Conclusie
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het voorbereiden en/of bevorderen van de in art. 289a Sr genoemde misdrijven, te weten moord en/of doodslag, begaan met een terroristisch oogmerk, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
trachtente verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen. Bij een dergelijke strafbaarstelling, waarbij de handelingen nog relatief ver af kunnen staan van de verwezenlijking van het misdrijf dat wordt voorbereid, komt meer de nadruk te liggen op het subjectieve bestanddeel, de wilsrichting. [4] Daarbij sluit aan dat voorwaardelijk opzet niet toereikend is voor strafbaarheid ingevolge art. 96, tweede lid, Sr. De handelingen dienen in het teken te staan van het oogmerk om een misdrijf als omschreven in art. 289a, eerste lid, Sr voor te bereiden en/of te bevorderen. Voor het bewijs daarvan is minimaal noodzakelijkheidsbewustzijn nodig. [5] De verdachte dient de bewezen verklaarde gedragingen te hebben begaan met de bedoeling de bewezen verklaarde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, dan wel moet hij hebben beseft dat deze gedragingen de voorbereiding of bevordering van de bewezen verklaarde misdrijven tot gevolg hadden. [6]