Conclusie
aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt” en “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen tot een bedrag van € 4.337,79 (bestaande uit € 337,79 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade) in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, te vervangen door 53 dagen hechtenis, en de verdachte verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 7,72.
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met artikel 342, tweede lid, Sv de bewezenverklaring heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, althans dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hieromtrent onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
1. hij op 24 februari 2016 te ’s Gravenhage aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, een geladen vuurwapen ter hand heeft genomen vervolgens de trekker van dat vuurwapen heeft aangeraakt, terwijl het vuurwapen in de richting van die [benadeelde] wees, waarna dat vuurwapen is afgegaan en die [benadeelde] werd getroffen door een kogel uit dat vuurwapen, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond aan zijn elleboog/arm, heeft bekomen;
“stelselmatig”die gedeeltes van de verklaring van [getuige] heeft verwijderd waaruit zou volgen dat niet alleen de verdachte en de aangever zich in de keuken van de kapperszaak bevonden op het moment dat het pistool afging, maar dat daar nog vier andere personen aanwezig waren.
“ [benadeelde] daar nog niet bij [was] toen ze de keuken in gingen. [verdachte] ging met de drie vrienden naar de keuken. [benadeelde] kwam later.” Bovendien verklaarde hij dat hij daarna [benadeelde] zag binnenkomen en dat die [benadeelde]
“direct door[liep] naar de keuken.” [getuige] verklaarde dat hij even later
“iets als vuurwerk”hoorde, waarna hij de aangever, die zichtbaar pijn had aan zijn arm, en de verdachte samen in de tuin heeft gezien. Hij verklaarde ook dat hij “
op dit moment alleen nog [verdachte] en [benadeelde] [zag]. Verder heb ik niemand meer gezien.”De verbalisant heeft de getuige daarop gevraagd of er niemand meer in de keuken was nadat hij de knal had gehoord, waarop de getuige antwoordde:
“nee, alleen [verdachte] en [benadeelde] waren in de tuin.” [3] Mede gelet hierop heeft het hof met zijn weergave van de verklaring van [getuige] daaraan geen wezenlijk andere strekking gegeven dan uit de oorspronkelijke verklaring blijkt. De verklaring is weliswaar ‘gesplitst’, maar aangezien de rechter vrij is in de selectie en waardering van het materiaal dat hij nodig heeft voor de bewezenverklaring kan hij onbruikbaar materiaal, zoals niet-redengevende delen van een getuigenverklaring, zonder motivering terzijde stellen. De grens van die vrijheid ligt bij denaturering van de getuigenverklaring, maar daarvan is gezien het voorgaande geen sprake. [4] Dientengevolge is de bewijsminimumregel als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv hoe dan ook niet geschonden. Het middel faalt.
“zijn overtuiging dat de verdachte degene was die het vuurwapen aan het slachtoffer heeft getoond, waarbij het wapen is afgegaan en dat hij vuurwapen en munitie voor handen heeft gehad [grondt] op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring”.
tweede middelklaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat sprake is van rechtstreekse schade van de benadeelde partij. In de toelichting op dat middel wordt tevens geklaagd over de motivering van die beslissing.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
(…)
rechtstreeksschade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces
.Deze bepaling beoogt primair de kring van voegingsgerechtigden te beperken tot één of meer slachtoffers van het strafbare feit. [7]
rechtstreeksschade is toegebracht door – voor zover hier relevant – het bewezenverklaarde feit. [8] Het begrip ‘rechtstreeks toegebracht’ wijkt niet af van het causaliteitsbegrip in het civiele recht, waarin voor de vergoeding van schade door onrechtmatig daad onder meer de eis geldt van een oorzakelijk verband (causaliteit) tussen die onrechtmatige daad en de schade. Aan het oorzakelijk verband tussen het bewezenverklaarde delict en de schade worden in het strafproces dus geen hogere eisen gesteld dan in het civiele proces aan het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. [9]
rechtstreeksindien er voldoende verband of samenhang bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde feit en anderzijds die schade. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij geleden schade, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [10] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de voorwaarde van ‘voldoende verband’ niet al te strikt wordt uitgelegd. [11] Aan het relativiteitsvereiste, inhoudende dat alleen vergoeding van schade is verplicht indien de geschonden norm strekt tot bescherming van het belang waarin de benadeelde is getroffen, komt slechts in mindere mate een rol van betekenis toe. [12]
wanneerdie pleisters precies zijn aangeschaft doet daaraan niet af. De klacht dat niet blijkt dat het slachtoffer daadwerkelijk opnamekosten heeft gemaakt, mist feitelijk grondslag. Uit bijlage 5 bij het schadeformulier volgt immers dat hij van 24 februari 2016 tot 28 februari 2016 opgenomen is geweest op de afdeling Chirurgie. Voor zover het klaagt over de kosten voor openbaar vervoer, merk ik op dat namens het slachtoffer de
reiskostenzijn opgevoerd en gespecificeerd. Aangezien het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op de dag van het incident naar het ziekenhuis is gebracht, heeft het hof die kosten, die overigens slechts € 0,70 bedroegen, niet onbegrijpelijk toegewezen. Voor zover het middel klaagt dat niet blijkt dat de zojuist besproken materiële kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit en dat het hof zijn beslissing hieromtrent onvoldoende heeft gemotiveerd, kan het, mede in het licht van hetgeen ik heb vooropgesteld, dan ook niet slagen.