ECLI:NL:PHR:2019:445
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereiste ondertekening geneeskundige verklaring bij voorlopige machtiging Wet Bopz
In deze zaak gaat het om de vraag of een geneeskundige verklaring, die vereist is voor het verlenen van een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz, kan worden ondertekend door de eerste geneeskundige van een kliniek zonder Bopz-aanmerking in plaats van door de psychiater die de betrokkene heeft onderzocht.
Betrokkene verbleef vrijwillig in een kliniek zonder Bopz-aanmerking, waar een geneeskundige verklaring werd opgesteld met diagnose en ondertekend door de eerste geneeskundige, niet door de rapporterende psychiater. De rechtbank verleende een voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen de beschikking.
De Hoge Raad stelt vast dat de Wet Bopz vereist dat de verklaring wordt ondertekend door de psychiater die de betrokkene kort tevoren heeft onderzocht en niet bij diens behandeling betrokken was. De ondertekening door de eerste geneeskundige van een niet-Bopz-aangemerkte kliniek voldoet niet aan deze eis. De Hoge Raad wijst een analoge toepassing van de ondertekening door de geneesheer-directeur van een psychiatrisch ziekenhuis in dit geval af, omdat de kliniek geen Bopz-aanmerking heeft en de eerste geneeskundige niet verantwoordelijk is voor het gedwongen verblijf.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens niet-ondertekende geneeskundige verklaring door de rapporterende psychiater en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.