Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelkomt, in de bewoordingen van de steller van het middel, op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep [1] en behelst de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig.
De dagvaarding in hoger beroep is aan de verdachte in persoon betekend op 15 december 2017. De verdachte was dus op de hoogte van de zitting. Er is appel ingesteld namens de verdachte door mr. C.E.J.E. Kouijzer, maar zij heeft zich niet gesteld als raadsvrouw.
In het dossier bevindt zich voorts een handgeschreven brief van de verdachte, binnengekomen op 11 januari 2018, gericht aan het Ressortsparket te ’s-Hertogenbosch, waarin de verdachte verschillende parketnummers noemt en schrijft “
Ik ben van mening dat dit niet klopt, met deze parketnummers en dat het hof de juiste toetsing niet gebruikt dat komt neer op niet ontvankelijk”.
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in haar hoger beroep. De verdachte heeft geen grieven ingediend, is niet ter terechtzitting verschenen en heeft geen raadsman of raadsvrouw gemachtigd namens haar de verdediging te voeren.
8-1-2018
17 januari 2018 te 13.30 moet ik verschijnen over parketn. 20-001295-17 onder parketn 96-258190-15
Ik ben veroordeeld over 3 parketn bij de politierechter.
Ik ben van mening dat dit niet klopt met deze parketnummers en dat het hof de juiste toesting niet gebruikt
dat komt neer op niet ontvankelijk.
[…]”