Conclusie
1.Feiten
‘ [het boek] ’(hierna: het boek). Als co-auteurs zijn vermeld [eiser] en [betrokkene 1] . Het boek bevat een hoofdstuk 4 dat 42 pagina’s telt en dat is getiteld
‘ [verweerster] dagboek’. Het dagboek van [verweerster] is geschreven in de eerste persoon enkelvoud. Hoofdstuk 4 van het boek is geschreven in de derde persoon enkelvoud. De beschreven gebeurtenissen, personen, plaats en tijd komen echter overeen. [4]
2.Procesverloop
het vonnis van 18 december 2013onder 5.2 opgenomen verbod op publicatie van het dagboek en het bevel om ook kopieën daarvan van de website te verwijderen, overtreden (rov. 4.21).
in het arrest van 17 maart 2015, onder 4.2, 2b, is door [eiser + betrokkene 1] overtreden. Het boek is gepubliceerd en niet alle gedrukte exemplaren zijn vernietigd (rov. 4.25).
Ik heb mr. Y. Moszkowicz in alle zaken tegen de heren [eiser] en [betrokkene 1] zelf opdracht gegeven om voor mij op te treden. In het bijzonder de rechtszaken over het dagboek, het contactverbod en de dwangsommen zijn in mijn opdracht door hem gevoerd. Dit alles geldt dus ook voor de zaak die thans in cassatie loopt met zaaknummer 18/03787 en waar mr. H.J.W. Alt voor mij in mijn opdracht als cassatieadvocaat optreedt. Mijn kinderen en mijn ex-man hebben hier geen rol in gespeeld.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelheeft betrekking op rov. 3.5, 3.16 en 3.17 van ’s hofs arrest en bestaat uit zes subonderdelen, genummerd als a t/m f. De subonderdelen a t/m c richten zich tegen rov. 3.5 van het bestreden arrest. Deze overweging luidt als volgt:
subonderdeel awordt aangevoerd dat de redenering in rov. 3.5 en 3.5.1 rechtens onjuist is, voor zover het hof heeft gemeend dat een advocaat in het kader van een gerechtelijke procedure zonder meer op zijn woord kan worden geloofd, ook als daartegen verweer is gevoerd. Volgens
subonderdeel bis het oordeel bovendien onbegrijpelijk, indien het hof heeft gemeend dat [eiser] geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd, aangezien [eiser] dat wel heeft gedaan. [15] In grief 3 in het incidenteel appel heeft [eiser] betoogd dat de ex-echtgenoot en de kinderen van [verweerster] opdrachtgever zijn, dat [verweerster] zelf nooit contact heeft gehad met mr. Moszkowicz en niet op de hoogte was van het op haar naam instellen van de onderhavige vordering. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat eerst ondubbelzinnig moet worden vastgesteld dat mr. Moszkowicz [verweerster] daadwerkelijk vertegenwoordigt en dat sprake is van een onrechtmatig proces indien dat niet het geval is. In de toelichting op grief 4 heeft [eiser] aangevoerd er heilig van overtuigd te zijn dat [verweerster] de schriftelijke verklaring dat zij opdrachtgever is onder ede niet gestand zal doen, temeer omdat zij bij geen enkele zitting aanwezig is geweest.
[…] /Fides Finances, moet de rechter de juistheid van dat verweer onderzoeken. [17] De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een toereikende procesvolmacht rust op (de gemachtigde van) degene die zich op het bestaan van een volmacht beroept.
subonderdeel bwordt betoogd dat, voor zover het hof van oordeel is dat [eiser] geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd, dat oordeel onbegrijpelijk is. [eiser] heeft namelijk wel gemotiveerd verweer gevoerd.
zijde degene is die opdracht tot het voeren van de procedures heeft gegeven. [18] Ook in cassatie heeft zij dat nog bevestigd in de verklaring die bij het verweerschrift is gevoegd (zie onder 1.18).
subonderdeel cis het uitgangspunt dat de schriftelijke verklaring zonder meer kan bijdragen aan de overtuiging van het hof rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, gelet op het bewijsaanbod dat [eiser] heeft gedaan. [19] Volgens het subonderdeel had het hof [eiser] moeten toelaten tot (tegen)bewijslevering en hem in de gelegenheid moeten stellen om [verweerster] als getuige op te roepen. In het verlengde hiervan wordt bij
subonderdeel dgeklaagd dat het hof in rov. 3.17 ten onrechte de bewijsaanbiedingen als niet ter zake dienend heeft gepasseerd, omdat deze geen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.
subonderdelen e en fhebben betrekking op rov. 3.16 van het arrest. Deze luidt als volgt:
subonderdeel eheeft het hof hiermee een onbegrijpelijk oordeel gegeven, omdat het op een feitelijke onjuistheid berust. [eiser] heeft namelijk expliciet gevraagd om [verweerster] als getuige te horen. [20] Volgens
subonderdeel fheeft het hof miskend dat [eiser] klaarblijkelijk de stellingen in de toelichting bij grief 4 (namelijk onder 68) ook bedoeld heeft als afzonderlijke grief tegen de afwijzing van het verzoek om [verweerster] als getuige te horen.
“Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor van [verweerster] afgewezen.”Het hof overweegt dan ook terecht dat geklaagd wordt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen. Eveneens terecht overweegt het hof dat deze grief reeds faalt nu in de onderhavige procedure geen verzoek van deze strekking is gedaan.
[eiser] verzoekt het hof dan ook om [verweerster] als getuige te doen horen, zodat kan worden vastgesteld of [verweerster] werkelijk aan haar advocaat de opdracht heeft gegeven om [eiser] aan te spreken vanwege een inbreuk op haar auteursrecht en alle daarop volgende acties ten nadele van [eiser]”. [21]
3.10 Grief 3 in het principale appel strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verbeurde dwangsommen uit hoofde van het arrest van 17 maart 2015 alle zijn verjaard. Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief als volgt.
subonderdeel awordt aangevoerd dat het hof er in rov. 3.10.2 ten onrechte vanuit gaat dat de stelplicht en de bewijslast hier op [eiser] rusten. Deze rusten volgens het subonderdeel op [verweerster] , omdat het in de onderhavige procedure gaat om de eis in de hoofdzaak als bedoeld in art. 1019i lid 1 Rv. In het kader van die procedure behoort [verweerster] te stellen en bij betwisting te bewijzen dat de getroffen voorlopige maatregelen en de daarbij uitgesproken dwangsomveroordelingen gerechtvaardigd zijn.
meerdan, ter inleiding op de bespreking van de bij grief 3 van [verweerster] opgeworpen kwestie van de verjaring van de dwangsommen uit hoofde van het arrest van 17 maart 2015, constateren dat [eiser] niet heeft aangevoerd dat hij pogingen heeft ondernomen om (een deel van) de verspreide exemplaren terug te halen, en dat het hof dus met de rechtbank van oordeel is dat hij heeft nagelaten zich voldoende in te spannen om aan de veroordeling van in het arrest van 17 maart 2015 te voldoen.
veroordeelt [eiser + betrokkene 1] om binnen vier weken na het wijzen van het onderhavige arrest alle reeds gedrukte exemplaren van het boek, indien en voor zover hoofdstuk 4 daarin voorkomt, op hun kosten te (doen) vernietigen onder afgifte aan (de advocaat van) [verweerster] van een schriftelijke verklaring van de uitvoerende instantie dat tot volledige vernietiging is overgegaan”) heeft het hof dan ook terecht tot uitgangspunt genomen dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd door niet te voldoen aan de veroordeling tot vernietiging in het arrest van 17 maart 2015
zijn voordeelbesliste dat de in verband met de overtreding van het bevel tot vernietiging verbeurde dwangsommen waren verjaard. Dat laat echter onverlet dat van [eiser] wel gevergd kon worden om in hoger beroep enige gesubstantieerde stelling op dit punt in te nemen, als hij een uitvoeriger beoordeling van het hof over deze kwestie had gewenst. Dat geldt temeer nu Tersptra in haar memorie van grieven wél (opnieuw) uitvoerig en geconcretiseerd heeft betoogd dat [eiser] zich onvoldoende heeft ingespannen om de gedrukte exemplaren vernietigd te krijgen (memorie van grieven onder 5.1-5.8). [eiser] heeft hier niets tegenover gesteld.
subonderdeel bwordt aangevoerd dat, voor zover het hof het karakter van de procedure op de voet van art. 1019i Rv niet heeft miskend, het onvoldoende heeft uitgelegd dat [verweerster] aan haar stelplicht heeft voldaan, dan wel dat het hof [eiser] ten onrechte niet tot het leveren van (tegen)bewijs heeft toegelaten, ondanks het bewijsaanbod. [26]
Daarmee faalt het subonderdeel.
subonderdeel cwordt aangevoerd dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het verweer van [eiser] , dat de rechtbank een onjuiste interpretatie heeft gegeven aan het arrest van 17 maart 2015, en dat hij de geest van het arrest heeft nageleefd, namelijk het voorkomen van verdere verspreiding van het boek. [27] Subonderdeel dbetoogt dat het hof onvoldoende inzicht in zijn argumentatie heeft gegeven.
subonderdeel ewordt geklaagd dat ’s hofs oordeel dat [eiser] heeft nagelaten zich voldoende in te spannen om aan de veroordeling in het arrest van 17 maart 2015 te voldoen, onvoldoende gemotiveerd is. Volgens de toelichting op de klacht had het hof moeten beoordelen of [eiser] gehouden was de reeds verspreide boeken terug te halen en zo ja, in welke mate, en tot wanneer [eiser] zich daartoe diende in te spannen (procesinleiding onder 2.21-2.24). Bovendien had het hof nader moeten uitwerken wat precies van [eiser] gevergd kon worden, gegeven het feit dat het hof overweegt dat de situatie in 2018 een andere is dan die in 2015, kort na publicatie en vernietiging van het boek. Er is dus blijkbaar ergens een omslagpunt geweest (procesinleiding onder 2.33-2.36).
nietde in het arrest van 17 maart 2015 genoemde verklaring van een advocaat heeft overgelegd.
geen enkelepoging gedaan om de door hem (in de woonomgeving van [verweerster] ) verspreide exemplaren van het boek terug te halen. Daarmee is ‘s hofs oordeel voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Subonderdeel e faalt.