Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de opgeëiste persoon door te worden uitgeleverd, zal worden blootgesteld aan het risico van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM Pro.
tweede middelklaagt over de kwalificatie naar Nederlands recht van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht als “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” als bedoeld in artikel 140 Sr Pro. Aangevoerd wordt dat de rechtbank daarbij heeft miskend dat “aannemelijk moet zijn dat de opgeëiste persoon behoort tot een vereniging van personen die zich in algemene zin op het plegen van misdrijven richt” terwijl de feiten “niets concreets inhouden omtrent de aard, structuur en het vermeende samenwerkingsverband, noch concretiseren waarom [de opgeëiste persoon] hiervan deel zou hebben uitgemaakt”.