Conclusie
1.Feiten
“ [het Fonds] ”. Over de looptijd van 18 maanden wordt een rendement van 30% verwacht terwijl het maximale risico slechts 18,3% bedraagt.
[het Fonds]
de factoslechts door handelaren met een ‘negatieve positie’ (meer aankopen dan verkopen) werd betaald en slechts aan handelaren met een ‘positieve positie’ (meer verkopen dan aankopen) werd doorbetaald. Bij dat laatste gold de voorwaarde dat de desbetreffende koopsommen daadwerkelijk waren betaald (dit werd het ‘één-op-één-systeem’ genoemd).
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ruimvóór 30 augustus 2008, namelijk eind 2006, bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon, HBU. Dat heeft het hof gebaseerd op het feit dat het Fonds eind 2006 failliet is verklaard zodat toen al voldoende zeker was dat anders dan HBU [erflater] destijds had geadviseerd en medegedeeld, van een solide belegging (namelijk één waarvan het verlies niet hoger zou zijn dan 18,3% van de inleg) geen sprake was. Het feit dat als gevolg van het faillissement van het Fonds het verlies veel hoger is dan de voorgespiegelde 18,3% van de inleg, is volgens het hof voldoende om [erflater] het vereiste inzicht te geven dat hij schade heeft geleden waarvoor HBU aansprakelijk is. Het hof heeft dan ook beslist dat [erflater] eind 2006 al voldoende zekerheid had verkregen dat de schade was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van HBU, zodat de verjaringstermijn eind 2006 is gaan lopen (rov. 3.7). Dat brengt dan met zich dat de vordering ten tijde van de aansprakelijkstelling in augustus 2013 reeds verjaard was (rov. 3.8). [de erven] bestrijden dit oordeel zowel met een rechtsklacht als met verschillende motiveringsklachten.
[…] /VUis duidelijk dat de korte termijn van 5 jaar pas gaat lopen op (de dag volgend op) het moment dat de benadeelde
daadwerkelijk in staat iseen rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. [8]
onderdeel 1.5, als gezegd, voortbouwt op onderdeel 1.1, zal ik dat deel nu ook behandelen.
onderdeel 1.1faalt. Hetzelfde lot treft daarmee het op onderdeel 1.1 voortbouwende eerste deel van
onderdeel 1.5.
onderdeel 1.2richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat [erflater] reeds met het faillissement van het Fonds op 6 december 2006 [17] daadwerkelijk bekend was met zijn schade. Volgens [de erven] valt niet in te zien dat de enkele onzekerheid die het faillissement van het Fonds over de opbrengst van de participatie veroorzaakt, zou kunnen volstaan voor het aannemen van de voor de aanvang van de vijfjarige verjaringstermijn vereiste daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid van [erflater] met zijn schade. In elk geval heeft het hof volgens [de erven] essentiële stellingen in dit kader ongemotiveerd gepasseerd. Zij stellen daartoe dat het hof gemotiveerd had moeten ingaan op hun stelling dat het tot 18 december 2012 volstrekt duister was wat de rol van HBU was bij de tulpenfraude en dat [de erven] pas op 17 februari 2012 bekend zijn geworden met de schade, nadat de curator hen heeft bericht dat het faillissement van het Fonds is opgeheven wegens gebrek aan baten.
onderdeel 1.3richt diverse klachten tegen het hiervoor (in randnummer 3.21) gememoreerde oordeel van het hof in rov. 3.7. Het gaat daarbij om een rechtsklacht en enkele motiveringsklachten. De rechtsklacht van
onderdeel 1.3verwijt het hof dat het door te overwegen dat het enkele feit dat [erflater] een hoger verlies zou lijden dan de door HBU aan [erflater] voorgespiegelde maximale 18,3% van de inleg (de erven) [erflater] de wetenschap gaf dat HBU de aansprakelijke persoon was, art. 24 Rv Pro heeft geschonden. HBU zou, aldus [de erven] , haar verjaringsberoep niet op die omstandigheid hebben gebaseerd.
onderdeel 1.3faalt. Het hof heeft zich namelijk niet schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten als bedoeld in art. 24 Rv Pro. Het hier bestreden oordeel van het hof, inhoudende dat het enkele feit dat [erflater] als gevolg van het faillissement van het Fonds een hoger verlies zou lijden dan de door HBU aan [erflater] voorgespiegelde maximale 18,3% van de inleg [erflater] wetenschap gaf dat hij schade heeft geleden waarvoor hij HBU aansprakelijk kan stellen, volgt uit de volgende door het hof vastgestelde feiten:
onderdeel 1.3anders bepleit). Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat een concurrent crediteur in een faillissement, vooral één met deze omvang, in de regel bijna niets van zijn vordering terugziet, laat staan, zoals in dit geval in wezen voorgespiegeld is, minimaal 81,7% van de inleg (in het geval van [erflater] bedroeg deze inleg € 303.000, zie rov. 3.1.8 van het bestreden arrest). [21] Feiten van algemene bekendheid behoeven net zo min als ervaringsregels te worden gesteld of te worden bewezen, zodat de rechter die feiten, ambtshalve, aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen (art. 149 Rv Pro). Het oordeel van het hof dat als gevolg van het faillissement van het Fonds [erflater] een hoger verlies heeft geleden dan de eerder door HBU voorgespiegelde 18,3% van de inleg, is dus zonder meer te baseren op de hiervoor opgesomde vaststaande feiten én genoemd feit van algemene bekendheid. Daarmee faalt de eerste motiveringsklacht van
onderdeel 1.3.
onderdeel 1.3houdt in dat het hof een onbegrijpelijk, althans ontoereikend, oordeel heeft gegeven door te overwegen dat het enkele feit dat het Fonds in december 2006 failliet ging met zich brengt dat het verlies veel hoger is dan de door HBU voorgespiegelde 18,3% van de inleg. Deze klacht van
onderdeel 1.3faalt, om redenen die hiervoor al zijn uiteengezet. Het hof kon namelijk tot dit oordeel komen, gelet op de hiervoor in randnummer 3.24 opgesomde vaststaande feiten én het eveneens hiervoor in randnummer 3.25 genoemde feit van algemene bekendheid.
onderdeel 1.3komt weer terug in het tweede deel van
onderdeel 1.5, waarin, naar de kern, aan de orde wordt gesteld dat het hof niet gemotiveerd is ingegaan op de stellingen van [de erven] dat zij pas druppelsgewijs bekend zijn geworden met de fouten van HBU. Onderdeel 1.5 betrekt daarbij ook de nieuwsbrief van 5 november 2004 en stelt in dat kader dat de inhoud daarvan nog niets zegt over de verwijten die [de erven] HBU in deze procedure hebben gemaakt. In
onderdeel 1.4wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat het enkele feit dat [erflater] meer schade leed dan 18,3% van zijn inleg daadwerkelijke bekendheid met de fouten van HBU opleverde. Deze klachten worden hierna gezamenlijk behandeld, omdat zij alle het oordeel van het hof over (het moment van) de daadwerkelijke bekendheid met de aansprakelijke persoon, HBU, bestrijden.
voldoende zekerheidhebben verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. [22]
onderdelen 1.3, 1.4 en 1.5dan ook af.
onderdeel 1.5wordt het hof verder specifiek voor de voeten geworpen dat niet valt in te zien dat het enkele feit dat in de nieuwsbrief wordt vermeld dat HBU verwijten worden gemaakt met betrekking tot onregelmatigheden bij [E] en het Fonds, daadwerkelijke bekendheid met de fouten van HBU oplevert. Deze klacht behoeft evenwel geen bespreking, omdat het oordeel van het hof (dat [erflater] in december 2006 bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon) zelfstandig wordt gedragen door het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat hiervoor in randnummers 3.17 tot en met 3.28 reeds is besproken, waarin het hof heeft geoordeeld dat [erflater] al in december 2006 (met het faillissement van het Fonds) voldoende zekerheid had gekregen dat zijn schade is veroorzaakt door het foutief handelen van HBU. Bij de behandeling van deze klacht in
onderdeel 1.5hebben [de erven] derhalve geen belang meer.
onderdeel 1.6hetzelfde lot.
onderdeel 1.7is gericht tegen rov. 3.8. Daarin betogen [de erven] dat het onbegrijpelijk is dat uit de enkele mededeling uit de stuitingsbrief van 5 augustus 2013 [23] (met als strekking dat HBU een onrechtmatige daad heeft begaan jegens [erflater] en dat [de erven] in dat verband hun rechten voorbehouden) zou volgen dat [erflater] reeds in 2006 bekend was met zijn schade en de veroorzaking daarvan door HBU. Daarmee miskennen [de erven] dat het hof het moment van de daadwerkelijke bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon (HBU) niet heeft gebaseerd op de inhoud van de genoemde brief, maar op hetgeen het in rov. 3.7 heeft geoordeeld, namelijk: dat [erflater] met het faillissement van het Fonds (dus in december 2006) voldoende zekerheid had dat zijn schade veroorzaakt is door foutief handelen van HBU, zodat hij HBU toen al aansprakelijk kon stellen. De verwijzing door het hof in rov. 3.8 naar de inhoud van de stuitingsbrief is een extra argument voor het genoemde verjaringsoordeel in rov. 3.7 (vrij vertaald): eind 2006 had [erflater] juridische actie kunnen ondernemen jegens HBU. Nu rov. 3.7 in cassatie in stand moet blijven, hebben [de erven] geen belang bij behandeling van onderdeel 1.7. Dat extra argument in rov. 3.8, dat met dit onderdeel wordt bestreden, kan een begrijpelijkheidstoets overigens doorstaan, omdat het juist is dat in de stuitingsbrief HBU, hoofdzakelijk, wordt verweten dat zij [erflater] destijds ten onrechte heeft voorgespiegeld dat het om een solide belegging ging.
Onderdeel 1.7faalt dus wegens het ontbreken van belang.
onderdeel 1.8hetzelfde lot ten deel.