ECLI:NL:PHR:2020:477

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2020
Publicatiedatum
15 mei 2020
Zaaknummer
19/03217
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 577b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid hof tot mindering proceskosten op ontnemingsbedrag in strafzaak

In deze zaak betrof het cassatieberoep de bevoegdheid van het hof om de aan benadeelde partijen in een strafzaak toegekende vorderingen, waaronder proceskosten, in mindering te brengen op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel vastgesteld op €43.696,70 en daarbij slechts de materiële schadeposten in mindering gebracht, niet de proceskosten. De verdediging stelde dat ook de proceskosten en wettelijke rente in mindering moesten worden gebracht.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof bevoegd is om niet-onherroepelijk toegekende vorderingen in mindering te brengen, maar indien het daarvan gebruikmaakt, ook verplicht is de daarbij behorende proceskosten in mindering te brengen. Het hof had dit nagelaten, waardoor de Hoge Raad het ontnemingsbedrag met €685 moest verminderen.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar dit leidde niet tot cassatie. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat werd vastgesteld, en bepaalde het bedrag op €43.011,70. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd met €685 tot €43.011,70, waarbij ook de proceskosten in mindering zijn gebracht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03217 P

Zitting19 mei 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de betrokkene.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 19 maart 2018 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 43.696,70 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
2. Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (19/03221), waarin ik vandaag ook concludeer.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de in rechte toegekende proceskosten van benadeelde partijen niet in mindering heeft gebracht op het bedrag waarop het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat.
5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Ten aanzien van de kosten
Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de verdachte naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten.
Naar het oordeel van het hof dienen op voormeld bedrag derhalve de volgende kosten, welke in directe relatie staan met de delicten en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, in mindering te worden gebracht.
[…]
Vorderingen benadeelde partijen
Op grond van artikel 36e lid 8 Sr worden de door het hof in de strafzaak tegen veroordeelde toegekende vorderingen van de benadeelde partijen in mindering gebracht op het behaalde voordeel. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat enkel de toegewezen materiële schadeposten als aftrekposten in aanmerking komen, nu enkel tegenover die posten een concurrerend voordeel heeft gestaan.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde bij arrest van 19 maart 2018 is veroordeeld tot het betalen van materiële schadevergoeding aan de volgende personen:
(…)
Totaal
€ 40.858,30Het hof zal deze aan de benadeelden derden in rechte toegekende vordering, overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, op het geschatte voordeel in mindering brengen.”
6. Uit het proces-verbaal van de op 23 februari, 26 februari en 5 maart 2018 gehouden terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de betrokkene aldaar op 26 februari 2018 heeft gepleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Op grond van artikel 36e lid 8 Sr dient bij de schatting van het ontnemingsbedrag aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering te worden gebracht. De rechter is daartoe verplicht (zie NJ 2008/420). Daarbij kan ook de veroordeling ter betaling van de wettelijke rente en toegewezen proceskosten worden betrokken (zie NJ 1998/90 en NJ 2001/456). Het moet wel gaan om een vordering die is te beschouwen als een vordering gebaseerd op schade die de benadeelde rechtstreeks heeft geleden door de ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde feiten naar aanleiding waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat (zie NJ 2003/18 en NJ 1998/446).
Aan alle vereisten, in het bijzonder de aanwezigheid van de causaliteitsband, is in casu voldaan, zodat de verdediging uw hof verzoekt tevens de aan de benadeelde partijen toegekende bedragen ten titel van immateriële schadevergoeding alsook de toegekende wettelijke rente en proceskosten in mindering te brengen.
Voor zover de toegekende vorderingen niet reeds om voornoemde redenen in mindering gebracht zouden worden door uw hof, stelt de verdediging dat blijkens jurisprudentie dan in ieder geval de toegekende bedragen in mindering gebracht worden op de hoogte van het terug te betalen bedrag (zie hof Den Bosch d.d. 8 december 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AS2014 en hof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2213).
De matiging van het terug te betalen bedrag zou volgens de verdediging ook in lijn zijn met de strekking van een ontnemingsprocedure, namelijk de onrechtmatige situatie herstellen naar een rechtmatige. Door de toegekende bedragen ten titel van smartengeld in mindering te brengen, wordt de vermeende onrechtmatige financiële situatie bij cliënt hersteld.”
7. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingevolge art. 36e, achtste lid (oud), Sr, zoals deze wetsbepaling ten tijde van de bewezen verklaarde feiten luidde, [1] dient de rechter bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. Deze regeling strekt ertoe te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Dit brengt mee dat bij de toepassing ervan slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat. [2] Tegenover de immateriële schade die een (rechts)persoon heeft geleden als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering steunt, staat bijvoorbeeld niet een zodanig voordeel. [3] Indien nog niet onherroepelijk in rechte is vastgesteld wat de veroordeelde aan de benadeelde derde verschuldigd is, is de rechter niettemin bevoegd rekening te houden met de aanspraken van derden en de omvang daarvan voor zoveel mogelijk te bepalen; een verplichting daartoe bestaat echter niet. [4] Wel kan in dat geval een door of namens de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat de betrokkene hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen dreigt te moeten terugbetalen onder omstandigheden de rechter nopen tot een gemotiveerde respons. [5]
8. Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient ook rekening te worden gehouden met een eventueel ten gunste van die derde uitgesproken onherroepelijke veroordeling van de betrokkene tot betaling van de wettelijke rente — voor zover het bedrag daarvan kan worden bepaald [6] — en de proceskosten. [7] Redelijke wetsuitleg brengt naar het oordeel van de Hoge Raad tevens mee dat indien de rechter zonder verplichting daartoe gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het in mindering brengen van een nog niet onherroepelijk toegekende vordering, hij in dat geval verplicht is ook de ter zake daarvan ten gunste van de benadeelde derde toegewezen proceskosten op verzoek van de betrokkene in mindering te brengen. [8]
9. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene verzocht alle aan de benadeelde partijen toegewezen en – naar ik begrijp – door het hof toe te wijzen vorderingen tot schadevergoeding alsook de toegekende wettelijke rente en proceskosten op het ontnemingsbedrag in mindering te brengen. Aangezien de in de strafzaak aan de benadeelde partijen toegekende bedragen ten tijde van de uitspraak van het hof nog niet onherroepelijk waren, was het hof niet op grond van art. 36e, achtste lid (oud), Sr gehouden die vorderingen in mindering te brengen op het ontnemingsbedrag. [9] Het hof heeft gebruikgemaakt van zijn bevoegdheid de niet-onherroepelijk toegekende vorderingen in mindering te brengen op het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande “dat enkel de toegewezen materiële schadeposten als aftrekposten in aanmerking komen, nu enkel tegenover die posten een concurrerend voordeel heeft gestaan.” Deze laatste beperking is in overeenstemming met de hiervoor genoemde uitspraken van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat op de voet van art. 36e, achtste lid (oud), Sr de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen slechts voor aftrek van het ontnemingsbedrag in aanmerking komen, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de betrokkene heeft gestaan. Indien en voor zover het hof gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de aan de benadeelde partijen toegekende vorderingen wel in mindering te brengen, was het hof evenwel gehouden de ter zake daarvan ten gunste van de benadeelde derde toegewezen proceskosten eveneens in mindering te brengen.
10. Aan deze laatste verplichting heeft het hof verzuimd te voldoen. Het dictum van de uitspraak van het hof in de strafzaak houdt onder meer in dat het hof de verdachte verwijst in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Van vijf benadeelde partijen – te weten [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] – heeft het hof deze kosten tot aan de datum van zijn uitspraak begroot op meer dan nihil en wel op respectievelijk € 322, € 143, € 77, € 77 en € 143. Het hof heeft de aan de benadeelde partij [benadeelde 4] toegewezen vordering ter zake van immateriële schade evenwel niet op het ontnemingsbedrag in mindering gebracht, zodat het hof ook niet was gehouden de ten gunste van deze benadeelde partij toegewezen proceskosten in mindering te brengen. De aan de andere vier benadeelde partijen toegekende vorderingen heeft het hof geheel ( [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ), dan wel voor een sterk overwegend gedeelte ( [benadeelde 3] en [benadeelde 5] ) op het ontnemingsbedrag in mindering gebracht. [10] Nu het hof in zoverre gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het in mindering brengen van een nog niet onherroepelijk toegekende vordering, was het hof verplicht ook de (mede) ter zake daarvan ten gunste van de benadeelde derde toegewezen proceskosten in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
11. Tot terugwijzing van de zaak behoeft dat niet te leiden. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag met de aan de vier benadeelde partijen toegewezen proceskosten ten bedrage van in totaal € 685,- te verminderen. [11]
12. Het middel slaagt.
13. Het
tweede middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, doordat het hof de stukken van het geding te laat heeft ingezonden.
14. Namens de betrokkene is op 3 april 2018 beroep in cassatie ingesteld. [12] De stukken van het geding zijn op 8 februari 2019 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke inzendtermijn van acht maanden is overschreden. [13] Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
15. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn naar de gebruikelijke maatstaven moet leiden, kan worden toegepast in de strafzaak. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad kan met dat oordeel volstaan. [14]
16. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Slotsom

17. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 43.696,70 heeft gesteld en aan de betrokkene de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag, tot vermindering van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en het te betalen bedrag met € 685,- zodat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en het te betalen bedrag beide € 43.011,70 bedragen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij de op 1 januari 2014 in werking getreden Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer (
2.Zie o.a. HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5438,
3.HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3641,
4.Zie o.a. HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559,
5.Vgl. HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3641,
6.Zie voor een geval waarin de rente (nog) niet op een concreet bedrag kon worden bepaald HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2925.
7.Zie o.a. HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559,
8.HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1518,
9.Tot volledige aftrek was het hof ook niet gehouden voor zover de betrokkene in de strafzaak met zijn mededader hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van het aan de benadeelde derden toekomende bedrag. Zie HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004: AR3021,
10.Van de aan de benadeelde partij [benadeelde 3] toegekende schadevergoeding van € 2.810 heeft het hof het uit materiële schade bestaande gedeelte van € 2.510 afgetrokken. Van de aan de benadeelde partij [benadeelde 5] in de strafzaak toegekende schadevergoedingsbedrag van 3.524,29 heeft het hof het uit materiële schade bestaande gedeelte van € 3.224,29 op het ontnemingsbedrag in mindering gebracht.
11.Vgl. HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1518,
12.Uit de stukken van het geding blijkt dat de machtiging tot het instellen van cassatieberoep op 30 maart 2018 reeds voor sluiting van de griffie van het hof was ontvangen.
13.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
14.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,