Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelricht zich met drie deelklachten tegen het onder 2. bewezenverklaarde ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd. Geklaagd wordt dat het bewezenverklaarde onbegrijpelijk is omdat de bewezenverklaring bestanddelen bevat van zowel in art. 245 als Pro 249 Sr genoemde feiten, zodat niet duidelijk is welk strafbaar feit bewezen is verklaard. Daarnaast zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte ‘met’ zijn kinderen ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Tot slot zou art. 250 Sr Pro als ‘geprivilegieerde specialis’ ten onrechte niet van toepassing zijn geacht, zodat sprake is van een schending van art. 55 lid 2 Sr Pro.
NJ2002/415, merk ik op dat het hof niet onderdelen van zowel een primair als subsidiair tenlastegelegd feit bewezen heeft verklaard.
NJ2006/614. De verdachte had een ander gedwongen tot het in de eigen anus brengen en heen en weer bewegen van het heft van een mes en een pollepel. Deze feiten heeft het hof telkens gekwalificeerd als 'verkrachting'. In cassatie wordt (impliciet) geklaagd dat het hof het bewezenverklaarde als zodanig heeft gekwalificeerd. Die klacht slaagt:
meteen derde, ook het verrichten van handelingen
vooreen derde strafbaar is gesteld. Hiermee wordt gewaarborgd dat het (onder meer) door misleiding een minderjarige opzettelijk bewegen tot ontucht, strafbaar is. Daarnaast is in art. 248a Sr, dat kort gezegd ziet op het uitlokken van ontucht bij een minderjarige, het bestanddeel ‘met hem’ verwijderd. Die wijziging is als volgt gemotiveerd: [7]
metiemand. In een uitspraak van de rechtbank Arnhem komt dit ook naar voren. De verdachte werd vervolgd voor overtreding van art. 247 Sr Pro, waarbij de ontuchtige handelingen ‘met’ bestonden uit het voeren van seksueel geladen chatgesprekken met een jonge jongen, die opgewonden werd en zich vervolgens op verzoek van verdachte heeft uitgekleed en voor de webcamera zich naakt en opgewonden heeft getoond en zich vervolgens heeft afgetrokken. De uitspraak houdt in: [8]