Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat volstaan kan worden met de constatering dat in hoger beroep een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM heeft plaatsgevonden. Het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld dat de omstandigheid dat in hoger beroep het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is geschonden niet tot strafverlaging leidt omdat, indien het strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, geen sprake is van een schending van dit vereiste.
NJ2008/358 m.nt. Mevis en in het hiervoor geciteerde arrest van 9 februari 2021, niet miskend. Anders dan in de zaak die leidde tot laatstgenoemd arrest heeft het hof bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn niet de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg beslissend laten zijn. Voor zover het middel uitgaat van een andere lezing van de overwegingen van het hof, ontbeert het naar het mij voorkomt feitelijke grondslag.
tweedemiddel klaagt dat de beslissingen van het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed. De eerste deelklacht ziet, zo kan mede uit de toelichting worden afgeleid, op de toegewezen vergoeding inzake materiële schade. De stellers van het middel voeren aan dat het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de benadeelde partij op 24 oktober 2015 in Ridderkerk is aangekomen, dat zij de eerste twee dagen daar niet heeft gewerkt en dat zij ook gedurende de periode van ongesteldheid niet zou hebben gewerkt. In het licht van deze vaststellingen zou de schatting van de materiële schade gebaseerd op vijftien werkdagen onjuist althans onbegrijpelijk zijn. Indien ervan uit zou worden gegaan dat de benadeelde partij bijvoorbeeld één week ongesteld is geweest, zou de berekening neerkomen op (slechts) tien werkdagen. Gelet hierop zouden de beslissingen van het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed.
TOELICHTING MATERIELE SCHADE VAN [slachtoffer]
(BFK: 2015).
Noodzakelijkerwijs is het toe te kennen bedrag een inschatting van de geleden schade. Harde gegevens met betrekking tot het aantal uren dat gewerkt is, het aantal klanten dat per dag werd ontvangen en de inkomsten die daarmee werden verdiend, zijn immers niet voorhanden.
€ 5500,- tenminste redelijk.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
de periode in Ridderkerkvan 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 (3 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 15 dagen en
de periode in Rotterdamvan 14 november 2015 tot en met 18 december 2015 (5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, heeft uw Raad onder meer overwogen (met weglating van een voetnoot):
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde. Indien Uw Raad van oordeel is dat de eerste deelklacht slaagt, dient de duur voorts te worden verminderd.