Conclusie
Nummer18/04353
De middelen namens de verdachte
“Straftoemeting (indien bewezen)
Op te leggen straf
Opvattingen over art. 15, derde lid, Sr in relatie tot de strafoplegging en -motivering
2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan. 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien: a. de rechter op grond van artikel 14a heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd.
[…]”
Stb. 2007, 500). Voor die tijd was de VI-regeling ook van toepassing op deels voorwaardelijke vrijheidsstraffen. Die combinatie leidde er echter in bepaalde gevallen toe dat sprake was van twee deels samenvallende modaliteiten aan uiteenlopende voorwaarden en proeftijden (met verschillende herroepingsprocedures), nog daargelaten dat door de verschillende regelingen soms nog maar een klein deel voor tenuitvoerlegging resteerde. Een dergelijke overlapping werd door de wetgever onwenselijk beschouwd en daarom met invoering van het derde lid onder a onmogelijk gemaakt. Dat neemt niet weg dat over de afbakening tussen de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de voorgestelde regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling Kamervragen waren gesteld. Zo vroegen de leden van de VVD-fractie of te rechtvaardigen is dat degene met een onvoorwaardelijke straf eerder voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld dan degene met een deels voorwaardelijke straf en of deze discrepantie te voorkomen is. De toenmalige minister Hirsch Ballin van Justitie antwoordde als volgt:
NJ2013/33 (rov. 2.3) [8] – enerzijds geen rechtsregel eraan in de weg dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met de manier waarop de op te leggen straf zal worden ten uitvoer gelegd, de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling daaronder begrepen, maar schrijft anderzijds niet enige rechtsregel de rechter voor daarmee wel rekening te houden. Mogelijk heeft daarbij een rol gespeeld dat het voor de strafopleggende rechter onzeker is of en, zo ja, daadwerkelijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld zal worden. [9] Hoe dit ook zij, zeker is wel dat de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl die keuze geen motivering behoeft. Daaruit spreekt al wel dat de Hoge Raad in cassatie terughoudend is om de straftoemetingsvrijheid van de rechter in te perken. [10]
NJ2013/33 leidde, de strafmotivering van het hof onder meer het volgende inhield:
Daartegenover staat, het hof zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden, dat blijkens het uittreksel uit het algemeen documentatieregister de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De verdachte die momenteel in het buitenland woonachtig is en niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, heeft aan het hof een brief doen toekomen. Deze brief houdt in - kort gezegd - dat hij diepe spijt betuigt aan zowel zijn stiefdochter als zijn ex-echtgenote. Het hof acht enerzijds aannemelijk dat de verdachte spijt heeft van zijn handelen, anderzijds moet worden vastgesteld dat de verdachte niet de moeite heeft genomen zich hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep, te verantwoorden voor zijn handelen. Het hof zal, mede om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, een gedeelte van acht maanden van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en zal daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden.
De raadsman van de verdachte heeft er bij pleidooi echter op gewezen dat na het instellen van het hoger beroep op 19 september 2008 en de uiteindelijke behandeling in hoger beroep op 16 maart 2011 bijna dertig maanden hebben gelegen. Dit is een schending van het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM, waarmee in de strafmaat rekening gehouden dient te worden.
Op grond van het tijdsverloop, zoals door de raadsman aangegeven, is het hof met de raadsman van oordeel dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Deze overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM dient te leiden tot strafvermindering. Het hof zal daarom in plaats van de voormelde gevangenisstraf van dertig maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf opleggen van dertig maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, hetgeen het hof, gelet op al het voorgaande, passend en geboden acht."
Chiarello v. Germany) overwogen:
alleen[mijn cursivering, A-G] sprake van [is] dat het deel voorwaardelijke gevangenisstraf als compensatie zou moeten dienen voor de termijnoverschrijding”. [15]