In deze zaak bevestigde het hof de ontnemingsbeslissing van de rechtbank Noord-Nederland waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €3.033,- en de betrokkene werd veroordeeld tot betaling aan de Staat van dit bedrag.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding en reiskosten tot een bedrag van €90,- ingediend, welke in eerste aanleg was toegewezen. Het hof bracht deze proceskosten echter niet in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel, wat in strijd is met artikel 36e, zesde lid, oud Sr.
De Procureur-Generaal concludeert dat het hof het bedrag van de proceskosten had moeten verrekenen met het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de proceskosten niet in mindering bracht en bepaalt dat het hof dit alsnog moet doen. Tevens wordt de betalingsverplichting verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast is vastgesteld dat de inzendtermijn van het cassatieberoep is overschreden, wat eveneens leidt tot vermindering van de betalingsverplichting. De overige klachten worden verworpen en er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging.