Conclusie
[eiseres]) een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op een vordering van [A] B.V. (hierna:
[A]) op verweerster in cassatie (hierna:
Heijmans). [A] heeft zich in een pandovereenkomst jegens [eiseres] verplicht om al haar vorderingen op derden aan [eiseres] te verpanden. In een ter uitvoering van die verplichting geregistreerde pandakte wordt verwezen naar een lijst waarop de te verpanden vorderingen zijn gespecificeerd. De vordering op Heijmans staat echter niet op die lijst vermeld.
1.Feiten en procesverloop
de Stampandakte [2] ) tussen (onder meer) [A] als ‘pandgever’ en [eiseres] als ‘pandnemer’ houdt – voor zover hier van belang – in:
de Pandakte [4] ) houdt – voor zover hier van belang – in:
Op andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.”
Deze rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.(...) ”.
verbintenis(onderstreping hof) van [A] om alle vorderingen te verpanden. Immers in die akte is bepaald: “Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij of zij op derden heeft of zal hebben (...)”. Ook de artikelen 4.10. en 4.11., waarop [eiseres] zich voor haar argument ontleend aan de systematiek beroept, bevatten slechts verplichtingen voor [A] , namelijk door voor verpanding gebruik te maken van een formulier, dat formulier op te maken en dat aan [eiseres] te verschaffen. Uit die verplichting volgt niet dat de onderhavige vordering is verpand. Overigens wijst die verplichting er, gezien het gebruikte formulier, juist op dat de vorderingen in het formulier specifiek dienen te worden vermeld.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
titelvoor verpanding wordt gevormd door de rechtsverhouding die de vestiging van het pandrecht rechtvaardigt, doorgaans een (pand)overeenkomst. Een dergelijke obligatoire overeenkomst dient te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. [10]
vestigingvan een stil pandrecht geschiedt bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar van de verpande vordering (art. 3:239 lid 1 BW Pro [11] ). De daarin begrepen beperking ten aanzien van voor verpanding vatbare vorderingen speelt in dit geval geen rol.
De Liser de Morsain/Rabo:
bepaaldheidsvereiste. [13] In art. 3:84 lid 2 in Pro verbinding met art. 3:98 BW Pro is het vereiste neergelegd dat het verpande goed in voldoende mate door de pandakte moet worden bepaald, aldus uw Raad. [14] Het bepaaldheidsvereiste heeft een specificatie-/identificatiefunctie en een legitimatiefunctie: slechts indien duidelijk is welke vorderingen door de pandgever worden verpand, kan de verpanding op die vorderingen worden bewerkstelligd en de pandhouder zich als zodanig legitimeren. [15] Indien de vorderingen niet in voldoende mate in de pandakte zijn bepaald, is de verpanding niet rechtsgeldig. [16]
Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. [17] oordeelde Uw Raad dat voldoende is “
dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat”. [18] Daarmee geldt in feite een bepaal
baarheidseis. [19] Zo kan in de pandakte worden volstaan met een generieke omschrijving van de verpande vorderingen, zoals ‘alle ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechten of vorderingen jegens derden’ of ‘alle rechten of vorderingen jegens derden die worden verkregen uit de ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechtsverhoudingen met die derden’. [20] De vraag hoe specifiek de gegevens in de akte dienen te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [21]
Wagemakers q.q./Rabo:
NJ1995, 447, rov. 4.2 [
Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. –toev. A.G.]) (...)
juisteaanduiding nauwelijks verwacht kan worden dat zij aan de pandhouder duidelijk maakt welke vordering de pandgever daarmee precies op het oog heeft gehad, zolang de pandgever hem niet achteraf aan de hand van zijn administratie de daartoe nodige nadere gegevens verschaft. In een overeenkomst die tot toezending van dergelijke lijsten ter verpanding van de telkens ontstane vorderingen op derden verplicht, ligt besloten dat de pandhouder bij voorbaat met een dergelijke wijze van aanduiding heeft ingestemd.
in beginselslechts op het deel van de vordering te rusten dat met dit lagere bedrag overeenkomt (….).” [22]
objectieve maatstafdient te worden beoordeeld. Van voldoende bepaaldheid is sprake indien aan de hand van de (globale) omschrijving in de akte naar objectieve maatstaven c.q. op grond van andere objectieve gegevens (buiten de akte) – eventueel achteraf – kan worden vastgesteld op welk goed de vestiging ziet. [23] Zo meent Rongen [24] dat men in het oog moet houden dat voor een geldige cessie of verpanding niet voldoende is dat partijen van elkaar weten welke vordering wordt gecedeerd of verpand. Volgens hem brengen het aktevereiste en de daarmee nagestreefde rechtszekerheid mee dat de partijbedoeling
aan de hand van de akte, eventueel in combinatie met buiten de akte gelegen
objectievegegevens, moet kunnen worden vastgesteld. Volgens Rongen verlangen het belang van de met de akte nagestreefde rechtszekerheid en de derdenwerking van het goederenrecht dat objectief kan worden vastgesteld of er een cessie of verpanding heeft plaatsgevonden. Dat heeft met uitleg van de (bewoordingen van de) akte niets van doen.
De Liser de Morsain/Rabo, “elk spoortje objectiviteit verdwenen”. Hij spreekt de vrees uit dat deze subjectieve uitleg doorwerkt in het bepaaldheidsvereiste. Uitleg van de akte gaat logischerwijs vooraf aan de vraag of met die akte aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Het ligt niet in de lijn van verwachting dat een grote rol is weggelegd voor een vereiste van ‘objectieve gegevens’ indien eerst aan de hand van verklaringen, gedragingen en verwachtingen mag worden bepaald tot verpanding van welke vorderingen een pandakte strekt, aldus Verstijlen.
Wagemakers q.q./Raboniet mag worden afgeleid dat de vaststelling van de te verpanden vorderingen
uitsluitendkan geschieden aan de hand van objectieve gegevens. Dat zou volgens hem een te strenge invulling van de eis van voldoende bepaaldheid opleveren, die onvoldoende steun vindt in de wet en de overige rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van voldoende bepaaldheid. Gelet op de (loutere) identificatiefunctie van het bepaaldheidsvereiste volstaat volgens hem dat door uitleg in voldoende mate kan worden vastgesteld wat partijen hebben beoogd te leveren. Onder verwijzing naar het arrest
De Liser de Morsain/Rabostelt Schuijling dat bij de vaststelling van de partijbedoeling ten aanzien van het geleverde goed rekening mag worden gehouden met gegevens die buiten de vestigingshandeling zelf liggen.
gegevens’uit de akte kan aanmerken, ook als deze subjectieve partijbedoeling niet met zoveel woorden in de akte staat. Dit kan er aldus toe leiden dat bepaaldheid achteraf kan worden vastgesteld aan de hand van de subjectieve partijbedoeling.
ING/Muller q.q.(met door mij aangebrachte onderstreping): [29]
De bank kan zich tegenover derden (bijv. beslagleggers) niet met succes beroepen op de stelling dat het toch de bedoeling van partijen bij de obligatoire overeenkomst was, dat de schuldenaar twee auto’s aan de bank in pand zou geven. De uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst is iets anders dan de uitleg van de obligatoire overeenkomst.Wel houdt de bank in dit voorbeeld een contractuele aanspraak jegens de schuldenaar, namelijk dat deze alsnog een pandrecht zal verlenen op de tweede auto.
De Liser de Morsain/Rabostelt A-G Keus de vraag welke maatstaf zou moeten moet gelden voor de uitleg van een (cessie)akte. Hij betoogt daarop (met door mij aangebrachte onderstreping): [30]
Van bepaalbaarheid aan de hand van de akte en aanvullende objectieve gegevens is in zo’n geval geen sprake.Omgekeerd geldt, dat als in de akte (abusievelijk) melding wordt gemaakt van over te dragen vorderingen, terwijl te dien aanzien geen overeenkomst tussen partijen bestaat, de vordering niet overgaat omdat dan niet aan het vereiste van een geldige titel is voldaan. [31] Met uitleg van de cessieakte heeft dit strikt genomen niets te maken;
wel geldt in verband met het voorgaande dat partijen bij de cessie zich er noch tegenover elkaar noch tegenover derden op kunnen beroepen dat zij het er over eens waren dat een bepaalde vordering zou worden gecedeerd, indien daarvan in de akte geen melding is gemaakt en zulks niet met behulp van objectieve gegevens uit de akte kan worden afgeleid: alsdan is aan het leveringsvereiste van ‘een daartoe bestemde akte’ immers niet voldaan.”
in de akte in het geheel niet wordt genoemd.” [32]
De Liser de Morsain/Rabo,waarin uitdrukkelijk werd onderscheiden tussen uitleg van de akte aan de hand van de Haviltex-norm enerzijds (rov. 4.4) en het bepaaldheidsvereiste anderzijds (rov. 4.3), meen ik, in lijn met hetgeen als heersende leer lijkt te kunnen worden aangemerkt, dat de (zelfstandige) vraag naar voldoende bepaaldheid aan de hand van een
objectievemaatstaf moet worden beantwoord. Volgens vaste rechtspraak zijn vorderingen voldoende bepaald indien
de pandakte zodanige gegevensbevat dat, eventueel achteraf, aan de hand
daarvankan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Ik leid hieruit af dat de pandakte, objectief bezien, zelf enig aanknopingspunt dient te bieden voor de vaststelling dat bij die pandakte een bepaalde vordering wordt verpand. Bevat de pandakte geen enkele (algemene of generieke) verwijzing naar de te verpanden vordering, dan is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Dit gebrek kan mijns inziens niet worden geheeld door de enkele bedoeling van partijen om bij die akte de vordering te verpanden, indien die bedoeling op geen enkele wijze uit de akte zelf blijkt. De akte bevat alsdan niet de ‘zodanige gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat’.
verbintenisom alle vorderingen te verpanden. Ook de artikelen 4.10 en 4.11 waarop [eiseres] zich beroept, bevatten slechts verplichtingen betreffende het gebruik van een formulier. Overigens wijst die laatste verplichting er juist op dat de vorderingen in het formulier specifiek dienen te worden vermeld.
uitleg van de Pandaktevan 20 januari 2014. Het valt uiteen in twee subonderdelen.
bedoeling van partijen( [A] en [eiseres] ) om alle bestaande vorderingen van [A] per 20 januari 2014 krachtens de Pandakte aan [eiseres] te verpanden. Uitgaande van de Haviltex-maatstaf, getuigt de overweging dat deze bedoeling van partijen “
niet relevant” is “
nu de vorderingen niet op die lijst voorkomen” van een onjuiste rechtsopvatting. Bij toetsing aan de Haviltex-maatstaf is de bedoeling van partijen een relevante, zo niet doorslaggevende omstandigheid, aldus het subonderdeel.
bedoelingvan partijen was om
alleopenstaande vorderingen per 20 januari 2014 aan [eiseres] te verpanden.
bepaaldheidsvereiste.Het keert zich in twee subonderdelen tegen de door het hof gebezigde argumenten (iii) dat “
[d]e akte van 20 januari 2014 […] geen aanknopingsgegevens [bevat] op grond waarvan achteraf aan de hand van de akte kan worden vastgesteld dat ook de onderhavige vordering van [A] op Heijmans aan [eiseres] is verpand bij die akte”, en (iv) dat “
[v]an een generieke of algemene omschrijving van vorderingen van [A] op Heijmans […] ook geen sprake [is].”
de uitstaande vorderingen per 20 januari 2014”in de Pandakte het mogelijk maakt om, eventueel achteraf, aan de hand van objectieve gegevens, vast te stellen om welke vorderingen het gaat, zodat de vorderingen in de akte, waaronder de betreffende vordering van [A] op Heijmans, op grond van de gegevens in de pandakte voldoende bepaalbaar zijn.
enuitleg van de Pandakte
entoetsing aan het bepaaldheidsvereiste [35] . Voorts zal ik het middel volgen in zijn – door mij hiervoor onder 2.19 verworpen – uitgangspunt dat (ook) de vraag of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, een kwestie is van uitleg van de Pandakte op basis van de Haviltex-maatstaf. Anders gezegd: als vastgesteld kan worden dat partijen over en weer redelijkerwijs konden verwachten dat de vordering op Heijmans was verpand, is de vordering daarmee tevens voldoende bepaald in de akte. [36]
concreetheeft aangegeven op welke vorderingen zij een pandrecht verleende (i);
gespecificeerdbedrag (‘de uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79’) die waren ‘
vermeldop de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s’ [37] (vi);
nauwkeurig omschrijvendwat er precies is verpand (vi);
nietop de pandlijst voorkomt (vi);
aanknopingsgegevensbevat op grond waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat ook die vordering is verpand (iii); en
generiekeomschrijving (iv).
de lijst leidend’ is (zie (ii)) respectievelijk dat de
bedoelingvan partijen om ook de vordering(en) op Heijmans bij de Pandakte te verpanden ‘
niet relevant‘ is (zie (vi)) klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat het – bij gebreke van enig aanknopingspunt daartoe in de Pandakte – geen rol ziet voor c.q. geen gewicht hecht aan de partijbedoeling bij de beantwoording van de vraag wat partijen – met name de pandhouder – mochten verwachten. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik merk in dit verband op dat een alomvattende obligatoire verplichting tot verpanding niet uitsluit dat partijen (de pandgever) om hen moverende reden een bepaalde vordering op een bepaald moment (nog)
nietzouden willen verpanden, bijvoorbeeld indien, zoals in dit geval, die vordering nog niet vaststaat omdat daarover nog een geding aanhangig is.