Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Artikel 1
Schulden
gezamenlijkeleningen:
op naam van de man:
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
5.Beslissing
toegerekendhetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is. De rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten worden, ook voor zover zij niet van verbintenisrechtelijke aard zijn, mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. [13] Art. 3:166 lid 3 BW Pro verwijst daartoe naar art. 6:2 BW Pro. Dat artikel geeft ruim baan aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in het verbintenissenrecht. Voor zover het meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen betreft, is onder meer art. 6:248 BW Pro van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten zich daartegen niet verzet. De rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten kunnen ook voortvloeien uit een rechterlijke uitspraak. Ook dan stellen redelijkheid en billijkheid hun eisen.
datde vrouw volledig en actief betrokken is geweest bij alle beslissingen over de aankoop en de bouw van de woning en de aankopen ten behoeve van de woning, zoals het extra stuk grond. Dit oordeel wordt in cassatie niet expliciet bestreden. Indien het door het onderdeel bestreden oordeel wordt bezien tegen de achtergrond van hetgeen het hof kort ervóór heeft overwogen, dan kan op goede gronden worden betoogd dat het bestreden oordeel in het licht van het hiervoor in 2.5 summier geschetste kader niet onjuist is. De motiveringsklacht mist feitelijke grondslag, nu het hof expliciet heeft overwogen dat de vrouw haar betwisting van de onderbouwde stellingen van de man niet nader heeft toegelicht. Het hof heeft de stellingen van de vrouw, waarnaar het onderdeel verwijst, derhalve in zijn oordeel betrokken. Het onderdeel faalt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep
onderdeel 2.1.2dat de vaststelling door het hof in rov. 4.2.5 geheel in lijn is met hetgeen de man daaromtrent heeft aangevoerd. Het onderdeel stelt dat de man een beroep heeft gedaan op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en dat in dat verband is aangevoerd dat de schulden door overmacht zijn ontstaan als gevolg van de kredietcrisis (ruim zes jaar dubbele woonlasten, een € 225.000,- lagere verkoopopbrengst van de oude woning dan was voorzien, het langdurig uitblijven van resultaat bij de Top Vision Group, de kosten van een groot gezin en een aanmerkelijk lagere waarde van de nieuwe woning dan de bouw- en aanloopkosten). [18]
bij het aangaan van de huwelijkse voorwaardenvoor ogen heeft gestaan en uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben mogen afleiden. Het onderdeel verwijst evenwel niet naar stellingen die partijen
op dat punt(al dan niet) hebben ingenomen. De man heeft aangevoerd dat de opnames ten laste van de rekening-courant van Top Vision Group en [A] zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding in de periode van 2007 tot 2014, mede omdat partijen in die periode dubbele woon- en financieringslasten hebben gehad die niet (geheel) uit het inkomen en vermogen van partijen konden worden betaald. Partijen zijn hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen op 16 februari 1999. De door de man gestelde financiële crisis heeft derhalve eerst relatief ver na het opmaken van de huwelijkse voorwaarden plaatsgevonden en eerst nadien, in 2016, heeft er tussen partijen debat plaatsgevonden over de uitleg van art. 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Ik acht aannemelijk dat partijen bij het opmaken van hun huwelijkse voorwaarden gewoonweg niet hebben gedacht aan de eventuele gevolgen van de door de man gestelde (uitzonderlijke) financiële situatie op de kosten van hun huishouding. Nu deze situatie zich uiteindelijk wel heeft verwezenlijkt, met als gevolg dat geld moest worden geleend om te voorzien in de kosten van de huishouding, komt bij de uitleg van de bewuste bepaling in de huwelijkse voorwaarden art. 6:248 lid 1 BW Pro (aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid) in beeld. Het volgende onderdeel heeft op dat artikel betrekking.
aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheiddaarvoor ieder voor de helft draagplichtig zijn. Ter toelichting stelt het onderdeel dat in de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid besloten ligt dat, in geval van de in rov. 4.2.5 vastgestelde feiten en omstandigheden, er een situatie is ontstaan die partijen niet hebben voorzien, te weten dat er kosten voor de huishouding zijn gemaakt, die door geen van beide partijen konden worden gedragen bij gebreke van toereikend inkomen of vermogen. Juist dan, zo betoogt het onderdeel, brengen de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, mee dat beide partijen bij helfte aansprakelijk zijn voor de ontstane tekorten. Het onderdeel verwijst in dat verband naar HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693, NJ 2017/237 m.nt. S.F.M. Wortmann, een uitspraak waarin aan de orde was pensioenverevening op voet van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding (WVPS). In deze uitspraak overwoog Uw Raad:
aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheidniet onbesproken had mogen laten, zeker niet in het licht van hetgeen het hof eerder heeft overwogen omtrent de achtergrond van de financiële situatie van partijen die aanleiding heeft gegeven tot het aangaan van de schulden (rechtsoverwegingen 4.24 en 4.25). Voor zover het onderdeel door verwijzing naar de uitspraak van Uw Raad van 14 april 2017 betoogt dat de redelijkheid en billijkheid in een situatie als de onderhavige meebrengen dat de (rest)schulden
altijdmoeten worden gedeeld meen ik dat dit betoog dient te falen. De zaak die leidde tot voornoemde uitspraak betrof een heel andere kwestie waarbij meerdere partijen/belanghebbenden met eigen (toekomstige) aanspraken een rol speelden. In de onderhavige zaak gaat het om de uitleg van een specifiek artikel in de huwelijkse voorwaarden die partijen voorafgaande aan hun huwelijk zelf hebben gemaakt. Bij die uitleg kunnen de feiten en omstandigheden die de man heeft aangevoerd zeker van belang zijn. Het hof kon aan het beroep van de man op art. 6:248 lid 1 BW Pro niet ongemotiveerd voorbijgaan. Het onderdeel slaagt.
Le Miralda), waarin Uw Raad als volgt heeft geoordeeld:
Premiewoning) heeft Uw Raad aan de hiervoor vermelde objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis nog toegevoegd dat het niet van belang is hoe partijen er vele jaren later financieel blijken voor te staan en evenmin of het huwelijk van partijen door een echtscheiding werd beëindigd.
dat bij beantwoording van de vraag of een natuurlijke verbintenis moet worden aangenomen, mede acht moet worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.Het hof heeft dit een en ander niet miskend, in aanmerking genomen dat het hof (…) de wederzijdse vermogensposities onder ogen heeft gezien en met betrekking tot de vrouw heeft geoordeeld dat zij behoeftig was nu a) zij haar betaalde dienstbetrekking had beëindigd, b) zij in het bedrijf van de man was gaan werken, c) zij twee kinderen had te verzorgen, d) niet is gebleken dat zij over een zo aanzienlijk vermogen beschikte dat zij na het einde van het huwelijk geheel of in belangrijke mate in haar levensonderhoud kon voorzien en e) zij ten tijde van de aankoop van de grond en van het bouwen van de woning niet over voldoende middelen beschikte. De klacht faalt dus.
de hierboven genoemde regel omtrent het bestaan van een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis geldt ongeacht of de woning op beider naam is gesteld dan wel alleen op naam van de vrouw(vgl. HR 17 oktober 1997, nr. 16 411, NJ1998, 692). Het oordeel van het hof dat het door de man gestelde vergoedingsrecht ter zake van de bouwkosten afstuit op meergenoemde natuurlijke verbintenis geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep van de man op art. 3:172 BW Pro doet hieraan niet af. Gelet op de strekking van de natuurlijke verbintenis - het waarborgen dat ook de vrouw tijdens het huwelijk vermogen kan opbouwen - is het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 2.2.1, dat geen klacht bevat, neemt onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest van 15 september 1995 (
Le Miralda) tot uitgangspunt dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis niet (geheel) los kan worden gezien van de bedoeling van partijen en dan in het bijzonder die van de partij die de bewuste rechtshandeling heeft gepleegd, waarvan de wederpartij vervolgens ten verwere stelt dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis. Het onderdeel stelt dat die partijbedoeling weliswaar niet doorslaggevend is en dat er sprake dient te zijn van een zekere mate van objectivering bij de beoordeling of een bepaalde rechtshandeling als een natuurlijke verbintenis wordt aangemerkt, maar dat juist ook bij die objectivering de partijbedoeling - bevoordeling van de partij op basis van een natuurlijke verbintenis - voldoende dient komen vast te staan.
directaan te wenden vermogen aan de zijde van de vrouw was op dat moment geen sprake. Tegen het tussen aanhalingstekens geplaatste oordeel van het hof komt het onderdeel niet inhoudelijk op.