Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
)is vermeld kan worden afgeleid dat [verweerders 1 en 2] er zelf vanuit ging dat ook over de mestsilo afspraken tot stand zijn gekomen. Dit wordt bevestigd in de brief van Meesters die hiervoor in rov. 3.2.1 onder e) is aangehaald. Ten slotte staat vast dat de omwonenden hun bezwaren hebben ingetrokken kennelijk nadat zij op basis van de gedane toezeggingen van [verweerders 1 en 2] de (gerechtvaardigde) verwachting hadden dat deze zouden worden nagekomen. Hierop baseert het hof het vermoeden dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt die inhouden dat de mestsilo zou worden verplaatst naar een locatie die voor de omwonenden geen hinder (meer) zou kunnen opleveren. [verweerders 1 en 2] zal worden toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die dit vermoeden kunnen wegnemen.”
onderdeel I.2dat het bestreden oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Het hof vermeldt namelijk niet welke door [verweerder 2] gestelde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan de beslissing om toegelaten te worden tot tegenbewijs en evenmin waarom deze feiten en omstandigheden, ondanks al hetgeen waarop het hof in rov. 4.2 dit vermoeden baseert, voldoende zouden zijn voor deze toelating tot tegenbewijslevering.
naar de [b-straat] te […]en dat [verweerders 1 en 2] rechtstreeks in strijd handelen met de gemaakte afspraken door de mestsilo niet te verplaatsen naar de [b-straat], doch naar de [a-straat 2] te [plaats], zijnde het akkerbouwbedrijf van zijn vader [verweerders 3 en 4] (onderstreping A-G).
ontkrachtzou zijn”, onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof miskent dat gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:35 BW Pro) niet alleen kan volgen uit een harde toezegging dat de mestsilo verplaatst zou worden naar een locatie die voor de omwonenden geen hinder (meer) zou kunnen opleveren, maar ook kan volgen uit alle omstandigheden van het geval.
althans dat [eisers]zijn uitlatingen aldus hebben mogen opvatten. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat de mestsilo weinig aandacht kreeg. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat het gerechtvaardigde vertrouwen alleen kan volgen uit een harde toezegging. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag.