenisstraf, voorwaardelijk) werd daaraan geen rechtsgevolg verbonden. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben van GHB.