Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen tot een hoger bedrag ‘dan waarvoor het bedrag in hoger beroep was ingediend/beperkt’.
van € 4.000,00 (vierduizend euro) bestaande uit € 3.800,00 (drieduizend achthonderd euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
€ 4.000,00 (vierduizend euro) bestaande uit € 3.800,00 (drieduizend achthonderd euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
NJ1999/274 was de vraag aan de orde of intrekking van een vordering door (toen nog) de beledigde partij tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep mogelijk was. Uw Raad overwoog dat de in de artikelen 332 tot en met 337 (oud) Sv en 421 (oud) Sv vervatte regeling niet met zoveel woorden voorzag ‘in de mogelijkheid tot intrekking van een door middel van voeging in het strafproces ingediende vordering’. Maar gelet op de strekking van deze regeling, het in staat stellen van het slachtoffer van een strafbaar feit ‘om op eenvoudige en betrekkelijk informele wijze en zonder dat dienaangaande de civiele rechter behoeft te worden geadieerd, het bedrag van de geleden schade (…) door de strafrechter te doen vaststellen en dienaangaande een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen’ bestond er ‘geen goede grond om aan te nemen dat de wetgever die mogelijkheid heeft willen uitsluiten’. En dat gold volgens Uw Raad ook ten aanzien van de voeging in hoger beroep. Er is geen reden om ten aanzien van de huidige regeling van de voeging door de benadeelde partij anders te oordelen. [4]
NJ2019/380 m.nt. Vellinga heeft geformuleerd:
NJ2019/468 m.nt. Vellinga leidden deze rechtsregels bij een veroordeling wegens (onder meer) ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming’ tot vernietiging van de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen. ’s Hofs oordeel dat bij de benadeelde partijen telkens sprake was van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ was, zo besliste Uw Raad, ‘onjuist, althans onbegrijpelijk’. Voor zover het hof had geoordeeld ‘dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel (…) te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens’. En voor zover ‘het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad’ gaf dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans was dat oordeel niet begrijpelijk. [7]
tweedemiddel klaagt dat het gerechtshof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd zonder daarbij de redenen op te geven die in het bijzonder hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
Op te leggen sanctie
derdemiddel klaagt dat het gerechtshof op het verweer inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn en de gevolgen daarvan een beslissing heeft genomen die zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
length of proceedings’ gewoonlijk vooropstelt, en daarvan uitgaand beoordeelt of dit verdragsvereiste is geschonden. [17]
- het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] in die zin vermindert dat dit € 3.758,00 bedraagt, waarbij de duur van de gijzeling als bedoeld in artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering 47 dagen bedraagt;
- met verwerping van het beroep voor het overige.