Conclusie
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde feiten, dan wel over ‘s hofs verwerping van het hieromtrent namens de verdediging gevoerde verweer.
gezamenlijke uitvoering’ van de bewezenverklaarde feiten niet blijkt en het hof heeft nagelaten (nader) te motiveren waaruit de eventuele ‘
wezenlijke bijdrage’ aan die feiten dan wel bestond, is ’s hofs oordeel hieromtrent onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende met redenen omkleed, aldus het middel. Voorts is ’s hofs overweging dat
‘gelet ook op het gegeven dat daaruit [uit de bewijsmiddelen, D.P] betrokkenheid van de verdachte bij meerdere gelijksoortige feiten blijkt, nadrukkelijk vragen om een uitleg van verdachte, terwijl verdachte die door zijn consequente beroep op zijn zwijgrecht niet heeft verschaft’, gezien verdachtes proceshouding en hetgeen namens de verdediging is aangevoerd onjuist. Tot slot klaagt het middel over de redengevendheid van de bewijsmiddelen 2 en 3, alsmede over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 5 primair bewezenverklaarde feit.
‘verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder hun eigen noodzakelijke rol hebben gehad in de uitvoering van het delict, zodat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking’. Het heeft daartoe per bewezenverklaard feit, voor zover relevant, het volgende vastgesteld:
Feit 4:
Feiten 2 en 3:
‘duur uit. Qua kleding’;
Feit 5:
‘daar niets mee te maken [heeft]’en dat hij ‘
die auto’ verschillende keren heeft uitgeleend. Ook verklaart hij dat hij zich niet kan herinnneren dat hij
‘ooit met [medeverdachte] mee [is] geweest om ergens apparatuur op te halen.’Tot slot verklaart hij dat hij van de politie voor het eerst over de oplichtingen heeft gehoord.
ietsheeft verklaard over de tenlastegelegde feiten, merk ik op dat het volgens vaste rechtspraak moet gaan om een door de rechter in het licht van de omstandigheden van het geval
aannemelijkte achten verklaring. Gezien ’s hofs bewijsvoering heeft het hof geoordeeld dat daar in dit geval geen sprake van was. Uit deze en de in het voorgaande beschreven omstandigheden van het geval heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat de verdachte en zijn medeverdachte tezamen en vereniging deze oplichtingen hebben gepleegd. Daarin ligt voorts besloten ’s hofs verwerping van de hieromtrent namens de verdediging gevoerde verweren. ‘s Hofs oordeel dat de
‘verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder hun eigen noodzakelijke rol hebben gehad in de uitvoering van het delict, zodat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking’is voorts toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
‘verdachte [verdachte] naar Tilburg is gereden’ en dat ‘twee maal op één dag de auto van (de vader) van [verdachte] is gebruikt voor het huren van apparatuur, waarvan achteraf is gebleken dat deze niet geretourneerd zijn’.Dergelijke gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht en gezien hetgeen het hof daaromtrent heeft vastgesteld acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. [5]
tweede middelklaagt over de motivering van ’s hofs beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
‘Niet-ontvankelijk gezien standpunt vrijspraak’. [6]
dat door of namens verdachte tegen de vorderingen inhoudelijk geen verweer is gevoerd. Dit maakt dat, nu de betreffende schadeveroorzakende feiten zijn bewezenverklaard, de vorderingen in voege als na te melden kunnen worden toegewezen’, (2) ’s hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde [benadeelde 4] nu de gestelde materiële en immateriële schade onvoldoende is onderbouwd, dan wel dat de immateriële schade geen rechtstreekse schade betreft, en (3) ’s hofs toewijzingen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , aangezien de gestelde schade en/of hoogte van het schadebedrag onvoldoende is onderbouwd en het hof heeft verzuimd de afschrijving van de apparatuur te betrekken.
dat door of namens verdachte tegen de vorderingen inhoudelijk geen verweer is gevoerd. Dit maakt dat, nu de betreffende schadeveroorzakende feiten zijn bewezenverklaard, de vorderingen in voege als na te melden kunnen worden toegewezen’besloten ligt de rechtsopvatting dat wanneer ter zake van een vordering van een benadeelde partij geen (inhoudelijk) verweer is gevoerd, het enkele feit dat die schadeveroorzakende feiten bewezen zijn verklaard, betekent dat die vorderingen kunnen worden toegewezen, hetgeen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht is gebaseerd op een verkeerde lezing van het arrest. In de bestreden overweging brengt het hof slechts tot uitdrukking dat, indien door of namens de verdediging wél verweer was gevoerd, hij daar bij zijn beslissing op had moeten responderen, maar, nu dat niet het geval is, ‘
de vorderingen in voege als na te melden kunnen worden toegewezen’. Voor zover het middel veronderstelt dat in de bestreden overweging besloten zou liggen dat het hof een (inhoudelijke) beoordeling van de vorderingen achterwege heeft gelaten (en heeft toegewezen) op de enkele grond dat de schadeveroorzakende feiten bewezen zijn verklaard en door of namens de verdachte geen verweer is gevoerd op die vorderingen, kan het niet slagen. Iets dergelijks volgt immers niet uit het arrest, hetgeen bevestiging vindt in de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij Luimes AV niet volledig is toegewezen. De eerste deelklacht faalt dan ook.
derde middelklaagt over de overschrijding van de redelijke termijn.