Conclusie
3.Het eerste middel
1 subsidiair:
4.Het tweede middel
6.Causaliteit
redelijkis.
Parket bij de Hoge Raad
Op 5 november 2016 veroorzaakte verdachte als passagier in een auto een ernstig verkeersongeval door met kracht aan de handrem te trekken terwijl het voertuig met circa 70 km/u reed. Dit leidde tot een slip, botsing tegen een pilaar van een spoorwegviaduct, de dood van een inzittende en zwaar lichamelijk letsel van de bestuurder.
Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte voor roekeloosheid op grond van artikel 6 en Pro 175 WVW 1994 tot achttien maanden gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid. Verdachte stelde cassatie in met twee middelen: betwisting van het oordeel over roekeloosheid en over de causaliteit/toerekening van de gevolgen.
De Hoge Raad bevestigt dat roekeloosheid als zwaarste schuldvorm hoge eisen stelt, waaronder dat een buitengewoon onvoorzichtige gedraging een zeer ernstig gevaar heeft veroorzaakt en dat verdachte zich daarvan bewust was of had moeten zijn. Het trekken aan de handrem tijdens het rijden, waardoor het voertuig slipte en een ongeval veroorzaakte, voldoet aan deze criteria. Verdachte was zich bewust van het gevaar, maar ging lichtzinnig uit van het niet intreden daarvan.
Ook oordeelt de Hoge Raad dat de gevolgen van het ongeval, ondanks factoren als drugsgebruik en het niet dragen van gordels door slachtoffers, redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend. De aanwezigheid van andere oorzaken doorbreekt de causaliteitsketen niet.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, behoudens een formele aanpassing van de wijze van toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het trekken aan de handrem tijdens het rijden roekeloosheid oplevert en dat de gevolgen van het ongeval aan verdachte kunnen worden toegerekend.