Conclusie
ontkennendebeantwoording van de vraag of de stemgerechtigde pandhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig heeft geschaad dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen zoals bedoeld in art. 2:342 lid 1 BW Pro, reden waarom zij de afwijzing door de rechtbank van de vordering bekrachtigt. M.i. houdt dat oordeel in cassatie stand.
1.De feiten
[eiser]) houdt de helft van de aandelen in [A] B.V. [2] (hierna:
[A]). De andere helft van de aandelen wordt gehouden door [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). Via haar 100% dochtervennootschap [B] B.V. (hierna:
[B]) houdt [A] alle aandelen in de vennootschap naar Spaans recht [C] SL (hierna:
[C]). [C] is eigenaar van een gebouwencomplex nabij Madrid. Dit gebouwencomplex, waarin de Spaanse bank Banco Santander haar hoofdkantoor houdt, staat algemeen bekend als de ‘financiële stad’, oftewel
Ciudad Financiera. Banco Santander huurt het complex van [C] voor een periode van veertig jaar, van 12 september 2008 tot 12 september 2048, voor een (aanvangs)huurprijs van € 82.693.711 per jaar. Schematisch ziet de structuur er als volgt uit: [3]
Ciudad Financierais op 12 september 2008 als volgt met vreemd vermogen gefinancierd.
RBS), heeft aan [C] een
senior loanten bedrage van € 1,575 miljard verstrekt (hierna: de
Senior Loan).
junior loanten bedrage van € 200 miljoen verstrekt (hierna: de
Junior Loan, de overeenkomst wordt aangeduid als de
Junior Loan Agreement). De Junior Loan had een looptijd tot 12 september 2013. De Junior Loan Agreement bevat een zogenoemde
parallel debt-bepaling die inhoudt dat [A] aan de pandhouder (dus aan RBS, zie hierna onder 1.4 en 1.5) een zelfstandige schuld heeft ter grootte van het bedrag dat [A] is verschuldigd aan de Junior Lenders, waarover hierna onder 1.3 en 1.8. De Junior Loan Agreement bevat verder een bepaling over vervroegde opeisbaarheid in geval van bepaalde
events of default. Een daarvan is de niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van andere financieringsovereenkomsten, een zogenoemde cross default-bepaling.
personal loanten bedrage van € 75 miljoen verstrekt (hierna: de
Personal Loan).
intercompany loansdoorgeleend aan [C] .
facility agentonder de Junior Loan (hierna: de
Facility Agent), hetgeen inhield dat RBS met betrekking tot deze lening eerste contactpersoon was en houdster van alle onder de lening verstrekte zekerheden. De Junior Loan Agreement wordt beheerst door Engels recht en de Engelse rechter is bevoegd geschillen betreffende die overeenkomst te beslechten. De Junior Loan Agreement is door [eiser] als aandeelhouder van [A] mede ondertekend. In de Junior Loan Agreement is onder meer overeengekomen dat RBS haar positie van Facility Agent aan een derde kan overdragen, dat de Junior Lenders een andere Facility Agent kunnen aanwijzen en dat RBS haar rol als Facility Agent dan dient over te dragen.
pandrecht). Partijen bij de totstandkoming van de pandakte waren [A] (in de pandakte aangeduid als “
the Security Provider”), RBS (in de pandakte aangeduid als “
the Facility Agent”) en [B] (in de pandakte aangeduid als “
the Company”). In de pandakte is onder meer het volgende bepaald:
The Security Provider enters into this Deed in connection with the Junior Loan Agreement (…) Junior Loan Agreement means the EUR 200,000,000 credit agreement (…) between (among others) the Security Provider and the Facility Agent (…).
Event of Default” of een “default in the performance of any of the Secured Liabilities”. Bij notariële akte van 7 december 2010 is de pandakte gerectificeerd, in die zin dat onder 2.1 de term “
the Company” is vervangen door “
the Security Provider”. Volgens de rectificatieakte was de opname van de term “
the Company” in de Pandakte een “
manifest error” (een kennelijke misslag).
pandrechtenen de
[A] pandakten, waaronder ook het enkelvoud is te verstaan waar relevant). [eiser] is in de hem betreffende [A] pandakte akkoord gegaan met hetgeen in de Junior Loan Agreement is opgenomen ten aanzien van de Facility Agent (art. 16 lid 2 van Pro die [A] pandakte) en hij heeft bij voorbaat toestemming gegeven aan een overdracht door de Facility Agent van de positie van stemgerechtigd pandhouder. [eiser] heeft zich in die [A] pandakte verplicht om mee te werken aan het aandeelhoudersbesluit dat op grond van art. 2:198 lid 3 BW Pro is vereist voor overdracht van het stemrecht door RBS aan een nieuwe Facility Agent.
kostenrekening).
[E]) en (uiteindelijk) [D] S.à.r.l. (hierna:
[D]). Vanaf dat moment waren [E] en [D] de Junior Lenders, elk voor 50%. [E] maakt deel uit van een groep vennootschappen waarin de staat Abu Dhabi een belang houdt. [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) is betrokken bij [D] . [betrokkene 3] en [eiser] kenden elkaar uit de Londense vastgoedwereld.
cross default-bepaling ingeroepen en de Junior Loan vervroegd opgeëist.
consent ordervan 15 juni 2011, waarin [A] is veroordeeld tot betaling aan de Junior Lenders van een bedrag van € 216.582.038,05, te vermeerderen met rente vanaf 14 juni 2011 (hierna: de
Consent Order).
[F]) als Facility Agent (in plaats van RBS); en (ii) goedkeuring van de overdracht van de stemrechten op de aandelen in [A] door RBS aan [F] . In verband hiermee heeft [eiser] de onderhavige procedure geëntameerd.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
parallel debten de daarvoor verstrekte zekerheden) over te dragen aan een [betrokkene 3] agent en aansprakelijk is voor de schade die [E] en/of [D] met gebruikmaking van de [betrokkene 3] agent aan [eiser] toebrengen;
OK). Het hoger beroep is, voor zover het ziet op de vordering van [eiser] gebaseerd op art. 6:162 BW Pro, behandeld door de meervoudige burgerlijke kamer van het hof Amsterdam (hierna: het
hof).
Een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, kunnen van een stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder van een aandeel in rechte vorderen dat het stemrecht op het aandeel overgaat op de houder van het aandeel, indien die vruchtgebruiker of pandhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen.”
in default’ onder de Personal Loan Agreement, waardoor de Junior Loan - ingevolge de
cross default-bepaling in de Junior Loan Agreement - vervroegd kon worden opgeëist door de Junior Lenders. De rechtmatigheid van deze opeising staat - gezien de Consent Order - niet ter discussie. Bij die stand van zaken mochten de Junior Lenders vervolgens tot uitwinning van de zekerheden overgaan; deze bevoegdheid wordt op zichzelf door [eiser] ook erkend. In deze procedure gaat het om de verpande aandelen in [A] . De positie van RBS is thans nog slechts die van Facility Agent en pandhouder. De rechten en verplichtingen van RBS als pandhouder worden bepaald door de [A] pandakte, aangevuld met de toepasselijke bepalingen van Nederlands recht. Op grond van die pandakte en de wet heeft RBS als pandhouder het stemrecht naar zich toe kunnen trekken. De rechten en verplichtingen van RBS als Facility Agent worden bepaald door de Junior Loan Agreement waarop Engels recht van toepassing is. De Junior Loan Agreement is door [eiser] als aandeelhouder van [A] mede ondertekend. Op grond van de Junior Loan Agreement dient de Facility Agent te handelen naar de instructies van de (meerderheid van de) leninggevers en hebben de leninggevers zeggenschap over het aanblijven of vervangen van de Facility Agent. In de Junior Loan Agreement is voorts overeengekomen dat RBS haar positie van Facility Agent aan een derde kan overdragen, dat de Junior Lenders een andere Facility Agent kunnen aanwijzen en dat RBS haar rol als Facility Agent dan dient over te dragen. [eiser] is in de [A] pandakte akkoord gegaan met hetgeen in de Junior Loan Agreement is opgenomen ten aanzien van de Facility Agent en hij heeft bij voorbaat toestemming gegeven aan een overdracht door de Facility Agent van de positie van stemgerechtigd pandhouder. [eiser] heeft zich in de [A] pandakte verplicht om mee te werken aan het aandeelhoudersbesluit dat op grond van artikel 2:198 lid Pro 3BW is vereist voor de overdracht van het stemrecht door RBS aan de nieuwe Facility Agent.
grief 1) heeft de Ondernemingskamer hierboven reeds verworpen.
grieven 2 en 3richten zich tegen door de rechtbank vastgestelde feiten onder 2.6 en 2.9.
Grief 2(memorie van grieven 3.2.1 tot en met 3.2.3) houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [A] tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen onder de Junior Loan een pandrecht op de aandelen in [B] heeft verstrekt. Volgens [eiser] staat dit niet in de pandakte. De Ondernemingskamer overweegt dat dit oorspronkelijk inderdaad niet zo in die pandakte stond, maar zij constateert dat bij notariële akte een rectificatie heeft plaatsgevonden vanwege een kennelijke misslag. Dat brengt mee, gelet op hetgeen overigens hierboven onder 2.5 is vastgesteld en gezien het gebrek aan nadere concretisering in de grief, dat [A] het betreffende pandrecht voor de Junior Loan heeft verstrekt, zoals de rechtbank had vastgesteld. Daarmee is de grief verworpen.
Grief 3(memorie van grieven 3.3.1) richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat [betrokkene 3] een adviserende rol speelt bij [D] . Volgens [eiser] is [betrokkene 3] de
“ultimate beneficial owner”van [D] en controleert hij [D] volledig. De Ondernemingskamer heeft de precieze rol van [betrokkene 3] bij de feitenvaststelling (zie hierboven onder 2.8) in het midden gelaten. Zoals uit het hierna volgende zal blijken, heeft [eiser] geen belang bij deze grief.
Ciudad Financiera,aan [A] te onttrekken middels een - onrechtmatige -
loan to own-strategie. De Junior Lenders hebben via RBS geprobeerd het vermogen van [A] in handen te krijgen tegen een prijs die lager is dan de prijs die bij een ordentelijk executietraject zou kunnen worden verkregen. Zij hebben in dat kader eerst de Junior Loan van RBS gekocht en deze vervolgens opgeëist en - met behulp van RBS als Facility Agent - de stemrechten aan de aandeelhouders van [A] onttrokken. Ook de voorgenomen overdracht van de positie van RBS als Facility Agent aan [F] is een uitvoering van deze
loan to own-strategie, omdat [F] een lege vennootschap is die wordt gecontroleerd door [betrokkene 3] . [eiser] meent dat alle gedragingen van de Junior Lenders, ook de gedragingen die niet kwalificeren als een uitoefening van een executiebevoegdheid, de vennootschap onnodig schade toebrengen. Deze gedragingen van de Junior Lenders moeten in het kader van artikel 2:342 BW Pro aan RBS - die bij het uitoefenen van de stemrechten uitsluitend op instructie van de Junior Lenders handelt en op de hoogte is van de gedragingen van de Junior Lenders - worden toegerekend. Een andere uitleg zou betekenen dat iedere vordering op grond van artikel 2:342 BW Pro buitenspel kan worden gezet door er een
facility agenttussen te schuiven. Als concrete voorbeelden van handelingen van de Junior Lenders - op instructie van [betrokkene 3] - die aan RBS moeten worden toegerekend heeft [eiser] onder meer genoemd dat de Junior Lenders geweigerd hebben de kosten van de bestuurders van [A] te laten voldoen van de kostenrekening van [C] , waardoor [A] zonder bestuur kwam te zitten. Vervolgens hebben zij geweigerd in dat bestuur te voorzien. Daardoor kon [A] niet in rechte verschijnen in de procedure bij de voorzieningenrechter, welke procedure heeft geresulteerd in de beschikking van 23 augustus 2012. De inhoudelijke behandeling van de stellingen van [eiser] (zoals nader toegelicht in hoger beroep) komt hierna aan de orde in het kader van de grieven 5 tot en met 9. Grief 4 mist hiernaast zelfstandig belang.
“een facility agent tussen te schuiven”,overweegt de Ondernemingskamer dat ook in het geval dat
een facility agent/pandhouder contractueel gehouden is in het kader van de uitoefening van het stemrecht op instructie van een ander te handelen, heeft te gelden dat voor de beoordeling van een beroep op artikel 2:342 BW Pro bepalend zal zijn of de pandhouder door de gedragingen zoals hij die, al dan niet op instructie, daadwerkelijk heeft verricht het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen. In geval van handelingen die niet vallen binnen dit beoordelingskader van art. 2:342 BW Pro, zal een vordering op andere grondslag zijn aangewezen indien dergelijke handelingen schade toebrengen dan wel in concreto dreigen toe te brengen aan de vennootschap. In ieder geval kan uit de door [eiser] genoemde situatie niet de conclusie worden getrokken dat artikel 2:342 BW Pro zo moet worden uitgelegd dat handelingen van derden met een contractuele instructiebevoegdheid - zoals in dit geval de Junior Lenders - zonder meer aan de pandhouder zouden moeten worden toegerekend, zoals [eiser] betoogt. Ook voor de stelling dat de Junior Lenders voor de toepassing van art. 2:342 BW Pro als pandhouders moeten worden beschouwd, is geen grond. Grief 5 wordt op grond van het voorgaande verworpen.
grief 6(memorie van grieven 5.1 tot en met 5.4.6) heeft [eiser] in het kader van zijn beroep op artikel 2:342 BW Pro gesteld dat de
loan to own-strategie van de Junior Lenders het vennootschappelijk belang van [A] schaadt. Hij heeft daartoe gewezen op gedragingen van de Junior Lenders. In dat verband heeft hij onder meer verwezen naar de opsomming die de rechtbank heeft gegeven onder 4.3 van haar vonnis en daaraan toegevoegd dat met de vennootschap steeds [A] is bedoeld. Die opsomming luidt dat [betrokkene 3] :
“voor een volledige weergave verwezen naar de stukken in eerste aanleg.”Nog daargelaten dat deze laatste verwijzing te algemeen en onvoldoende concreet is, gaat het in de grief steeds over gedragingen van (een van) de Junior Lenders. Aangezien deze gedragingen geen gedragingen van RBS als stemgerechtigd pandhouder zijn, kan de grief naar het oordeel van de Ondernemingskamer, gelet op hetgeen hierboven onder 3.10 (slot) en 3.12 is overwogen, niet tot succes leiden.
Grief 7(memorie van grieven 3.6.1 tot en met 3.6.4), waarmee [eiser] aanvoert dat de rechtbank heeft miskend dat de in rechtsoverweging 4.3 opgesomde feiten zonder uitzondering zien op [A] , hoeft na het vorenstaande geen bespreking meer.
grief 8, memorie van grieven 3.4.1 tot en met 3.4.6) overweegt de Ondernemingskamer als volgt. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.9.2 van het vonnis onder meer het volgende overwogen:
“Nadat Intertrust en haar directeur zich eind 2011 hadden laten uitschrijven omdat zij niet langer werden betaald, beschikte [A] niet over een bestuur. Allereerst is van belang dat deze situatie niet door de Junior Lenders of RBS in het leven is geroepen. Integendeel, zoals RBS onvoldoende weersproken heeft aangevoerd, had [eiser] het in zijn macht om voor voldoende fondsen zorg te dragen zodat Intertrust wel had kunnen worden betaald.”[eiser] keert zich in zijn grief tegen deze overweging. Hij heeft in dat verband gesteld dat hij niet over eigen middelen beschikte en dat de Junior Lenders de kostenrekening hebben laten blokkeren en vervolgens een geheime overeenkomst hebben gesloten met een financier (Barclay Brothers)
“waarin zij specifiek hebben bedongen dat de Barclay Brothers iedere verder financiële steun aan de Vennootschappen(Ondernemingskamer: [C] , [B] en [A] )
zouden staken”.Hierdoor is [A] stuurloos geworden (memorie van grieven onder 6.4.1). Dit moet aan RBS worden toegerekend, aldus [eiser] . Naar het oordeel van de Ondernemingskamer blijft overeind dat de genoemde situatie niet door RBS in het leven is geroepen en dat een en ander geen gedraging van RBS betreft. Dit klemt te meer nu [eiser] ter terechtzitting desgevraagd heeft verklaard dat de kostenrekening een rekening van [C] was en dat hij bestuurder was van [C] in de periode dat de kosten van de besturen van [A] en [B] niet langer werden betaald. Hij had dus zeggenschap over die kostenrekening. [eiser] heeft aangevoerd dat RBS zich indertijd - ten onrechte - op het standpunt heeft gesteld dat toestemming van de Junior Lenders was vereist voor het vrij geven van fondsen van deze rekening, maar nadat RBS heeft betwist dat zij dit standpunt heeft ingenomen, heeft [eiser] deze stelling niet nader geconcretiseerd. De conclusie uit het voorgaande luidt dat de grief faalt.
loan to own-strategie heeft gefaciliteerd. Hij meent dat RBS met deze gedragingen het vennootschappelijk belang van [A] heeft geschaad en dat om die reden de vordering moet worden toegewezen. Die gedragingen - voor zover door [eiser] in hoger beroep aan de orde gesteld - betreffen:
loan to own-strategie. Vast staat dat [A] geen bestuur had gedurende de periode 21 december 2011 tot 30 mei 2013 en dat hiervan de oorzaak was dat het toenmalige bestuur - Intertrust - niet meer werd betaald. De Ondernemingskamer overweegt dat RBS wellicht een actievere rol had kunnen vervullen, maar dat op haar in haar hoedanigheid van Facility Agent en stemgerechtigd pandhouder niet de plicht rustte om uit eigen beweging in dat bestuur te voorzien. In dat verband wijst de Ondernemingskamer erop dat RBS [eiser] er in haar brief van 17 juli 2012 (hierboven onder 2.14) op heeft gewezen dat hij procedurele stappen kon nemen om een aandeelhoudersvergadering van [A] bijeen te roepen met betrekking tot het aanstellen van een nieuw bestuur. De Ondernemingskamer overweegt voorts dat in [A] geen activiteiten werden verricht en dat de benoeming van een bestuur pas urgent werd toen [A] aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot de jaarrekeningen moest gaan voldoen. Voor het benoemen van een bestuur was weliswaar de medewerking van RBS vereist, maar niet kan worden gezegd dat RBS, toen dit punt speelde, die medewerking op onredelijke grond heeft geweigerd, nu zij de door [eiser] indertijd voorgestelde kandidaten - namelijk [eiser] zelf en een van zijn medewerksters - om begrijpelijke redenen niet geschikt vond. [eiser] was op dat moment immers verwikkeld in een conflict met de Junior Lenders over het uitwinnen van de [B] pandrechten. Voorts neemt de Ondernemingskamer, evenals de rechtbank, in aanmerking dat [eiser] door de voorzieningenrechter in de gelegenheid is gesteld, mede in het belang van [A] , ter zitting het woord te voeren, ook al kon hij niet als formele vertegenwoordiger van [A] (en [B] ) worden toegelaten, en uit de beschikking van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2012 blijkt dat de voorzieningenrechter argumenten van [eiser] heeft meegewogen bij zijn beslissing, zodat niet is gebleken dat het vennootschappelijk belang van [A] op dit punt is geschaad vanwege het ontbreken van een bestuur. De grief faalt op dit onderdeel.
loan to own-strategie van de Junior Lenders faciliteert, voegt de Ondernemingskamer nog het volgende toe. Indien juist is dat de Junior Lenders er op uit zijn de eigendom van - uiteindelijk - de Ciudad Financiera te verwerven, dat RBS dit streven faciliteert en dat de Junior Lenders in dat verband in een mogelijk gunstiger positie verkeren dan [eiser] , brengt dit op zichzelf nog niet mee dat RBS het belang van [A] schaadt in de door artikel 2:342 BW Pro bedoelde zin. Het vennootschappelijk belang van [A] zal op dit moment niet veel meer inhouden dan dat het faillissement ordentelijk wordt afgewikkeld. Dat enig handelen van RBS ertoe leidt dat dit belang niet zou zijn gewaarborgd, kan niet worden vastgesteld. Waar het gaat om de belangen van [eiser] als aandeelhouder van [A] bij een deugdelijk executietraject, bestaat geen aanleiding om niet ervan uit te gaan dat [eiser] voldoende rechtsmiddelen ten dienste staan om voor zijn belangen op te komen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
Voorontwerp), evenals een bijbehorende concept memorie van toelichting (hierna: de
concept-MvT). [20] Ik kom daarop terug onder 3.9-3.13 hierna.
eersteobservatie betreft de wettelijke inbedding van dat begrip. Deze verschilt. Waar bijvoorbeeld het belang van de vennootschap in art. 2:129/239 lid 5 BW en art. 2:140/250 lid 2 BW fungeert als kernelement van het normatieve richtsnoer dat voor elke bestuurder respectievelijk commissaris geldt bij de taakvervulling, [35] maakt (schade aan) het belang van de vennootschap in art. 2:336 lid 1 BW Pro en art. 2:342 lid 1 BW Pro deel uit van een maatstaf waaraan, zo daaraan wordt voldaan, een bepaald rechtsgevolg kan worden verbonden. [36] Wat deze bepalingen met elkaar gemeen hebben, is dat daarin telkens het gedrag van een actor centraal staat in verbinding met het belang van de vennootschap: een bestuurder (art. 2:129/239 lid 5 BW), een commissaris (art. 2:140/250 lid 2 BW), een aandeelhouder (art. 2:336 lid 1 BW Pro) of een stemgerechtigde pandhouder (art. 2:342 lid 1 BW Pro). Men kan ook zeggen: bij de eerste twee actoren betreft het een positief geformuleerde gedragsnorm, bij de laatste twee actoren een negatief geformuleerde gedragsnorm.
tweedeobservatie betreft de inhoud van dat begrip. Ook deze verschilt. Zoals de rechtspraak laat zien, is de inhoud van het belang van de vennootschap afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan wordt dat belang ‘in de regel vooral’ bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. [37] Andere variabelen zijn denkbaar. [38] Zo zal dat belang significant van kleur verschieten als de activiteiten van de vennootschap een einde nemen en zij in staat van insolventie [39] of zelfs faillissement komt te verkeren. Het bevorderen van waardecreatie over de langere termijn door bestendig succesvol ondernemerschap (waarvan normaliter meerdere belanghebbenden die betrokken zijn bij de vennootschap en haar onderneming vruchten kunnen plukken, onder wie de aandeelhouders) maakt dan, als zwaartepunt bij de invulling van dat belang, in beginsel plaats voor het bevorderen van succesvolle discontinuatie en vereffening op de kortere termijn (waarbij past dat in het bijzonder de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de vennootschap dan zwaar wegen, zo niet preponderant worden). [40] In de literatuur wordt wel gesproken van onder meer een ‘dynamische functie’ van het belang van de vennootschap, waarmee wordt bedoeld dat “elke periode zijn eigen vennootschappelijk belang heeft”. [41] M.i. kan dat temporele aspect zich dus ook manifesteren binnen de levenscyclus van een bepaalde vennootschap.
derdeobservatie betreft de combinatie van het voorgaande. Het ligt voor de hand dat de betekenis van zulke perspectiefwisselingen en navenant gewijzigde invullingen van het belang van de vennootschap (tweede observatie) niet beperkt is tot een specifieke wettelijke bepaling waarin dat belang voorkomt, maar doorwerkt in de toepassing van al die bepalingen (eerste observatie) alsook van bepalingen waarin dat belang, hoewel onbenoemd, evenzeer een rol speelt: zoals art. 2:8 BW Pro (waarmee ik deze paragraaf begon).
derde lid[art. 2:342 lid 3 BW Pro, A-G] is bepaald dat de overgang van het stemrecht van rechtswege plaatsvindt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. Dit is mogelijk omdat voor de overgang van het stemrecht geen prijsvaststelling plaatsvindt. Bepaling van de waarde van het stemrecht, zo die er is, is immers buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk.” [48] De memorie van toelichting is vervolgens in deze zin aangepast. [49]
element (i)verwijst de wet naar “(…) een aandeelhouder die door zijn gedragingen (…)”, wat betekent dat de maatstaf van art. 2:336 lid 1 BW Pro “moet worden aangelegd aan het gedrag van de aandeelhouder in die hoedanigheid, dus binnen de vennootschap”, [53] niet aan diens daarbuiten liggende gedragingen. Het gaat daarbij om gedragingen van de aandeelhouder in die hoedanigheid die ten tijde van de uitstotingsprocedure zijn verricht (inclusief eventueel voortduren daarvan), niet (ook) om daarvan losstaande, mogelijk toekomstige gedragingen.
element (ii)verwijst de wet naar “het belang van de vennootschap” en is duidelijk dat de grondslag van de uitstoting in art. 2:336 lid 1 BW Pro erin ligt dat de gedaagde aandeelhouder door zijn gedragingen als bedoeld in element (i) dit belang van de vennootschap schaadt of heeft geschaad, niet dat het belang van de eiser(s) of een derde wordt geschaad of is geschaad. [66] Anders gezegd: de beschermingsstrekking van art. 2:336 BW Pro richt zich tot het belang van de vennootschap. [67] Dat de vennootschap blijkens art. 2:336 lid 2 BW Pro niet zelf art. 2:336 BW Pro in stelling kan brengen, doet daaraan niet af. Op dat belang van de vennootschap ben ik ingegaan onder 3.7 hiervoor. Enkel hinderlijk of zelfs onaanvaardbaar gedrag van een aandeelhouder is op zichzelf dus, gelet op element (ii), nog geen reden om hem als aandeelhouder uit te stoten, [68] wat ook geldt bij het enkele handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid: dat is voor uitstoting onvoldoende. [69] Met de woorden “of heeft geschaad” wordt tot uitdrukking gebracht dat uitstoting ook mogelijk is wegens gedragingen die ten tijde van het instellen van de vordering in het verleden liggen. [70] Ik wijs erop dat de wet hier niet (ook) uitgaat van de toekomstige tijd (‘of (mogelijk) zal schaden’), wat onderstreept dat de wet evenmin (ook) aanknoopt bij mogelijk toekomstige gedragingen van de aandeelhouder, waarover ook onder 3.10 hiervoor. [71]
element (iii)verwijst de wet naar de eis dat het voortduren van het aandeelhouderschap van de gedaagde aandeelhouder “in redelijkheid niet kan worden geduld”, logischerwijs te bezien in verbinding met de daaraan voorafgaande verwijzing in art. 2:336 lid 1 BW Pro naar “de aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad”. Het ligt voor de hand dat element (iii) pas kan spelen, als ook element (i) en element (ii) zijn geactiveerd. In dit kader beoordeelt de rechter of het belang van de uit te stoten aandeelhouder om aandeelhouder te blijven, gelet op en ondanks zijn gedragingen die het belang van de vennootschap schaden (of hebben geschaad) en de overige feiten en omstandigheden van het geval, opweegt tegen het belang van de vennootschap dat met de uitstoting van de aandeelhouder gediend zou zijn. Dit veronderstelt een door de rechter met gepaste terughoudendheid te verrichten belangenafweging. Te meer in combinatie met de andere besproken elementen van art. 2:336 lid 1 BW Pro bezien, is de conclusie gerechtvaardigd dat het kantelpunt naar uitstoting niet snel bereikt wordt: in de hier te hanteren maatstaf ligt, anders gezegd, een hoge drempel besloten. [75]
schorsingvan het stemrecht van een stemgerechtigde pandhouder werd gevraagd, terwijl in de hoofdzaak een op art. 2:342 BW Pro gebaseerde vordering aanhangig was. De rechtbank Amsterdam wees de vordering in het incident af, omdat naar het oordeel van de rechtbank “onvoldoende aannemelijk [is] geworden dat [de stemgerechtigde pandhouder, A-G] haar stemrecht zal aanwenden op een zodanige wijze dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat zij dat blijft doen.” [78] Tot een uitspraak op grond van art. 2:342 BW Pro kwam het daarbij naar mijn weten niet. Tegen deze achtergrond is wel gepleit voor afschaffing van art. 2:342 BW Pro. [79] De wetgever heeft deze suggestie vooralsnog niet overgenomen.
de stemgerechtigde pandhouder(RBS), niet om gedragingen van derden ( [betrokkene 3] en/of de Junior Lenders). Daarop spitste de hier door de OK behandelde discussie tussen partijen zich ook toe, in het bijzonder vanwege het betoog zijdens [eiser] dat ook gedragingen van derden ( [betrokkene 3] en/of de Junior Lenders) moeten worden betrokken bij de toepassing van art. 2:342 BW Pro. Dat oordeel van de OK getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zie onder 3.10 hiervoor, alsmede onder 3.25-3.27 hierna.
nagelaten): (…).” [cursivering A-G]
eerstespitst zich dan toe op de overweging in rov. 3.12, tweede-derde zin, “dat voor de beoordeling van een beroep op artikel 2:342 BW Pro bepalend zal zijn of de pandhouder door de gedragingen zoals hij die, al dan niet op instructie, daadwerkelijk heeft verricht het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen. In geval van handelingen die niet vallen binnen dit beoordelingskader van art. 2:342 BW Pro, zal een vordering op andere grondslag zijn aangewezen indien dergelijke handelingen schade toebrengen dan wel in concreto dreigen toe brengen aan de vennootschap.”
tweedebetreft dan het verzoek van RBS tot het bijeenroepen van een algemene vergadering bij [A] voor de (beoogde) overdracht van de rol van Facility Agent en het stemrecht op de aandelen in [A] aan [F] , als bedoeld in rov. 2.19 en rov. 3.15 onder d. Naar aanleiding daarvan overweegt de OK in rov. 3.20, tweede-derde zin: “Ook hier geldt dat het bestuur aan dit verzoek geen gehoor heeft gegeven
en dat het mogelijk bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders waarin over de genoemde overdracht een beluit zal worden een toekomstige (onzekere) omstandigheid betreft waaraan in het kader van de beoordeling van de vordering op grond van art. 2:342 BW Pro geen betekenis toekomt. Ook dit onderdeel van de grief wordt verworpen.” [94] [cursivering A-G]
niet ookacht te slaan op gedragingen van RBS ‘in verband met de vennootschap’ los van haar gedragingen als “stemgerechtigd pandhouder” of als “(al dan niet stemgerechtigd) pandhouder”. Ik wees er zo-even al op, dat het subonderdeel daarmee uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting.
loan-to-ownstrategie, voor de toepassing van art. 2:342 BW Pro aan RBS moeten worden toegerekend dan wel de Junior Lenders voor de toepassing van art. 2:342 BW Pro als pandhouder moeten worden beschouwd. Een andere benadering zou betekenen dat iedere vordering ex art. 2:342 BW Pro eenvoudig kan worden gefrustreerd “door er een
facility agenttussen te schuiven”.
“een facility agent tussen te schuiven”,overweegt de Ondernemingskamer dat ook in het geval dat
een facility agent/pandhouder contractueel gehouden is in het kader van de uitoefening van het stemrecht op instructie van een ander te handelen, heeft te gelden dat voor de beoordeling van een beroep op artikel 2:342 BW Pro bepalend zal zijn of de pandhouder door de gedragingen zoals hij die, al dan niet op instructie, daadwerkelijk heeft verricht het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen. In geval van handelingen die niet vallen binnen dit beoordelingskader van art. 2:342 BW Pro, zal een vordering op andere grondslag zijn aangewezen indien dergelijke handelingen schade toebrengen dan wel in concreto dreigen toe te brengen aan de vennootschap.”
zelfniet beschikt hebben over eigen middelen en aan bepaalde gedragingen van
derden(de Junior Lenders in samenwerking met een financier, ‘Barclay Brothers’), “niet door RBS in het leven is geroepen en dat een en ander geen gedraging van RBS betreft”.
loan to own-strategie van de Junior Lenders faciliteert, voegt de Ondernemingskamer nog het volgende toe.
Indien juist is dat de Junior Lenders er op uit zijn de eigendom van - uiteindelijk - de Ciudad Financiera te verwerven, dat RBS dit streven faciliteert en dat de Junior Lenders in dat verband in een mogelijk gunstiger positie verkeren dan [eiser] , brengt dit op zichzelf nog niet mee dat RBS het belang van [A] schaadt in de door artikel 2:342 BW Pro bedoelde zin. Het vennootschappelijk belang van [A] zal op dit moment niet veel meer inhouden dan dat het faillissement ordentelijk wordt afgewikkeld. Dat enig handelen van RBS ertoe leidt dat dit belang niet zou zijn gewaarborgd, kan niet worden vastgesteld. Waar het gaat om de belangen van [eiser] als aandeelhouder van [A] bij een deugdelijk executietraject, bestaat geen aanleiding om niet ervan uit te gaan dat [eiser] voldoende rechtsmiddelen ten dienste staan om voor zijn belangen op te komen.” [cursivering A-G]
[eiser] als aandeelhouder van[A] bij een deugdelijk executietraject. Dit ten overvloede, zoals ook blijkt uit rov. 3.19, vijfde zin, nu niet dat belang van [eiser] centraal staat in zijn vordering op de voet van art. 2:342 lid 1 BW Pro, maar het belang van [A] . Zie onder 3.11 hiervoor. Hier geldt evenzeer dat voor zover het subonderdeel van een andere lezing uitgaat, het feitelijke grondslag mist, en dat ik niet zie wat de OK omtrent het belang van [eiser] als aandeelhouder van [A] anders of meer had moeten overwegen dan het doet in rov. 3.19 (wat overigens aansluit op rov. 3.12). Het oordeel van de OK in rov. 3.19 behoeft geen nadere motivering, de in het subonderdeel bedoelde stellingen van [eiser] in hoger beroep (voetnoten 9-10, de laatste herhaald in voetnoot 11) doen daaraan dus niet af.
In de financieringspraktijk is het zeer gebruikelijk dat de bank een pandrecht op aandelen verkrijgt en dat daarbij wordt bedongen dat het stemrecht op de bank als pandhouder overgaat indien de schuldenaar in gebreke blijft met zijn (betalings)verplichtingen jegens de leninggevers. Zo kan worden voorkomen dat de waarde van het onderpand wordt uitgehold of dat daaraan anderszins schade wordt toegebracht, terwijl de bank met behulp van het stemrecht bovendien de nodige besluiten kan initiëren teneinde de aandelen ‘verkoopklaar’ te maken. Met deze constructie blijft het pandrecht een werkbaar zekerheidsrecht. Het aldus met behulp van de verkregen stemrechten (kunnen) uitwinnen van zijn pandrecht, betreft een gerechtvaardigd belang van een pandhouder dat niet steeds parallel loopt met dat van de vennootschap.Ter voorkoming van de uitholling van een pandrecht als zekerheidsrecht in het financieel verkeer zal het vennootschappelijk belang dus onder omstandigheden moeten wijken voor het belang van de pandhouder.” [cursivering A-G]