Conclusie
middelkomt met twee (motiverings)klachten op tegen de beslissing van het hof om de behandeling van de zaak ter terechtzitting voort te zetten. Eensdeels wordt geklaagd over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek dat door de verdediging zou zijn gedaan. Anderdeels klaagt het middel dat het hof klaarblijkelijk ambtshalve geen aanleiding heeft gezien de behandeling van de zaak aan te houden en dat ook die (impliciete) beslissing onbegrijpelijk is.
[...]
is niet verschenen.
Het adres dat op de dagvaarding staat is de Burgemeester Brokxlaan 1680, 5041 SG te Tilburg. Dit betreft een speciaal adres, namelijk Balie Werk en Inkomen van het UWV. De raadsman is ook in kennis gesteld. We gaan even contact opnemen met de raadsman van verdachte.
Er is gebeld met de raadsman mr. Van Peer die heeft aangegeven dat zijn kantoorgenoot mr. Govers de zaak zou behandelen. Volgens mr. Govers zou zijn kantoorgenoot mr. El Bellaj de zaak behandelen. Mr. El Bellaj deelde mede dat hij in ’s-Hertogenbosch was voor een artikel 12 procedure Pro en verder van niks wist. Op de appelakte en de appelschriftuur is het adres de Burgemeester Brokxlaan genoemd. Op dat adres is de dagvaarding betekend en in ontvangst genomen.
Blijkens de stukken in het dossier is ook de raadsman die kenbaar had gemaakt voor verdachte in deze zaak op te treden in kennis gesteld.
NJ2017/118, m.nt. Reijntjes had het hof, vanwege de onverklaarde afwezigheid van de raadsvrouw van de verdachte, die evenmin ter terechtzitting was verschenen, de griffier laten bellen met het advocatenkantoor, kennelijk om te informeren of de raadsvrouw op de hoogte was van de terechtzitting in hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting hield verder in dat de secretaresse in het telefonisch contact met de griffier had meegedeeld dat de datum van de terechtzitting verkeerd was genoteerd in de agenda, dat de raadsvrouw op dat moment elders zitting had en dat zij, de secretaresse, had verzocht om aanhouding van de zaak voor onbepaalde tijd. Het hof verleende evenwel verstek tegen de niet verschenen verdachte en ging met de behandeling van de zaak voort. Daaruit moet worden afgeleid dat het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling had afgewezen. De Hoge Raad overwoog dat het hof klaarblijkelijk met het oog op het belang van het recht van de verdachte op verdediging in de onverklaarde afwezigheid van de raadsvrouw aanleiding had gevonden door de griffier te laten onderzoeken of zij op de hoogte was van dag en tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep en dat in dat kader door de secretaresse van de raadsvrouw de reden voor het niet-verschijnen was medegedeeld met daaraan gekoppeld het verzoek de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden. Met het oog op dat belang van het recht op verdediging en gelet op de hiervoor samengevatte gang van zaken, had het hof die afwijzing met redenen behoren te omkleden, zo oordeelde de Hoge Raad. Deze zaak bevestigt niet alleen de vormvrijheid van verzoeken tot aanhouding, maar illustreert ook waarom zich in de regel op het punt van de feitelijke grondslag van het verzoek geen grote problemen voordoen: doorgaans wordt van binnengekomen aanhoudingsverzoeken aantekening gemaakt in het proces-verbaal van de terechtzitting. [4] De raadsman van de verdachte (of de verdachte zelf) doet er niettemin verstandig aan om, met het oog op zijn bewijspositie, aanhoudingsverzoeken ‘buiten de terechtzitting om’ per fax of e-mail te versturen dan wel te bevestigen. Raakt zijn bericht zoek, of wordt het abusievelijk niet aan het procesdossier toegevoegd, dan is de Hoge Raad in een voorkomend geval bereid gebleken op grond van aan de cassatieschriftuur gehechte bewijsstukken aan te nemen dat overeenkomstig art. 278, derde lid, Sv is verzocht om uitstel van de behandeling. [5]
NJ2017/118, m.nt. Reijntjes, houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2017 niets in waaruit kan worden afgeleid dat een verzoek tot uitstel van de behandeling als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv tijdens de (korte) onderbreking van de terechtzitting telefonisch is gedaan, of dat anderszins om aanhouding (c.q. heropening) van het onderzoek is verzocht. De aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden gedingstukken bieden voor die stelling evenmin enige steun. Dat uit de aan de schriftuur gehechte beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch blijkt dat mr. El Bellaj – in overeenstemming met wat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting aan de griffier is medegedeeld – inderdaad voor een andere zitting bij het hof was, geeft geen aanleiding voor het ernstig vermoeden dat in de onderhavige zaak een aanhoudingsverzoek is gedaan.
NJ2017/118, m.nt. Reijntjes. Zij het dan wel, als ik het goed zie, in geval van afwijzing van een aanhoudingsverzoek waarvan (dus) vaststaat dat het verzoek gedaan is. En daarvan is in de voorliggende zaak nu juist geen sprake. Onder de bedoelde omstandigheden, en in het bijzonder ook als de afwezigheid van de rechtsgeleerd raadsman – zoals de steller van het middel aangeeft – berust op een misverstand en een menselijke fout van de betrokken raadsman en/of diens kantoorgenoot, ligt het op de weg van de verdediging om ervoor te zorgen dat een aanhoudingsverzoek of een verzoek tot heropening van het onderzoek het hof daadwerkelijk bereikt, en dan niet enkel te volstaan met het later aanvoeren van de niet verifieerbare stelling dat er mondelinge afspraken zijn gemaakt met de griffier en in dat verband zo een verzoek is gedaan.