Conclusie
Nummer17/04884
1. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 10 januari 2013, voor zover inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zakelijk weergegeven:
het hof begrijpt: verdachte] gesproken.
[het hof begrijpt hier en hierna telkens: vraag verbalisanten)]:kende je iemand in Boedapest?
[het hof begrijpt hier en hierna telkens: antwoord [betrokkene 1]]: ik heb hier een man ontmoet.
[het hof begrijpt hier en hierna telkens: opmerkingen verbalisant(en)]:je zegt net dat je geen paspoort meer had. Om te reizen, heb je een paspoort nodig.
het hof begrijpt: verdachte].
[het hof begrijpt: [e-mailadres]]
[het hof begrijpt: [e-mailadres]]
het hof begrijpt: de reserveringen van de vliegtickets op naam van verdachte en K. [betrokkene 2]] op uw naam staan?
sole and decisiveaan te merken. Het tijdsverloop mag geen beletsel vormen om niet tot het horen van deze getuige over te gaan. Te meer nu het horen van [betrokkene 1] als getuige reeds door uw hof is toegewezen.
’sole and decisive’ bewijsmiddelen aan te merken. Nu de verdediging [betrokkene 1] - ondanks het toegewezen verzoek daartoe - niet heeft kunnen ondervragen, noch de betrokkenheid van verdachte voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen, want die bewijsmiddelen moeten afzonderlijk worden bezien, noch compenserende factoren aanwezig zijn, dienen de belastende verklaringen van [betrokkene 1] van het bewijs te worden uitgesloten. De overige bewijsmiddelen, leveren onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring op, aldus de verdediging.
‘sole and decisive’bewijsmiddelen, zodat een beroep op de zogenaamde Vidgen- jurisprudentie niet kan slagen en
(BFK: het gebruik voor het bewijs van)de belastende verklaring niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM.
eerstemiddel klaagt dat het hof de verzoeken tot aanhouding van de behandeling van de zaak, het verrichten van nader onderzoek naar het adres van getuige [betrokkene 1] en het horen van [betrokkene 1] ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft afgewezen. Voorts zouden de verklaringen van [betrokkene 1] ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden voor het bewijs zijn gebezigd, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 1] te ondervragen en diens verklaringen in beslissende mate hebben bijgedragen aan de bewezenverklaring. Ik behandel beide deelklachten in omgekeerde volgorde.
decisive evidence’zijn. Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat een persoon die een hem onbekende persoon als [betrokkene 1] dergelijke hulp verschaft bij het zich verschaffen van de toegang tot Nederland, met opdracht van derden om hem na de vlucht in Nederland naar een specifieke locatie te begeleiden, ernstige reden heeft om te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is.
decisive evidence’zijn. Daaruit volgt dat het onder de bewijsmiddelen opnemen van deze verklaringen, ook al heeft de verdediging [betrokkene 1] niet kunnen ondervragen, geen strijd met art. 6 EVRM Pro oplevert. [4]
decisive evidence’. En dat de poortraadsheer eerder het verhoor van een getuige heeft bevolen bindt de meervoudige kamer niet. Ik wijs er in dit verband op dat de wet het begrip poortraadsheer niet kent. Wel kan op grond van art. 411a, eerste lid, Sv, voor zover hier van belang, de raadsheer-commissaris behorende bij het gerechtshof indien het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep nog niet is aangevangen op verzoek van de raadsman nader onderzoek verrichten. Dat onderzoek kan onder meer bestaan uit het horen van getuigen. Door de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting staat de vraag of enig (nader) onderzoek is geboden evenwel louter ter beoordeling van de zittingsrechter. [9] De wet kent daarnaast beslissingen van de voorzitter die voorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting kunnen worden genomen. [10] Ook daar is de meervoudige kamer niet aan gebonden. [11]
NJ2017/294 m.nt. Myjer. Daarin ging het, als bekend, om een strafzaak waarin twee getuigen die belastende verklaringen hadden afgelegd nadien waren verhuisd naar Letland. Daar hadden zij, hoewel zij daartoe opgeroepen waren, uiteindelijk niet bij een rechter, in bijzijn van de verdediging, een verklaring afgelegd. Inzake de in dit soort zaken vereiste inspanningen overweegt het EHRM (met weglating van verwijzingen):
all reasonable efforts’) om de aanwezigheid van de getuige te verzekeren. Ook uit uitspraken die het EHRM na Schatschaschwili heeft gewezen blijkt dat het gewicht van de getuigenverklaring in de bewijsconstructie evenwel van groot belang is bij de beoordeling of het niet horen van een in het buitenland woonachtige getuige uiteindelijk (‘
assessing the overall fairness of the trial’) een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert. Een korte weergave van enkele uitspraken die deels voor en deels na Schatschaschwili zijn gewezen kan het beeld wellicht verhelderen.
their alleged absence from Armenia’ (rov. 81). En stelt vast dat niet duidelijk is ‘
what efforts were made by the police to locate those witnesses other than finding out that they were absent from their permanent places of residence’ (rov. 82). Het EHRM oordeelt dat de inspanningen van de autoriteiten ontoereikend waren (rov. 84) en stelt vast dat de verdachte ‘
was unreasonably restricted in his right to examine witnesses whose testimony played a decisive role in securing his conviction’ (rov. 86). Art. 6 EVRM Pro is geschonden.
the trial court made all reasonable efforts to secure JH’s attendance at the trial. On three occasions the trial court requested police assistance in the service of the summons and in establishing his whereabouts’ (rov. 56). Verder is het van oordeel ‘
that the untested statements of JH were not the sole or decisive evidence for the outcome of the case’(rov. 58). Verder wijst het EHRM erop dat de verdachte ‘
did not question the reliability of JH’s statements at the hearing and challenged only the reliance of the trial and the appellate courts on the untested evidence of this witness’ (rov. 62). Art. 6 EVRM Pro is niet geschonden.
a good reason for the non-attendance’ van deze getuige bij de terechtzitting was. En stelt vast dat ‘
there is nothing in the case file to suggest that any efforts whatsoever were made at any stage to ensure E.R.’s attendance at the proceedings against the applicant, even though her whereabouts were not unknown’ (rov. 36). Bij het beoordelen van ‘
the trial’s overall fairness’ stelt het EHRM dat ‘
the sole evidence on which the applicant’s conviction was based’ de verklaring van de getuige was (rov. 49). En het hecht ‘
significant weight’ aan het feit dat ‘
the national courts did not even attempt to summon E.R. to the applicant’s trial’ (rov. 52). Art. 6 EVRM Pro is geschonden.
a good reason for the non-attendance’ van deze getuigen bij de terechtzitting was. En ziet deze zaak als ‘
an instance of potentially unreachable witnesses, where the domestic courts have failed to resort to international legal assistance’. Het EHRM meent dat de autoriteiten ‘
had at their disposal the means to locate and summon them and yet there is nothing in the case file to suggest that any efforts were made to obtain their attendance at the proceedings against the applicants’. Maar het EHRM attendeert er vervolgens op dat ‘
the absence of “good reason” is not the end of the matter because it is a consideration which is not in itself conclusively indicative of a lack of fairness in a criminal trial’ (rov. 44).
decisive evidence’ geen sprake is. Daarbij neemt het in aanmerking dat het hof de schuld van elk van de verdachten op schriftelijk bewijs had gebaseerd, waaronder een proces-verbaal van een politieagent die had gezien dat twee van de verdachten omkoopsommen accepteerden. Het zou echter wel bewijs zijn dat ‘
carried significant weight, and the admission thereof may have entailed a handicap for the defence’ (rov. 49). In de context van de ‘
counterbalancing factors’ neemt het EHRM in aanmerking dat de verklaringen van de vrachtwagenchauffeurs in het opsporingsonderzoek in aanwezigheid en onder leiding van een rechter waren afgenomen (rov. 53) en dat de verdachten de gelegenheid hadden gehad ‘
to present their own version of events and to cast doubt on the credibility of the absent witnesses’. Vastgesteld wordt dat ‘
the defence did not allege any incoherence or inconsistency in the truck drivers’ testimonies’(rov. 54). Uiteindelijk concludeert het EHRM bij het beoordelen van ‘
the overall fairness of the trial’, na nog enkele factoren in aanmerking te hebben genomen, en na nog eens te hebben vastgesteld dat het niet om ‘
decisive evidence’ ging (rov. 62), dat art. 6 EVRM Pro niet is geschonden.
decisive evidence’. Wat de ‘
counterbalancing factors’ betreft, kan worden vastgesteld dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet in aanwezigheid van een rechter zijn afgelegd. Het stond de verdediging evenwel vrij om deze te bekritiseren en incoherente en inconsistente elementen aan te wijzen. Dat heeft de verdediging niet gedaan. Het verhoor van [betrokkene 1] is ook pas voorafgaand aan de berechting in hoger beroep verzocht.
decisive evidence’ sprake is en of sprake is van ‘
counterbalancing factors’. Als zo’n totaalbeoordeling wordt gemaakt, komt het mij voor dat art. 6 EVRM Pro niet is geschonden.
decisive evidence’ sprake is, met inspanningen als welke in casu geleverd zijn kan worden volstaan. Zeker als de toegevoegde waarde van additionele inspanningen die worden voorgesteld zo twijfelachtig is. Het adres is door de getuige opgegeven tijdens een verhoor in Nederland in januari 2013. Hij had zich daarvoor (uit [plaats]) naar Nederland begeven, en daarmee het opgegeven adres kennelijk achter zich gelaten. Blijkens het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 11 juli 2017 is in 2016 en in het voorjaar van 2017 in totaal zes keer via de geëigende kanalen geprobeerd te achterhalen of de verdachte (weer) op dat adres in [plaats] verbleef. Die pogingen zijn zonder resultaat gebleven. Wat kan onder die omstandigheden in redelijkheid van het sturen van een brief (waarvan de inhoud door de raadsman niet nader is geduid) worden verwacht?
tweedemiddel klaagt dat de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover zij inhoudt dat de verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of doorreis wederrechtelijk was, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Zonder de verklaringen van [betrokkene 1] zou het bewezenverklaarde ‘wist of ernstige redenen had te vermoeden’ niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. De steller van het middel stipt daarbij aan dat de verklaring van de verdachte die volgens het hof ‘volstrekt onbegrijpelijk’ zou zijn niet als bewijsmiddel is opgenomen terwijl het hof evenmin met voldoende mate van precisie heeft aangeduid welke verklaring dit betreft en waar die in het dossier te vinden is.
derdemiddel klaagt dat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat ’s hofs oordelen dat (1.) geen sprake is van een schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn en dat (2.) ten nadele van de verdachte meeweegt dat het bewezenverklaarde ‘uit winstbejag’ is gepleegd onbegrijpelijk zouden zijn.
NJ2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad inzake de toetsing van het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop voor de uitspraak waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld het volgende overwogen:
Stb.645 is dit bestanddeel niet in de strafbaarstelling van het nieuw geformuleerde eerste lid opgenomen. De memorie van toelichting merkte daarover op: [19]
‘3. Mensensmokkel
Verhoging van de strafmaat op mensensmokkel, D. F. Slobbe en M. M. C. Kuipers, Universiteit Twente, oktober 1999). Naar aanleiding van deze observatie heeft het openbaar ministerie dit punt nader bekeken. Dit onderzoek leverde het volgende beeld op. In mensensmokkelzaken waarbij informatie was verkregen in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek op basis van taps, observaties of huiszoeking, was in het algemeen voldoende bewijs voorhanden om winstbejag te bewijzen. Er waren geen signalen ontvangen dat in grote of middelgrote zaken de eis van het bewijs van winstbejag tot problemen leidt. In zaken waarbij een persoon op heterdaad bij de grens wordt aangehouden en waarin geen onderzoek aan die aanhouding is voorafgegaan, bleek het niet altijd eenvoudig om dit bewijs te leveren.