Conclusie
4.Het eerste en het tweede middel
In de toelichting op het tweede middel wordt geklaagd dat niet begrijpelijk is waarom voor de bewezenverklaring redengevend wordt geacht dat medeverdachte [medeverdachte 1] de ramauto heeft klaargezet, terwijl de verdachte - anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld - het feit niet met medeverdachte [medeverdachte 1] zou hebben gepleegd. Uit de gebezigde bewijsvoering zou voorts niet blijken dat de verdachte een aandeel in de uitvoering heeft gehad, terwijl het Hof ook niet heeft gerespondeerd op het verweer dat tussen feit 1 en 2 geen sprake is geweest van een overeenkomstige modus operandi, nu blijkt van een andere dadersamenstelling (zie hieromtrent het derde middel).
5.Het derde middel
49. Nu geen sprake is van een specifieke modus operandi vergelijkbaar met feit 1 en het dossier onvoldoende bewijs bevat voor medeplegen, verzoek ik u cliënt ook ter zake van feit 2 vrij te spreken.”
werkwijzeals de enige overeenkomstige werkwijze bestaat uit het na een voorverkenning met een gestolen ramauto plegen van een ramkraak en het per scooters vluchten door de daders, nu een dergelijke gang van zaken een vrij kenmerkende wijze voor een ramkraak is. Daarnaast verschilt onderhavige zaak met feit 1 wat betreft het aantal daders, de soort tassen waarin de buit is vervoerd, het vooraf klaargezet zijn van de ramauto en het in brand steken van die auto.
6.Het vierde middel
bijnavier jaar geleden zijn gepleegd. De feiten in de onderhavige zaak dateren van 15 juli 2014 resp. 9 september 2014. Dit brengt mee dat het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van het geding de toegestane totale duur van vier jaren niet overschrijdt.