Conclusie
Het middel van de verdachte
middelkomt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op de voet van art. 416, tweede lid, Sv en klaagt allereerst (1) dat het oordeel van het hof dat namens de verdachte mondeling geen bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet toereikend is gemotiveerd. Daarnaast behelst het middel de klacht (2) dat het hof heeft verzuimd (a) aan de gemachtigde raadsman die op de eerste terechtzitting in hoger beroep verscheen de gelegenheid te bieden om bezwaren tegen het vonnis op te geven en/of (b) aan de op de tweede terechtzitting verschenen niet-gemachtigde raadsvrouw gelegenheid te geven om zich uit te laten over de vraag of bij de eerder verschenen gevolmachtigde raadsman bezwaren tegen het vonnis bestonden en, zo ja, wat deze bezwaren inhielden.
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
[…]
is niet ter terechtzitting verschenen.
nietuitdrukkelijk is gemachtigd als raadsvrouw de verdachte te verdedigen.
[…]
is niet verschenen.
in hoger beroep, (materieel) evenmin als zo een klacht tegen het vonnis kan worden beschouwd of andersoortige grond voor het instellen van een rechtsmiddel.
nade voordracht van de zaak door de advocaat-generaal. Dat verbiedt de rechter niet op eventueel daarvoor reeds tegen het vonnis opgegeven bezwaren acht te slaan, maar betekent mijns inziens wel dat de rechter niet verplicht is ook op iedere zitting waarop de zaak nog niet inhoudelijk wordt behandeld al de gelegenheid tot opgave van bezwaren te bieden.
NJ2011/104. In die zaak was de ter terechtzitting verschenen, niet-gemachtigde raadsman ook de raadsman die eerder binnen de in art. 410, eerste lid, Sr gestelde termijn van veertien dagen een appelschriftuur had ingediend. De appelschriftuur hield niet in dat de raadsman tot het indienen daarvan door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd. [12] De Hoge Raad oordeelde dat in zo een geval, dat erdoor wordt gekenmerkt dat de advocaat die de appelschriftuur heeft ingediend als raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, beginselen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter de raadsman – ook indien deze niet is gemachtigd op de voet van art. 279 Sv Pro – de gelegenheid biedt om zich uit te laten omtrent de vraag of hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd.