Conclusie
1.Feiten
Turistik Hava), verzorgt onder de naam Corendon Airlines passagiersvluchten, onder andere tussen Nederland en Turkije. Turistik Hava is een naamloze vennootschap naar Turks recht, met statutaire zetel in Istanboel en andere vestigingen in onder meer Antalya (Turkije) en in Lijnden (gemeente Haarlemmermeer). Zij gebruikt vliegtuigen die in Turkije zijn geregistreerd.
at any time” mag beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van 15 dagen in het geval dat zij “
ceases to carry on business or [to] meet its financial obligations”. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, van 1 november 2015 tot en met 7 november 2018.
2.Procesverloop
het hof). Zij heeft het hof verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij de beoordeling van het geschil eerst de vraag van rechtsmacht en van toepasselijk recht te beantwoorden.
3.Algemeen kader: conflictregels en exceptieclausules
lid 1volgt dat ook in een arbeidsovereenkomst een rechtskeuze kan worden gemaakt. De tweede volzin van lid 1 beperkt echter het effect van een dergelijke rechtskeuze: de werknemer verliest niet de bescherming die hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat zonder rechtskeuze toepasselijk zou zijn, ‘het objectief toepasselijke recht’. Om te kunnen bepalen welk recht dat is bevat art. 8 Rome Pro I een getrapt systeem van conflictregels. Uit
lid 2volgt dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Indien er geen land is aan te wijzen
waarde werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, moet worden uitgegaan van het land
van waaruithij gewoonlijk zijn arbeid verricht. Indien ook geen land is aan te wijzen van waaruit gewoonlijk de arbeid wordt verricht, dan is ingevolge
lid 3op de arbeidsovereenkomst van toepassing het recht van het land waar zich de vestiging van de werkgever bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.
Lid 4ten slotte bevat een exceptieclausule. [6] Een dergelijke bepaling dient ertoe de in een verwijzingsregel gehanteerde aanknopingsfactor te corrigeren als dit leidt tot een betere lokalisering van de rechtsverhouding: [7] indien uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat een arbeidsovereenkomst een ‘kennelijk nauwere band’ heeft met een ander land, dan is het recht van dat andere land van toepassing. [8]
Schleckereen uitleg gegeven van de exceptieclausule, die toen nog stond in art. 6 lid Pro 2, laatste zin, EVO. Om te bepalen of een overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan dat waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, dient de rechter rekening te houden met alle factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken en te bepalen welke factoren het zwaarst wegen (punt 40). Het HvJ EU overweegt vervolgens: [9]
in elk gevalin ogenschouw moet nemen, maar die op zichzelf niet noodzakelijkwijs meebrengen dat er een nauwere band met het recht van een ander land dan het gewone werkland van de werknemer. Anderzijds kunnen ook andere relevante factoren meebrengen dat een arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land.
Schleckerwas een prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad. In zijn conclusie voorafgaand aan het verwijzingsarrest merkte A-G Strikwerda onder meer het volgende op: [13]
Schleckervan het HvJ EU valt echter niet met zekerheid op te maken dat lid 4 restrictief moet worden geïnterpreteerd. Ik verwijs naar punt 39 van dat arrest:
Koelzschhad het HvJ EU (Grote Kamer) bovendien reeds geoordeeld dat het aanknopingscriterium ‘gewoonlijk werkland’ ruim moet worden uitgelegd wegens de nagestreefde doelstelling de werknemer te beschermen. [15]
Schlecker– mogelijk een belangrijke aanwijzing van een nauwere band met dat andere land. Het hangt echter mede af van de andere relevante omstandigheden van het geval of het betalen van belasting over inkomen uit arbeid en het afdragen van sociale premies volstaat om de balans te doen kantelen naar (het recht van) het andere land. Overigens is ook het gewoonlijk werkland niet een statisch aanknopingscriterium. Hoe langer de werknemer in of vanuit dat land heeft gewerkt hoe zwaarder dit weegt bij de te maken afweging, zoals ook in de aangehaalde conclusie van A-G Strikwerda werd opgemerkt. In
Schleckerhad de werknemer ruim twaalf jaar in Nederland in dienst van de werkgever gewerkt, in deze zaak één jaar.
waartegeneen werknemer moet worden beschermd. Dan kan bijvoorbeeld zijn tegen schijnconstructies e.d., waarbij een werknemer formeel in dienst is van een vennootschap in een land waar het salarisniveau laag is. Men hoede zich er evenwel voor om in internationale verhoudingen bepaalde verworvenheden van het Nederlands arbeidsrecht tegen iedere prijs te willen beschermen. Ontslagbescherming, een groot goed, is daarvan een voorbeeld. Voor een werknemer kan het financieel aantrekkelijk zijn om in dienst te treden bij een buitenlandse werkgever, als hij dan minder belasting- en premiedruk heeft dan in Nederland het geval zou zijn. Deze werknemer zal per maand meer overhouden van hetzelfde (marktconforme) brutosalaris dan een werknemer die hetzelfde werk doet in dienst van een Nederlandse onderneming. Dat deze werknemer niettemin op grond van art. 8 lid 2 Rome Pro I in aanmerking moet komen voor dezelfde ontslagbescherming als de werknemer die voor de Nederlandse onderneming werkt, ligt niet zonder meer in de rede. Daarbij maakt het niet uit of betrokkene de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woonachtig is. Gesteld dat het gaat om een Brit of een Duitser die voor een eerdere baan in Amsterdam is gaan wonen en vervolgens copiloot of purser wordt bij Corendon Airlines, dringt de behoefte aan Nederlandse ontslagbescherming zich dan evenzeer op?
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Schleckeronjuist heeft toegepast en dat met een juiste toepassing van deze criteria de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat een nauwere verbondenheid met Turkije vaststaat en dat het beroep van Turistik Hava op art. 8 lid 4 Rome Pro I daarom slaagt. [19] Zij heeft gewezen op de volgende omstandigheden:
in 2015 en 2016 belasting in Turkije heeft betaald.” [23]
Om dezelfde redenen kan, anders dan Turistik Hava betoogt, niet worden geoordeeld dat uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Turkije dan met Nederland, in de zin van het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Rome I-Verordening, zodat evenmin op deze grond tot uitsluitende toepasselijkheid van Turks recht kan worden besloten.”
Schleckereen aantal factoren genoemd waarmee de rechter, mogelijk naast andere factoren, in elk geval rekening moet houden bij het beoordelen van een beroep op de exceptieclausule van art. 8 lid 4 Rome Pro I. Het gaat daarbij om factoren zoals het land waar de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt en het land waar hij is aangesloten bij de sociale zekerheid, en bepaalde criteria zoals de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden. [24]
onder agenoemde omstandigheid dat [verweerder] in Turkije belasting heeft betaald, geldt het volgende. De kantonrechter heeft in zijn beschikking in rov. 2.7, tweede zin, als feit vastgesteld dat [verweerder] inkomstenbelasting in Nederland heeft betaald (zie hiervoor, 4.5). Turistik Hava heeft in hoger beroep geklaagd dat dit onjuist is en dus uitdrukkelijk betwist dat dit vaststaat. Het hof heeft onder 2 van de bestreden beschikking overwogen dat het die klacht bij zijn beoordeling van het hoger beroep, “voor zover daarvoor van belang”, in zijn overwegingen zou betrekken. Het hof heeft dat echter niet gedaan. Het is bij zijn oordeel over de toepassing van de exceptieclausule van art. 8 lid 4 Rome Pro I in rov. 3.16 niet uitdrukkelijk ingegaan op de vraag in welk land [verweerder] belasting over
inkomen uit arbeidheeft betaald. Daarin ligt besloten het oordeel dat voor de toetsing aan art. 8 lid 4 daartoe Pro geen noodzaak bestaat. Aldus is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het had gelet op het arrest
Schleckermoeten beoordelen in welk land door [verweerder] belasting is betaald en vervolgens ook deze omstandigheid in zijn overweging moeten betrekken. Het hof heeft evenmin gemotiveerd waarom het kennelijk meende dat het niet van belang was in te gaan op de vraag of [verweerder] gedurende zijn dienstverband inkomstenbelasting in Nederland had betaald.
Schlecker, in het bijzonder aankomt op betaalde belasting op inkomsten
uit arbeid(punt 41). Als [verweerder] aangifte heeft gedaan van Nederlandse inkomstenbelasting in verband met, bijvoorbeeld, eventuele neveninkomsten uit arbeid, een eigen woning in Nederland of de vermogensrendementsheffing van box 3 doet dat niet af aan de mogelijkheid dat er met Turkije een kennelijk nauwer verband als bedoeld in art. 8 lid 4 bestaat Pro. Voor dat laatste is relevant dat de kantonrechter, eveneens in rov. 2.7, heeft vastgesteld dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband in Turkije ‘loonbelasting’ heeft betaald. Tegen die vaststelling is in hoger beroep geen grief gericht. Bij dit alles valt in zijn algemeenheid niet uit te sluiten dat het afdragen van loonbelasting in Turkije voor [verweerder] gunstiger was dan loonbelasting in Nederland afdragen. Het dossier bevat daarover echter geen concrete informatie.
onder bgenoemde omstandigheid dat voor [verweerder] in Turkije sociale zekerheidspremies zijn afgedragen geldt het volgende. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de sociale premies ten behoeve van [verweerder] in Turkije zijn afgedragen. In rov. 6.7 heeft de kantonrechter dit vaststaande gegeven ook in zijn beoordeling betrokken. In hoger beroep heeft het hof betreffende de vaststelling van de feiten door de rechtbank uitsluitend genoemd dat Turistik Hava in hoger beroep heeft geklaagd over de vaststelling van het feit dat door [verweerder] inkomstenbelasting in Nederland is betaald. Hieruit volgt dat het hof in het verweer van [verweerder] geen grief heeft gelezen tegen de vaststelling van het feit dat sociale premies in Turkije zijn afgedragen. In cassatie is niet opgekomen tegen deze lezing van het hof. Ervan uitgaande dat premies in Turkije zijn afgedragen had het hof gelet op het arrest
Schleckerdeze omstandigheid moeten betrekken in zijn overwegingen met betrekking tot de toepassing van de exceptieclausule. Ik stel vast dat het hof heeft nagelaten dat te doen.
onder cgenoemde omstandigheid dat het salaris van [verweerder] en zijn andere arbeidsvoorwaarden waren vastgesteld in overeenstemming met Turkse wet- en regelgeving geldt het volgende. Uit rov. 3.16 en uit rov. 3.11 en 3.12, waarnaar het hof in rov. 3.16 verwijdt, volgt dat het hof de op pagina 4 onder c aanhef en onder punt i t/m ix genoemde omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Uit rov. 3.11 en 3.12 volgt dat het hof in ieder geval de omstandigheden onder ii (de Turkse ‘nationaliteit’ van de betrokken vliegtuigen), iii (Turkse bewijs van vliegbevoegdheid), vi (Turkse verblijfs- en werkvergunning), viii (de situering van trainingen in Turkije) en ix (de situering van medische keuringen in Turkije) heeft meegewogen. In zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Schlecker, punt 41, rekening diende te houden (zie hiervoor, 3.3). Daarvan is in de motivering in rov. 3.16, slot, evenwel niets terug te lezen, en overigens evenmin in de rov. 3.11 en 3.12, waarnaar hoger in rov. 3.16 wordt verwezen. Dat een motvering niet kan ontbreken klemt des te meer nu het in Nederland volstrekt ongebruikelijk is om het salaris van een werknemer uit te drukken in een
netto-bedrag (zie hiervoor, 1.4). Hierin kan een factor gelegen zijn die, naast andere omstandigheden, wijst op een nauwe band met de Turkse rechtssfeer. Turistik Hava heeft in zijn comparitie-aantekeningen in eerste aanleg onder punt 8 in dat verband gesteld dat [verweerder] doorbetaling van
netto-loon vorderde en dat daarin de erkenning ligt besloten dat de overeenkomst uitsluitend wordt beheerst door het Turkse recht. Het hof heeft op een en ander niet kenbaar acht geslagen.
onder a en ben
onder c(gedeeltelijk) niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Door dit na te laten heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Dat het hof de overige omstandigheden genoemd onder c wél in aanmerking heeft genomen doet hier niet aan af. Om die redenen dient het beroep van Turistik Hava op art. 8 lid 4 Rome Pro I opnieuw te worden beoordeeld.