Conclusie
gelieerdevennootschappen selectief te betalen, tenzij die betaling door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd. Dat was in wezen al bekend uit
Coral/Stalt.Die “nee, tenzij-norm” geldt ook bij voldoening van niet-gelieerde schuldeisers als de bestuurder bij die betaling een persoonlijk belang heeft.
2.Bespreking van het cassatieberoep
onderdelen 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5bestrijden rov. 3.7, waarin het hof die maatstaf in concreto toepast.
onderdeel 4wordt geklaagd over de passage uit rov. 3.4 dat de curator kennelijk onvoldoende feitelijke grondslag zou zien om de faillissementspauliana toe te passen.
Coral/Stalt-arrest [9] [10] is in rov. 3.4.3 deze norm ontwikkeld:
Coral/Stalt-leer doortrekt naar het bestuurdersaansprakelijkheidsveld waar wij ons over buigen, citeer ik genoemde passage uit zijn conclusie voor
Nutriscience(een zaak die Uw Raad afdeed met toepassing van art. 81 RO Pro [12] ) hier als verdere introductie:
of haar faillissement op korte termijn onvermijdelijk is, tenzij de betaling door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd.” [Onderstreping A-G]
[…] /Maas q.q. [14] over betalingen binnen een concern vlak voor faillissement is voor de aansprakelijkheid van bestuurders bij selectieve betalingen aansluiting is gezocht bij het arrest
Ontvanger/ […] [15] in die zin dat voor aansprakelijkheid van bestuurders is vereist dat sprake is van zodanig gedrag dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt – een betrekkelijk hoge drempel. Die wordt gerechtvaardigd doordat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen [16] .
Zandvliet/ING [18] . Daarin werd Zandvliet met succes als indirect bestuurder van Standard persoonlijk aansprakelijk gesteld door ING. De bank had ondanks haar opeisbare vordering op Zandvliet tot aflossing van krediet genoegen genomen met uitstel daarvan door Standard tegenover de toezegging van Zandvliet dat haar vordering bij voorrang uit nog te ontvangen middelen zou worden voldaan, terwijl hij wist dat daarvan geen sprake was/zou zijn. ING bleef uiteindelijk met lege handen achter. Rechtbank en hof wijzen de vordering van ING toe en de cassatiepoging strandt:
.Bij zijn oordeel dat een zodanig ernstig verwijt op zijn plaats was, heeft het hof niet eraan voorbijgezien dat het een bestuurder in beginsel vrijstaat op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan, maar geoordeeld dat het niet nakomen van de betalingsverplichting uit hoofde van de nadere overeenkomst slechts voortkwam uit betalingsonwil van de kant van Zandvliet jegens ING
.Weliswaar heeft Zandvliet in dit verband aangevoerd dat hij niet heeft ingestemd met de betaling van ƒ 410.000,- aan de andere 50% aandeelhouder van Standard en dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar kennelijk heeft het hof die stelling niet opgevat als voldoende onderbouwd. Dat op de aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken berustende oordeel is niet onbegrijpelijk.”
paritas creditorumcentraal. Als de bestuurder geen rechtvaardiging kan aandragen voor selectieve betaling in die latere fase, is hij wel aansprakelijk [21] . Dat brengt ons denk ik verder [22] .
Sobi/Beklamel– “peildatum”) en (b) het moment waarop het faillissement onafwendbaar is. Vanaf moment (a) dient een bestuurder zich de belangen van de schuldeisers concreet aan te trekken, hetgeen betekent dat ook betalingen aan gelieerde partijen volgens Schreurs onder verscherpt toezicht komen (pre-faillissementsparitas). Te denken valt aan betaling in verband met leveranties door gelieerde partijen, betaling van (achterstallige) managementfees, intra-concern huurbetalingen. Volgens Schreurs zijn dergelijke betalingen wel mogelijk, maar alleen als externe crediteuren van gelijke rang tenminste evenredig betaald krijgen en de bekende opeisbare hoger gerangschikte schulden geheel zijn voldaan. Vanaf het moment dat het faillissement onafwendbaar wordt, gaat volgens deze auteur in principe iedere betaling ten laste van de gemeenschappelijke schuldeisers. Betalingen vanaf moment (b) moeten in het gezamenlijk belang van die crediteuren zijn, zoals ter instandhouding van de onderneming om uitzicht op een doorstart te houden of ter voorkoming van schade die niet betaald kan worden (energiekosten, verzekeringspremies). Van situatie (b) van onafwendbaar faillissement is volgens Schreurs niet per definitie sprake als het faillissement al is aangevraagd, bijvoorbeeld niet als tegen de aanvraag verweer te voeren valt met gerechtvaardigd vertrouwen op succes. Maar indien de bestuurder zelf het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, meent Schreurs dat hij in beginsel belast moet worden met stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of het faillissement afwendbaar was of niet. Daarbij zou verder de mate van gelieerd zijn van de ontvanger van de betaling moeten worden meegenomen [23] . In zijn noot onder het hofarrest dat voorwerp is van onze zaak in cassatie uit Schreurs forse kritiek op dit arrest. Hij meent (onder 6) dat in deze zaak wel de eigen faillissementsaanvrage door [verweerster 1] maakt dat het faillissement onafwendbaar was [24] .
Coral/Stalt(naar welk civiel arrest in deze fiscale zaak expliciet wordt verwezen, net als naar
Zandvliet/ING) volgens mij wordt doorgetrokken naar een selectieve betaling aan niet-gelieerde schuldeisers als de bestuurder bij die betaling een persoonlijk belang had. Dat is interessant voor onze zaak. Uw Raad heeft in dit arrest nieuwe criteria gegeven voor kennelijk onbehoorlijk bestuur in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 36, lid 3, Iw 1990 – de fiscaal-rechtelijke pendant van art. 2:138/248 BW. Deze bepaling luidt, voor zover in dit arrest van belang, als volgt:
Zandvliet/ING, A-G].
Coral/Stalt, A-G]. Dit geldt ook bij de voldoening van niet-gelieerde schuldeisers van de vennootschap als de bestuurder van de vennootschap bij die betaling een persoonlijk belang heeft. [Onderstreping A-G]
Beklamel-arrest [31] uiteengezet dat een bestuurder die een rechtshandeling aangaat namens de vennootschap terwijl hij wist, of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de wederpartij ten gevolge van die wanprestatie zou lijden, het risico loopt persoonlijk aansprakelijk te worden gehouden voor die schade [32] . In
Ontvanger/ […] [33] is daaraan toegevoegd dat er tevens sprake moet zijn van een ernstig verwijt [34] en in
/Maas q.q. [35] is deze maatstaf toegepast in het kader van selectieve betaling en overwoog Uw Raad dat van een dergelijk ernstig verwijt in ieder geval sprake zal zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade. Ook is daarin overwogen dat er zich ook andere omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan een zodanig verwijt kan worden aangenomen.
Coral/Stalt-maatstaf in wezen wordt doorgetrokken naar betalingen aan niet-gelieerde schuldeisers van de vennootschap als de bestuurder van de vennootschap bij die betaling een persoonlijk belang heeft. Indien een bestuurder in deze gevallen toch een selectieve betaling doet en indien van bijzondere omstandigheden geen sprake is, dan kan zijn handelwijze al worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 36 lid 3 van Pro de Iw 1990 indien hij ernstig rekening ermee had moeten houden dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belastingschulden van de vennootschap onbetaald zouden blijven. Naar het civiele recht zouden wij dit zo kunnen vertalen, dat indien een bestuurder in deze gevallen toch een selectieve betaling doet en indien van bijzondere omstandigheden geen sprake is, hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt indien hij er ernstig rekening mee had moeten houden dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat schulden van de vennootschap onbetaald zouden blijven.
Coral/Stalt-norm door te trekken naar selectieve betalingen aan niet-gelieerde schuldeisers in de aanloop naar het faillissement in het geval de bestuurder van de betalende vennootschap daar een persoonlijk belang bij heeft.
Zandvliet/INGnoemt: een feitelijke liquidatiefase, of wat in de besproken arresten
Coral/Stalten het recente arrest van de fiscale kamer heet: een situatie waarin is besloten de activiteiten te beëindigen, of wat A-G Timmerman in zijn besproken
Nutirscience-conclusie noemt: de fase waarin een faillissement onvermijdelijk is geworden en die Schreurs doortrekt tot het geval dat de vennootschap (of de bestuurder) zelf het faillissement heeft aangevraagd. Dat lijken mij andere omschrijvingen voor de situatie van nijpend naderend daadwerkelijk faillissement die te plaatsen is tegenover de eerdere fase die Bartman aanduidt met: de reddingsfase, waarin inderdaad de bestuurder het voordeel van de twijfel zou moeten krijgen op grond van de betaalautonomie van de bestuurder. In welke fase men verkeert en wanneer de aansprakelijkheidsnorm als het ware “omklapt” van “nee, tenzij” naar “ja, tenzij”, lijkt mij afhankelijk van de omstandigheden van het geval [42] .
belastingschulden en het in een civiele zaak als de onze gaat om onbetaald gelaten andere
concurrenteschuldeisers. De fiscus is immers een type schuldeiser van ander “soortelijk gewicht” dan commune civiele schuldeisers, zo valt te betogen. Maakt dat soms dat gerechtvaardigd is dat in het belastingrecht eerder sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid bij selectieve betaling in de fase dat een faillissement onafwendbaar is te achten? Het lijkt mij dat je dat argument beter kunt omdraaien: nu de belastingdienst toch al (verhaals)voorrangsinstrumenten heeft zoals bodembeslag en fiscale preferenties, zou de in het belastingrecht geformuleerde strengere bestuurdersaansprakelijkheidsnorm voor de fase dat een faillissement onafwendbaar is te achten
a fortiorimoeten gelden in het civiele aansprakelijkheidsrecht, waar het verhaalsinstrumentarium voor een commune schuldeiser beperkter is.
Zandvliet/ING, [verweerders] duidelijk het voordeel van de twijfel gegeven op grond van de betaalautonomie van de bestuurder. Dat heeft het hof in mijn optiek alleen cassatieproof kunnen doen als het op voldoende inzichtelijk gemotiveerde wijze heeft aangegeven dat de vennootschap ten tijde van de selectieve betaling bijna drie weken na eigen faillissementsaanvrage en een kleine twee weken voor daadwerkelijk faillissement (met ook nog de decemberfeestdagen tussen selectieve betaling en faillissement in) nog in de reddingsfase verkeerde en niet in een situatie dat het faillissement onafwendbaar was geworden. Dat is overigens een in hoge mate feitelijke kwestie, omdat het oordeel daarover berust op weging van hetgeen partijen over de specifieke feitelijke toestand van de vennootschap ten tijde van de gewraakte selectieve betaling over en weer te berde hebben gebracht. Dat lijkt niet duidelijk te zijn afgebakend door het hof.
bij de bestuurder/eigen aanvragerstelplicht en bewijslast liggen dat ondanks die eigen aanvrage geen sprake was van een situatie dat faillissement onafwendbaar was, zodat het hof dit niet zo maar heeft kunnen veronderstellen) is het eerste deel van de door het hof geformuleerde norm juist vanwege de betalingsautonomie van de bestuurder, maar klopt uitwerking daarvan na “met name” niet, zoals hiervoor is beargumenteerd in 2.22. Nu het hof vervolgens in rov. 3.7 is doorgegaan op dit onjuiste spoor door af te vinken dat onvoldoende is gebleken dat [verweerders] de selectief betaalde schuldeiser bewust zou hebben willen bevoordelen boven andere crediteuren dan wel dat zij persoonlijk baat hadden bij het doen van deze betaling, dient de klacht volgens mij ook dan te slagen.
onderdeel 3.2 [46] bouwt voort op
onderdeel 2.2en klaagt in de kern dat het oordeel van het hof in rov. 3.7 rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is nu het uitgaat van een onjuiste maatstaf en moet gelet op het hetgeen bij behandeling van onderdeel 2.2 is betoogd dan ook slagen (met overeenkomstige nuanceringen als bij het vorige onderdeel aangekaart).
onderdeel 5treft bij het slagen van de klachten tegen rov. 3.6 en 3.7 ook doel, zodat ook de oordelen van het hof in rov. 3.8 en 3.9 en het dictum van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven.