Conclusie
Silo-Tank Kft,
[verweerder 1],
[verweerder 2],
[verweerder 3],
[verweerder 4],
[verweerder 5],
[verweerder 6],
[verweerder 7],
[verweerder 8],
[verweerder 9],
[verweerder 10],
1.Inleiding
het gewone werkland). [4] Bovendien hadden de arbeidsovereenkomsten geen ‘nauwere band’ met een ander land, ook niet met Nederland (art. 6 lid Pro 2, slotzin, EVO en art. 8 lid 4 Rome Pro I). De Hoge Raad heeft die uitspraak bij arrest van 23 november 2018 vernietigd (hierna:
het verwijzingsarrest). [5]
het bestreden arrest). [6] Dat betekent dat het Nederlandse arbeidsrecht integraal op de arbeidsovereenkomsten van toepassing was. Dit oordeel wordt thans in cassatie door Silo-Tank bestreden.
2.Feiten
[Het Nederlandse transportbedrijf]) oefent vanuit [plaats] een transportonderneming uit. [Het Nederlandse transportbedrijf] en Silo-Tank zijn zusterondernemingen. [de bestuurder en aandeelhouder] is bestuurder en aandeelhouder van [Het Nederlandse transportbedrijf] en van Silo-Tank .
cao Beroepsgoederenvervoer) is met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013 algemeen verbindend verklaard.
3.Procesverloop
Koelzsch) over het criterium van het gewone werkland uit art. 6 lid Pro 2, onder a, EVO en art. 8 lid 2 Rome Pro I (rov. 3.4.3), en van 12 september 2013, ECLI:EU:C:2013:551 (
Schlecker) over de uitzonderingsbepaling in art. 6 lid Pro 2, slotzin, EVO en art. 8 lid 4 Rome Pro I en het criterium van de ‘nauwere band’ (rov. 3.4.4). Op basis daarvan overweegt de Hoge Raad (onderstrepingen toegevoegd):
criterium van het gewoonlijke werklandwordt aldus verstaan dat het gaat om het land “
waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult” (arrest Koelzsch, punt 50; zie hiervoor in 3.4.3). Om vast te stellen in of vanuit welk land de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult,
dient de rechter “met name” te onderzoeken in welk land zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden; verder moet de rechter nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert(arrest Koelzsch, punt 49). Deze door het HvJEU gegeven opsomming van gezichtspunten
is niet limitatief. De rechter moet immers rekening houden met “alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken” (arrest Koelzsch, punten 48 en 50).
Wel komt veel gewicht toe aan de gezichtspunten die volgens het HvJEU “met name” moeten worden onderzocht. De rechter dient in elk geval die door het HvJEU genoemde gezichtspunten in zijn beoordeling te betrekken.
een kennelijk nauwere band heeft met een ander landdan het gewoonlijke werkland,
dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken, waarbij
belangrijke betekenis toekomt aan de vraag in welk land de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt, en in welk land hij is aangesloten bij de sociale zekerheiden de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen. Ook dient de rechter rekening te houden met omstandigheden zoals de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden, (arrest Schlecker, punten 40 en 41; zie hiervoor in 3.4.4)
Het rechterlijk oordeel dat, ook al is sprake van een gewoonlijk werkland, de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, behoeft motivering. Daaruit moet volgen waarom uit het
geheel der omstandighedenblijkt van een kennelijk nauwere band met dat andere land die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van toepasselijkheid van het recht van het gewoonlijke werkland.”
Aldus heeft het hof verzuimd in zijn beoordeling elk van de gezichtspunten te betrekken die volgens het HvJEU met name in aanmerking moeten worden genomen bij het vaststellen van het gewoonlijke werkland(zie hiervoor in 3.4.6).
heeft het hof ten onrechte nagelaten te onderzoeken of (…) omstandigheden, die volgens [verweerders] erop wijzen dat Nederland en niet Hongarije als het gewoonlijke werkland moet worden aangemerkt, gezichtspunten zijn die “de werkzaamheid van de werknemer kenmerken” in de door het HvJEU bedoelde zin (zie hiervoor in 3.4.6), en, voor zover dat het geval is, die omstandigheden als relevante gezichtspunten kenbaar in zijn oordeelsvorming te betrekken.
maar ook in dat verband heeft het hof nagelaten de (…) door [verweerders] gestelde omstandigheden op hun betekenis te onderzoeken en kenbaar in zijn beoordeling te betrekken. Zo heeft het hof niet kenbaar acht geslagen op de omstandigheden (…) die verband houden met de vaststelling van het salaris en de arbeidsvoorwaarden van [verweerders](zoals bedoeld in het arrest Schlecker onder punt 41 slot).
Na verwijzing zal opnieuw moeten worden onderzocht of Hongarije dan wel Nederland het gewoonlijke werkland is en of er aanleiding bestaat voor toepassing van de uitzonderingsbepaling. De hierop gerichte klachten van onderdeel 1 treffen doel.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof dat Nederland als het gewone werkland moet worden aangemerkt.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel van het hof dat de arbeidsovereenkomsten tussen [verweerders] en Silo-Tank niet nauwer verbonden zijn met Hongarije, althans met een ander land dan Nederland.
moestaanmerken. Het hof miskent daarmee dat het ook mogelijk is dat geen enkel land als het gewone werkland kan worden aangewezen. Als geen gewoon werkland is aan te wijzen, moet worden teruggevallen op het subsidiaire criterium van art. 8 lid 3 Rome Pro I: de arbeidsovereenkomst wordt dan beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. [17] In dit geval is dat Hongaars recht omdat Silo-Tank [verweerders] in dienst heeft genomen en Silo-Tank in Hongarije is gevestigd. [18]
aan de hand van het door de Hoge Raad uit de rechtspraak van het HvJEU gedestilleerde criterium, eerst [moet] vaststellenof en zo ja welk landals het gewone werkland kan worden aangewezen.” (mijn onderstreping). Daaruit blijkt dat het hof heeft onderkend dat er ook situaties kunnen zijn waarin géén land als het gewone werkland kan worden aangewezen. Bij de daaropvolgende bespreking van enkele gezichtspunten beoordeelt het hof weliswaar in hoeverre die gezichtspunten wijzen naar Nederland dan wel naar Hongarije. Dat lijkt mij evenwel het gevolg van het partijdebat waarin [verweerders] [19] en Silo-Tank [20] hebben betoogd dat de gezichtspunten naar Nederland respectievelijk Hongarije wijzen als het gewone werkland. Het hof constateert bovendien dat enkele gezichtspunten niet naar één specifiek land als het gewone werkland wijzen. [21] De bestreden overwegingen getuigen dus niet van een miskenning door het hof dat het ook mogelijk is dat géén land als het gewone werkland kan worden aangewezen.
Koelzschheeft bepaald dat daaraan moet worden getoetst (zonder andere gezichtspunten uit te sluiten). Ik maak voorafgaand aan de bespreking van die klachten enkele inleidende opmerkingen.
Koelzsch-arrest kunnen zes gezichtspunten, hierna ook aan te duiden als ‘criteria’, worden afgeleid waaraan moet worden getoetst. De eerste drie criteria dient de rechter ‘met name’ te onderzoeken. Die duid ik hierna aan als de ‘met name-criteria’. Zonder dat een formele rangorde is aangebracht tussen de criteria, lijkt namelijk toch te zijn bedoeld dat de ‘met name-criteria’ zwaarder wegen dan de drie overige criteria. [22] In de literatuur is opgemerkt dat die benadering ook naar voren komt uit het verwijzingsarrest. Ik citeer Van Overbeeke: [23]
onderdelen 1.2-1.9.
Eerste ‘met name-criterium’: van waaruit worden de transportopdrachten verricht?
1.3richten rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.14-3.16 van het bestreden arrest. Het hof overweegt als volgt:
onderdeel 1.2betoogt Silo-Tank
primairdat dit oordeel onjuist, dan wel onbegrijpelijk, is omdat het hof is uitgegaan van het gebruikelijke begin- en eindpunt van een
serievervoersopdrachten. Het hof had echter moeten beoordelen wat de begin- en eindpunten van
afzonderlijkevervoersopdrachten waren. Die waren over diverse landen verspreid. Bovendien heeft het hof aangeknoopt bij de op- en afstapplaats in Nederland ( [plaats] ), maar dat is een willekeurig gegeven dat niets zegt over de vraag van waaruit een chauffeur gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht. Zij wordt bovendien door de werkgever bepaald. [24]
Koelzsch-arrest heeft het HvJEU geen arrest meer gewezen waarin het een nadere invulling heeft gegeven aan de daarin geformuleerde gezichtspunten voor het internationale wegtransport. Het HvJEU heeft wel in het
Voogsgeerd-arrest [26] (zeevaartsector) en in het
Ryanair-arrest [27] (luchtvaartsector) een verdere invulling gegeven aan het begrip ‘land waar gewoonlijk de werkzaamheden worden verricht’. Deze arresten bevatten aanknopingspunten die deels overlappend zijn en deels zijn toegespitst op de betrokken vervoerssoort. [28] Zij bevestigen het belang
van de plaats van waaruittransportopdrachten worden verricht.
Voogsgeerd-arrest heeft het HvJEU ten aanzien van (alleen) [29] de zeevaartsector als subregel geformuleerd dat indien blijkt dat de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht steeds dezelfde plaats is als de plaats waar hij de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, deze plaats moet worden beschouwd als (te liggen in) het gewone werkland (punt 39). De plaats waar fysieke werkzaamheden worden verricht –de handelingen van de werknemers op plaatsen waar(tussen) individuele vervoersopdrachten plaatsvinden – is met deze subregel voor de zeevaartsector van ondergeschikte betekenis geworden. [30]
Ryanair-arrest besprak het HvJEU de plaats van waaruit transportopdrachten worden verricht voor luchtcabinepersoneel. Ik roep in herinnering dat het
Ryanair-arrest de uitleg van art. 19 lid Pro 2, onder a, EEX-Verordening (oud) betrof (thans art. 21 lid Pro 1, sub b, onder i, EEX-Vo). [31] In het bijzonder lag de vraag voor of de ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’ gelijkgesteld kan worden met het begrip ‘thuisbasis’ uit de Europese wetgeving over de burgerluchtvaart. [32]
Koelzsch-arrest overwoog het HvJEU in
Ryanairdat het criterium van het gewone werkland ruim moet worden uitgelegd (punt 57) en dat daarmee wordt gedoeld op de plaats
waar of van waaruitde werknemer feitelijk het belangrijkste deel
vanzijn verplichtingen jegens de werkgeververvult (punt 59). Bij de vaststelling van het gewone werkland dient de rechter acht te slaan op de gezichtspunten uit het
Koelzsch-arrest, waarbij om onbekende redenen het gezichtspunt ‘de plaats waarnaar de werknemer na zijn opdrachten terugkeert’ in de opsomming van gezichtspunten naar voren is gehaald (zie punt 63 van dat arrest). [33]
Koelzsch-arrest als een (impliciete) keuze van het HvJEU voor een soort ‘standplaatscriterium’. [34] Dit standplaatscriterium brengt voor een hoog mobiel beroep zoals vrachtwagenchauffeur die in de regel geen vaste werkplaats heeft, mee dat niettemin een gewoon werkland kan worden aangewezen in die gevallen waarin wel een vaste plaats valt aan te wijzen waar de werkzaamheden worden aangevangen en beëindigd. Bij een standplaats is in ieder geval iets van een centrum van werkzaamheden van de chauffeur aanwezig. Van Overbeeke wijst er bovendien op dat op die standplaats eveneens sprake is van enige organisatie van het werk. [35] Het HvJEU heeft aldus met de ‘met name’ genoemde gezichtspunten in het
Koelzsch-arrest bij de standplaats willen aanknopen. [36]
van waaruittransportopdrachten worden verricht als onderscheidend criterium ten opzichte van de plaats
waartransportopdrachten worden verricht, heeft het HvJEU mijns inziens bedoeld aan te knopen bij een (stand)plaats van waaruit een dienstperiode aanvangt en eindigt waarin meerdere individuele transportopdrachten kunnen worden uitgevoerd. Van ondergeschikt belang heeft het HvJEU geacht de plaats waar de
individueletransportopdrachten fysiek plaatsvinden. Dat betekent dat de door de klacht voorgestane benadering dat het steeds om individuele transportopdrachten moet gaan, moet worden verworpen.
Ryanair-arrest achtte het HvJEU van belang achtte dat de ‘thuisbasis’ voor bemanningsleden van vliegtuigen niet door toeval en evenmin door de werknemers werden bepaald, maar door de werkgever voor ieder bemanningslid. [37] De gestelde willekeurigheid kan ik overigens moeilijk rijmen met het door Silo-Tank benadrukte belang van efficiënte logistieke planning. [38]
subsidiairbetoog. Áls al moet worden gekeken naar een serie vervoersopdrachten in plaats van naar afzonderlijke vervoersopdrachten, dan moet de reistijd van een werknemer van en naar de wisselplaats worden meegewogen. Die reistijd is relevante werktijd waarvoor [verweerders] ook betaald kregen. Als de slotzin van rov. 3.14 van het bestreden arrest zo moet worden begrepen dat [verweerders]
in feiteniet werden betaald voor hun reistijd, heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing miskend. Het hof ‘s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 2 mei 2017 namelijk vastgesteld dat [verweerders] vanaf het moment vanaf hun vertrek vanuit hun woonplaats in Hongarije naar de opstapplaats loon ontvingen (rov. 3.11), aan welke vaststelling het hof na verwijzing was gebonden. Tot slot heeft het hof niet (kenbaar) op enkele essentiële stellingen gerespondeerd. Zo heeft Silo-Tank gesteld dat reistijd ook meetelt in het kader van de rij- en rusttijdenregeling, en dat chauffeurs gedurende de reistijd instructies van Silo-Tank moeten opvolgen.
transportopdrachten, zodat die verplaatsingen bij de beoordeling van het gezichtspunt van waaruit de transportopdrachten werden verricht, buiten beschouwing konden blijven. Dat is niet onjuist of onbegrijpelijk.
centrum van de werkzaamhedenvan de chauffeur. Als een vergoeding voor reistijd bij de beoordeling van het gezichtspunt een relevante factor is, zou dat er bovendien toe kunnen leiden dat het belang van een effectieve (stand)plaats van waaruit transportopdrachten worden verricht, kan worden omzeild door de werknemers loon te betalen gedurende die reistijd en daarmee het belang van het woonland in plaats van het werkland te versterken. [39]
transportopdrachtenwerden verricht. Indien juist, maken die omstandigheden immers niet dat daarmee transportopdrachten vanuit Hongarije werden verricht.
Tweede ‘met name-criterium’: plaats van waaruit de werknemer instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert
Koelzsch-arrest (rov. 49), en rov. 3.4.6 van het verwijzingsarrest. In rov. 3.5.3 van het verwijzingsarrest oordeelt de Hoge Raad bovendien dat het door het hof ‘s-Hertogenbosch in aanmerking genomen gezichtspunt dat “
wellicht ook instructies werden gegeven vanuit [Het Nederlandse transportbedrijf]”, eerder erop wijst dat Nederland en niet Hongarije als het gewone werkland moet worden aangemerkt.
Koelzsch-arrest geformuleerd en in het verwijzingsarrest herhaald, komt het mij voor dat de onderscheiden perspectieven niet tot een verschillende uitkomst hoeven leiden. Naar mijn mening gaat het om de vraag waar de werknemer zijn instructies vandaan krijgt. Dat daarbij niet bepalend is waar de werknemer zich bevindt op het moment dat de instructie hem bereikt, lijkt mij evident. Hij kan bijvoorbeeld thuis zitten of in de vrachtauto onderweg zijn. Gezocht moet echter worden naar een vast punt. In deze zaak is dat [plaats] . Immers werden vanuit [plaats] de betrokken vervoersoperaties aangestuurd en de instructies verstuurd. Het in het vorige randnummer genoemde gezichtspunt dat “
wellicht ook instructies werden gegeven vanuit [Het Nederlandse transportbedrijf], ziet naar ik begrijp op de situatie waarin ‘ [plaats] ’ rechtstreeks met de chauffeurs communiceerde en niet via Silo-Tank .
Koelzsch-arrest spreekt het HvJEU van de plaats van waaruit de
werknemer zijnwerk organiseert (punt 49), maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik mij juist in het geval van internationaal vrachtvervoer daarbij weinig kan voorstellen. De chauffeur dient ervoor te zorgen dat hij tijdig aanwezig is op de aangewezen opstapplaats en de hem opgedragen ritten correct uitvoert. Uit het dossier blijkt niet dat hij het opgedragen werk (bijvoorbeeld de volgorde van de ritten) naar eigen inzicht kan organiseren. Maar ook als dat anders zou zijn, kan daaraan niet een te lokaliseren vaste plaats worden verbonden.
Verder staat vast …”), wijzigen het voorgaande niet.
Derde ‘met name-criterium’: plaats waar de arbeidsinstrumenten zich bevinden
gedurendede uitvoering van de werkzaamheden bevinden.
Ryanair-zaak) de plaats waar de vliegtuigen zijn gestationeerd. [45]
Eerste overige gezichtspunt: waar wordt het vervoer hoofdzakelijk verricht?
nietslechts zeer beperkt in Nederland plaatsvond, miskent het hof de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing en is het oordeel rechtens onjuist.
minder uitgesproken” gezichtspunten noemt, die naar géén specifiek land als het gewone werkland wijzen.
internationale ritten, waarop [verweerders] werden ingezet, slechts voor een zeer beperkt deel in tijd en in kilometrage in Nederland werden uitgevoerd”. [47]
Tweede overige gezichtspunt: waar worden de goederen gelost?
Derde overige gezichtspunt: naar welke plaats keren de werknemers terug?
Koelzsch-arrest dit (laatste) gezichtspunt bij de vaststelling van het gewone werkland
moetbetrekken. Dit zesde gezichtspunt is een contra-indicatie dat Nederland het gewone werkland van [verweerders] is, nu zij na hun werkzaamheden onbetwist naar Hongarije terugkeerden, aldus de klacht.
terecht voorgesteld. Silo-Tank had op dit gezichtspunt een beroep gedaan. [48] Anders dan [verweerders] betogen, [49] acht ik de bespreking van dat gezichtspunt niet besloten liggen in rov. 3.14. Het hof merkt daar weliswaar op dat [verweerders] hun serie transportopdrachten in Nederland eindigden en dat zij vanuit Nederland weer vertrokken naar hun woonplaats, maar het hof bespreekt dit in de context van het verweer van Silo-Tank dat het woon-werk verkeer tussen Hongarije en Nederland mee moet worden gewogen bij het (eerste) gezichtspunt van waaruit de transportopdrachten worden verricht, en dat het werk dus al in Hongarije begon. Dat kan niet gezien worden als een bespreking van het zesde gezichtspunt naar welke plaats [verweerders] na hun opdrachten terugkeerden en dus ook niet als een weging van dat gezichtspunt ten opzichte van de overige gezichtspunten.
Andere door het hof zelf genoemde gezichtspunten
onderdelen 1.8-1.9richten zich tegen rov. 3.21. Aan het slot daarvan concludeert het hof dat Nederland het gewone werkland is na drie andere aspecten te hebben behandeld:
Gewone werkland – slotsom
Koelzsch-arrest. Het hof licht ook niet toe waarom het hier wél elementen betreft die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken.
slaagt. In rov. 3.5.4 van het verwijzingsarrest oordeelt de Hoge Raad dat het hof ‘s-Hertogenbosch ten onrechte niet had onderzocht of door [verweerders] genoemde omstandigheden elementen zijn die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken. Ten aanzien van de hier door het hof besproken drie ‘andere aspecten’ blijkt uit het bestreden arrest ook niet waarom die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken en, voor zover dat al het geval is, die omstandigheden als relevante gezichtspunten kenbaar in zijn oordeelsvorming te betrekken.
onderdeel 1.9richt het middel zich met rechts- en motiveringsklachten specifiek tegen de drie ‘andere aspecten’ genoemd in rov. 3.21.
onder a)en
onder b)van het middel zien op de aspecten onder het eerste gedachtestreepje.
Onder a)klaagt het middel over de begrijpelijkheid van het door het hof gegeven oordeel. Enkel de licentie van het bank
programma– dat is de licentie voor de software voor internetbankieren – stond op naam van [Het Nederlandse transportbedrijf] . Daarnaast is het onbegrijpelijk dat het hof er kennelijk van is uitgegaan dat de loonbetaling van [verweerders] feitelijk door [Het Nederlandse transportbedrijf] gebeurde.
Onder b)klaagt het middel dat het oordeel in ieder geval onbegrijpelijk is omdat het hof geen inzicht heeft geboden in de reden waarom deze aspecten ‘meer’ op Nederland als het gewone werkland wijzen, in het bijzonder nu het hof ook heeft vastgesteld dat loonbetaling plaatsvond in Hongaarse florint, vanaf een rekening die op naam van Silo-Tank stond.
onder e)wijst het middel op het feit dat Silo-Tank de vaststellingen van het hof onder het tweede en derde gedachtestreepje, uitdrukkelijk heeft betwist en dat met stukken heeft onderbouwd. Het is onjuist (want in strijd met art. 149 Rv Pro), althans onbegrijpelijk, dat het hof deze omstandigheden zonder nadere motivering als vaststaand heeft aangenomen. Het middel
onder d)en
onder f)bevat vergelijkbare klachten als
onder b).
onder b), d)en
f)slagenin het voetspoor van onderdeel 1.8. Nu het hof heeft nagelaten toe te lichten waarom de genoemde aspecten de werkzaamheden van de werknemer betreffen, is ontoereikend gemotiveerd waarom die aspecten ‘meer’ wijzen op Nederland dan op een ander land als het gewone werkland.
onder a)falen daarentegen. Met de vaststelling van het hof dat de ‘banklicentie’ van de rekening op naam van [Het Nederlandse transportbedrijf] stond, respondeert het hof kennelijk op de stellingen van Silo-Tank over de tenaamstelling van de software voor het internetbankieren. [53] Het hof onderschrijft die stellingen en ziet daarin kennelijk een aanwijzing dat Nederland het gewone werkland is. Wat anders onder de term ‘banklicentie’ moet worden begrepen wordt door het middel niet toegelicht. De klacht over de uitbetaling van het loon mist feitelijke grondslag omdat uit de rechtsoverweging niet kan worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat dit feitelijk door [Het Nederlandse transportbedrijf] werd gedaan, mede in het licht van de vaststelling dat de uitbetaling vanaf een rekening van Silo-Tank plaatsvond.
onder c)
slaagt. Silo-Tank heeft namelijk gemotiveerd betwist dat ziekmeldingen in Nederland plaatsvinden met de stelling dat ziekmeldingen moesten gebeuren bij de werkgever, Silo-Tank , en dus in Hongarije, en dat dit gebeurde op basis van de in Hongarije geldende wet- en regelgeving. [54] Daarmee kon het hof het feit dat ziekmeldingen ‘(ook)’ in Nederland plaatsvinden niet zonder meer als vaststaand aannemen. Dat dit onvoldoende gemotiveerd zou zijn betwist door Silo-Tank licht het hof niet toe.
onder e)ten slotte faalt. Uit de door het middel genoemde vindplaatsen in het procesdossier blijkt niet dat Silo-Tank voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de brandstofpas op naam van [Het Nederlandse transportbedrijf] stond. Silo-Tank heeft veeleer stellingen betrokken over de wijze van inkoop van brandstof, en gesteld dat het feit dat de brandstofpas op naam van [Het Nederlandse transportbedrijf] stond, niet betekent dat de vrachtwagenchauffeurs in dienst van die vennootschap zijn. [55]
Koelzsch-arrest deze gezichtspunten 1, 2 en 3 voorop heeft gesteld, meen ik dat het oordeel van het hof dat Nederland als het gewone werkland moet worden aangemerkt (rov. 3.21 slot), op die gezichtspunten kan steunen, tenzij er een of meer contra-indicaties zouden zijn met een vergelijkbaar gewicht. Mijns inziens zijn die er niet. De gezichtspunten 4 en 5 zijn ‘neutraal’; zij wijzen noch op Nederland noch op Hongarije. Het hof heeft nagelaten gezichtspunt 6 in zijn beoordeling te betrekken. Deze omissie acht ik echter niet fataal. Het staat vast dat [verweerders] na een rittencyclus naar Hongarije terugkeerden. Daar hoefde het hof geen onderzoek naar te doen. Het gegeven dat dit gezichtspunt naar Hongarije verwijst, kan de beoordeling omtrent het gewone werkland niet doen kantelen. Het feit dat een vrachtwagenchauffeur na het uitvoeren van een serie opdrachten terug reist naar het land waar hij woont zegt wel beschouwd ook niet bijster veel over de vraag waar het centrum van zijn
werkzaamheidligt. Daarvoor lijkt mij belangrijker waar de chauffeur heen reist om zijn werk uit te voeren. De beoordeling van de ‘overige aspecten’ in rov. 3.21 ten slotte vormt een (ten dele onjuiste) respons op stellingen van partijen. Deze motiveringsgebreken laten onverlet dat de eerste drie gezichtspunten ( de ‘met name-criteria’) het oordeel kunnen dragen dat Nederland het gewone werkland is.
Turistik Hava, waarin in geding was of op de arbeidsovereenkomst van een Nederlandse copiloot in dienst van een Turkse vliegtuigmaatschappij op grond van genoemde exceptie Turks recht van toepassing was. [59] De Hoge Raad herhaalde de criteria uit het
Schlecker-arrest toe (mijn onderstrepingen): [60]
Belangrijke factorenzijn in welk land de werknemer
belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeidbetaalt, en in welk land hij is aangesloten bij de
sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen.
Bovendiendient de rechter rekening te houden
met alle omstandigheden van de zaak, zoals met name de criteria betreffende de vaststelling van het salarisen de andere arbeidsvoorwaarden.”
eerste klacht(bestaande uit een rechts- en motiveringsklacht) betoogt, samengevat, dat het hof het relatieve karakter van de nauwere band-uitzondering heeft miskend. Het hof kon niet volstaan met het uitsluitend nalopen van de factoren genoemd in het
Schlecker-arrest, maar diende zich aan de hand van die factoren een oordeel te vormen over de mate waarin de arbeidsovereenkomst een band met het betrokken land heeft. Vervolgens diende het hof (de uitkomst van) zijn bevindingen af te zetten tegen de mate waarin de arbeidsovereenkomst met het gewone werkland is verbonden. Het hof heeft deze exercitie niet, althans niet voldoende gemotiveerd, uitgevoerd.
nauwer” verbonden zijn met een ander land dan met het gewone werkland. Het hof heeft ook onderkend dat het daarbij rekening moet houden met alle factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken. In rov. 3.23 heeft het hof de omstandigheden die wijzen op een nauwere band met Hongarije afgezet tegen de reeds vastgestelde omstandigheden die wijzen op een band met Nederland. In de tweede alinea oordeelt het hof, kort gezegd, dat de omstandigheden die ten faveure van een nauwere band met Hongarije zijn aangedragen, onvoldoende gewicht in de schaal leggen om te concluderen dat de werkzaamheden nauwer verbonden zijn met Hongarije dan met Nederland als het gewone werkland. Daarbij wijst het hof uitdrukkelijk op de in de onder rov. 3.21 genoemde aspecten. Tot slot concludeert het hof dat er al met “
onvoldoende redenen zijn om de arbeidsovereenkomsten te laten beheersen door het Hongaarse recht in plaats van het Nederlandse recht als het recht van het gewone werkland”. Uit deze rechtsoverwegingen blijkt niet van een miskenning, of onvoldoende gemotiveerde toepassing, van het relatieve karakter van de nauwere band-uitzondering.
tweede klachtdoet een beroep op de ratio van het criterium van het gewone werkland. Het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van dat land, gaat uit van de veronderstelling dat de werknemer in dat land zijn economische en sociale functie vervult en dat zijn arbeid ook in dat land de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat ondergaat. Vervolgens betoogt het middel dat in deze zaak de lat voor toepassing van de nauwere band-uitzondering laag dient te liggen omdat [verweerders] hun economische en sociale functie in Hongarije vervullen en daar ook de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat ondergaan. Het hof heeft dit betoog heeft ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken.
Koelzsch-gezichtspunten dan wel de
Schlecker-factoren meer recht doen aan de feiten van de zaak, om op basis daarvan de drempel voor toepassing van de nauwere band-uitzondering hoog respectievelijk laag te leggen en, afhankelijk daarvan, aan te knopen bij het recht van het gewone werkland of bij het recht van het land waarmee de nauwste band bestaat.
onderdeel 2.3betoogt dat de vraag
wiede lonen vaststelt niet een relevante omstandigheid is bij de beoordeling van de toepasselijkheid van de nauwere band-uitzondering. Op basis van het
Schlecker-arrest komt betekenis toe aan de
criteria betreffendede vaststelling van het loon en andere arbeidsvoorwaarden en daar valt de vraag
wiede lonen vaststelt niet onder. Volgens
onderdeel 2.4is het oordeel bovendien onjuist omdat [verweerders] slechts hebben gesteld dat de
uitbetalingvan de lonen door [Het Nederlandse transportbedrijf] werd verzorgd.
Onderdeel 2.5koppelt hier drie motiveringsklachten aan vast.
Onder a)betoogt het middel dat het hof heeft verzuimd te motiveren waarom uit de aan het slot van de eerste alinea van rov. 3.21 genoemde omstandigheden volgt dat [Het Nederlandse transportbedrijf] feitelijk voor de vaststelling van de lonen zorgdroeg.
Onder b)wordt onder meer betoogd dat uit die omstandigheden hooguit volgt dat de
uitbetalingvan het loon feitelijk door [Het Nederlandse transportbedrijf] gebeurde, maar niet (ook) de
vaststellingvan het loon.
Onder c)klaagt het middel tot slot over het belang dat het hof heeft toegekend aan de positie van [de bestuurder en aandeelhouder] . Dat deze bestuurder was van Silo-Tank betekent niet dat [Het Nederlandse transportbedrijf] feitelijk het loon zou vaststellen. Bovendien heeft Silo-Tank (onbetwist) gesteld dat het bestuurderschap van [de bestuurder en aandeelhouder] slechts een ‘formeel karakter’ had. Het hof heeft op deze laatste stelling niet gerespondeerd.
Schlecker-arrest (onderstrepingen toegevoegd):
criteria die in aanmerking zijn genomenvoor de vaststelling van het loon en de arbeidsvoorwaarden. Meer in het bijzonder kan de rechter onderzoeken
aan de hand van welke overeenkomst of nationale schaalhet loon en de andere arbeidsvoorwaarden zijn vastgesteld. Mijns inziens kan hij dit onderzoeken aan de hand van de
gegevens in de arbeidsovereenkomsten de eventueel
daaraan gehechte documentenof de documenten waarnaar in deze overeenkomst uitdrukkelijk wordt
verwezen.”
cost of livinghebben. De criteria op grond waarvan de hoogte van dat loon wordt betaald, zijn dan afgestemd op Hongarije. Dat dít loon aan [verweerders] werd aangeboden, berustte op een beslissing van de werkgever. Dat was Silo-Tank , die – zo blijkt uit het dossier – uit het werkgeverschap voortvloeiende rechtshandelingen verrichtte. [63]
maghouden met de vraag
wiehet salaris heeft vastgesteld, mits hij motiveert waarom die omstandigheid de arbeidsbetrekking kenmerkt. [64] Mij lijkt het echter niet noodzakelijkerwijs bevorderlijk voor de nagestreefde bescherming van de werknemers om betekenis, laat staan beslissende betekenis, toe te kennen aan de plaats waar de functionaris zit die feitelijk de hoogte van de lonen bepaalt. Diegene kan zo maar op een ver weg gelegen hoofdkantoor zitten. Ook als daar anders over moet worden gedacht, gaat het daarbij slechts om een
extraaspect in de beoordeling van het nauwere band-criterium,
naasthet hier besproken gezichtspunt ‘criteria betreffende vaststelling van het salaris’, en dus niet om
de invullingvan dit criterium. Daarnaast kan verwevenheid van de vennootschap-werkgever met de moedervennootschap (of een andere gelieerde vennootschap) een aspect zijn waarmee de rechter rekening
kanhouden. [65] Opnieuw geldt dat dit dan een aspect zou betreffen dat komt naast het genoemde
Schlecker-criterium de ‘criteria betreffende de vaststelling van salaris en overige arbeidsvoorwaarden’. Dit criterium heeft het hof ten onrechte onbesproken gelaten.
loon feitelijkdoor [Het Nederlandse transportbedrijf] werd
vastgesteld. De klacht
slaagt.
als woonland. Volgens het hof wijst die belasting- en premieplichtigheid niet op een nauwere band van de arbeidsovereenkomsten met Hongarije. Dit laat mijns inziens echter onverlet dat het feit dat belasting en premies in een ander land dan het gewone werkland
wordenafgedragen, een relevante indicatie kan vormen van een nauwere verbondenheid tussen de arbeidsbetrekking en dat andere land.
onderdeel 2.7is het oordeel bovendien onbegrijpelijk. Omstandigheden die relevant zijn voor de bepaling van de ‘nauwere band’ zien immers per definitie op omstandigheden die niet te maken hebben met een keuze voor het betreffende land als werkland. Anders zou (vrijwel) nimmer toepassing kunnen worden gegeven aan de nauwere band-uitzondering.
hebbenbetaald, waardoor de arbeid van [verweerders] onder invloed stond van het Hongaarse politieke en bedrijfsklimaat. Ook is onbegrijpelijk dat het hof heeft volstaan met de overweging dat “
niet vaststaat” dat de heffing geheel juist is geweest. Als de juistheid zo van belang was, had het hof ter zake een oordeel moeten geven, in plaats van enkel op basis van de mogelijkheid van onjuistheid het hele gezichtspunt te diskwalificeren. Evenmin staat immers vast dat de heffing
nietjuist is geweest, aldus de klacht.
AFMB, waar het hof naar verwijst, kan die twijfel mogelijk versterken. [72] Met die twijfel kan echter weinig worden gedaan, omdat feitelijk vaststaat dat in Hongarije sociale premies werden betaald c.q. ingehouden en in het geding voor verwijzing niet, althans niet expliciet, is gesteld dat ten onrechte in Hongarije sociale zekerheidsprenies zouden zijn betaald. Over belastingen gaat de genoemde verordening overigens niet. Bovendien is de beoordeling wat het werkland was met het oog op de verschuldigdheid van (loon)belasting en premies gemaakt toen de betrokken werknemers in dienst traden van Silo-Tank . [73] Toen is er kennelijk van uitgegaan dat Hongarije het werkland was.
onvoldoende redenen zijn om de arbeidsovereenkomsten te laten beheersen door het Hongaarse recht in plaats van het Nederlandse recht als het recht van het gewone werkland”. De conclusie dat er geen nauwere band met Hongarije is, gaat aldus vooraf aan de constatering dat niet vaststaat dat de heffing van Hongaarse premies geheel juist is geweest, zodat die laatste overweging niet een voor die conclusie dragende overweging is.
slaagtin het verlengde van onderdeel 2.6.
Schlecker-arrest als ‘belangrijk’ aangeduide factoren en omstandigheden: (i) het land waarin belastingen en sociale premies worden betaald en (ii) het land waar de betrokken werknemers zijn aangesloten bij de sociale zekerheid (waaronder pensioen-, ziektekosten- en invaliditeitsregelingen). Elk van deze als ‘belangrijk’ aangemerkte factoren wijst volgens vaststellingen van de feitenrechter naar Hongarije. Andere door het hof in aanmerking genomen omstandigheden wijzigen het voorgaande niet.