ECLI:NL:PHR:2019:821
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste toepassing art. 33a Sr bij derdenbeslag op personenauto
De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift van de klaagster, gericht op teruggave van een in beslag genomen personenauto, ongegrond. De auto stond op naam van de klaagster, maar de beslagene maakte er ook gebruik van. De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de auto later zou verbeurdverklaren, mede omdat de beslagene de auto gebruikte voor strafbare feiten.
De klaagster stelde dat de rechtbank ten onrechte niet kon beoordelen of de auto aan haar of aan de beslagene toebehoorde in de zin van art. 33a Sr en dat de rechtbank de maatstaf van art. 33a lid 2 Sr niet had betrokken. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank het toetsingskader van art. 33a Sr had miskend door niet te onderzoeken of de klaagster als rechthebbende te beschouwen was en of zij te kwader trouw was met betrekking tot het criminele gebruik van de auto.
De Hoge Raad adviseert de beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Den Haag voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift, waarbij het juiste toetsingskader moet worden toegepast. De conclusie van de AG benadrukt het summiere karakter van de klaagschriftprocedure, maar stelt dat de vraag van eigendom en kwade trouw wel degelijk aan de orde kan komen.
De zaak illustreert de zorgvuldigheid die vereist is bij derdenbeslag en de toepassing van art. 33a Sr, waarbij niet alleen het gebruik, maar ook de eigendom en de kennis van het criminele gebruik van belang zijn voor de beoordeling van verbeurdverklaring.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling met toepassing van het juiste toetsingskader.