Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
nietheeft uitgelegd. Anders dan Verisure meent, is deze omstandigheid van belang in het kader van de vraag of zij [werknemer] toen ter zake heeft geïnformeerd. Er kan immers sprake zijn van een patroon van inadequate informatievoorziening en dat beeld rijst op uit de door [werknemer] overgelegde verklaringen. De enkele omstandigheid dat [werknemer] in oktober en november 2019 mogelijk ten onrechte niet adequaat heeft geprotesteerd tegen de wijze waarop Verisure de bonus over die maanden had berekend, kan niet leiden tot het oordeel dat ervan dient te worden uitgegaan dat Verisure de bonus (dus) correct had berekend. Hoewel Verisure in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan, laat staan een concreet bewijsaanbod op dit punt, wordt zij, mede gelet op het belang van deze zaak en de eventuele precedentwerking ervan, - ambtshalve - in de gelegenheid gesteld met getuigen te bewijzen dat zij [werknemer] tijdens diens sollicitatiegesprek heeft uitgelegd hoe haar bonussysteem (in haar optiek) werkt.
4.Principaal cassatieberoep
Proceskosten” in de EB. Onderdeel 2 klaagt over de (gedeeltelijke) toewijzing van de overwerkclaim in rov. 3.5.2 TB en rov. 2.6 EB en onderdeel 3 richt zich tegen de (volledige) toewijzing van de geclaimde niet-genoten vakantiedagen in rov. 2.7 EB en toekenning van de wettelijke rente in rov. 2.11 EB.
nee, want’-verweeren een
‘ja, maar’-verweer. Het ‘nee’ ziet bij een zuivere betwisting op het weerspreken van de stellingen van eiser en ‘want’ betekent dat die betwisting gemotiveerd moet zijn. Het ‘ja’ bij een bevrijdend verweer houdt op zich een erkenning in van de door eiser gestelde feiten en het ‘maar’ dat eraan wordt toegevoegd behelst dat er (ook) een andere rechtsregel toepasselijk is die maakt dat de vordering moet worden afgewezen [4] .
stelplicht [6] , die in het algemeen voortvloeit uit het materiële recht: uit de toepasselijke materiële rechtsregel volgt welke feiten gesteld en bij voldoende betwisting bewezen moeten worden om het beoogde rechtsgevolg te laten intreden [7] . Voor die feiten heeft de betreffende partij in beginsel de
bewijslast.
bewijsrisicodragen [9] . De termen ‘stelplicht’, ‘bewijslast’ en ‘bewijsrisico’ houden aldus verband met elkaar dat de partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept de daartoe vereiste feiten moet stellen (stelplicht) en bij voldoende betwisting moet bewijzen (bewijslast), anders treedt het gewenste rechtsgevolg niet in (bewijsrisico) [10] . Voor bewijslevering is niet steeds vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk vast komen te staan; het kan genoeg zijn dat deze
voldoende aannemelijkworden gemaakt [11] . A-G De Bock typeert een bewijsoordeel in een civiele procedure in 3.25 van haar al aangehaalde conclusie vóór
X/Decorals ‘vooral een kwestie van het afwegen van de (al dan niet onderbouwde) argumenten die vóór of tégen een bepaald feit zijn aangevoerd. Dat (…) berust (uiteindelijk) op de rechterlijke waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat door partijen over en weer zijn aangevoerd.’
bewijs van het tegendeelleveren, oftewel bewijzen dat het (oorspronkelijk te bewijzen) feit zich
nietheeft voorgedaan. Indien zij niet in dit bewijs van het tegendeel slaagt, moet het door de andere partij ingeroepen rechtsgevolg worden erkend (en dus de vordering worden toegewezen) [18] .
voorshandsaannemen dat een bepaald door deze partij gesteld – en door diens wederpartij voldoende betwist – feit zich heeft voorgedaan (of dat een bepaalde uitleg van een contractuele bepaling de juiste is, zoals in onze zaak speelt) [21] . Dit wordt een voorshands bewijsoordeel, een rechterlijk (bewijs)vermoeden of een voorshandsconstructie genoemd.
niethet bewijsrisico heeft) kan tegen een bewijsvermoeden en een (weerlegbaar) wettelijk vermoeden altijd
tegenbewijsleveren [22] .
Tegenbewijsleveringgaat minder ver dan het leveren van
bewijs van het tegendeel. Voldoende voor geslaagd tegenbewijs is dat de op het vermoeden berustende vaststelling door het tegenbewijs wordt
ontzenuwd [23] . Zo zou tegenbewijs geleverd kunnen worden door feiten te bewijzen die de voorshands bewezen geachte feiten onaannemelijk maken of uitsluiten. Tegenbewijs kan er ook in bestaan dat de bewijsmiddelen of bewijsconstructies waarop het voorshands geleverd geachte bewijs is gebaseerd, worden ontkracht [24] . In de regel is voldoende dat
twijfelwordt gezaaid over het voorliggende bewijs, en wel in die mate dat de aanvankelijke overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht en deze niet (meer) vermoedt dat de stellingen van de partij op wie het bewijsrisico rust, juist zijn [25] .
processuele consequentieverbonden dat
eerst de wederpartijvan de partij die de bewijslast heeft gelegenheid krijgt tegenbewijs te leveren. Anders dan bij een ‘normale’ bewijslevering, begint de enquête na een voorshands bewijsoordeel dus met het leveren van tegenbewijs. Puur processueel gezien wordt in deze context ook wel de term ‘bewijslast’ gebruikt om aan te geven dat op de wederpartij nu als eerste de last rust bewijs – in de vorm van tegenbewijs – te leveren [26] . Dat dat verwarring kan opleveren, illustreert onze zaak, zoals hierna aan de orde komt. Toelating tot tegenbewijs houdt namelijk geen verschuiving van de bewijslast en het bewijsrisico in naar de wederpartij. Indien de wederpartij
in het leveren van tegenbewijs slaagt, herleeft het bewijsrisico voor de partij die eerst kon profiteren van de voorshandse bewezenverklaring. Bij gebrek aan nieuw geleverd bewijs door die partij die het bewijsrisico nog steeds heeft en zich op het (rechts)feit (blijft) beroep(t)(en), zal de rechter dan oordelen dat het (rechts)feit niet afdoende is bewezen met als gevolg dat het gestelde (rechts)feit niet vaststaat [27] . Als daarentegen de wederpartij
geen afdoende tegenbewijsheeft geleverd, dan zal het voorshands gegeven bewijsoordeel bij einduitspraak definitief worden [28] . Anders gezegd vormt de voorshandsconstructie geen uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, maar zoals Van den Brink het treffend uitdrukt juist een ‘verfijnde toepassing’ daarvan [29] .
Kampelmann-arrest dat de informatieplicht ook dan onder omstandigheden gevolgen kan hebben voor de bewijslastverdeling [42] . In deze zaak vroegen werknemers om inschaling in een hogere salarisgroep, maar dit werd geweigerd omdat de hun oorspronkelijk meegedeelde functiewaardering onjuist was en zij volgens werkgever in een lagere functiegroep zaten die niet in aanmerking kwam voor inschaling in een hogere salarisgroep. Het HvJEG stelde voorop dat de nationale rechterlijke instanties de nationale regels van bewijslast in het licht van het doel van de richtlijn (bescherming van werknemers tegen miskenning van hun rechten) moeten toepassen en uitleggen. Aan de door de werkgever verstrekte informatie kan een bewijsvermoeden worden ontleend ten voordele van de werknemer dat de verstrekte informatie juist is, maar het Hof tekent daarbij aan dat de werkgever altijd tegenbewijs moet kunnen leveren om aan te tonen dat de informatie in de kennisgeving van de werkgever als zodanig onjuist is (punt 34), of door de feiten gelogenstraft (punt 35) [43] .
Kampelmannen in de wetsgeschiedenis steun te vinden voor de opvatting dat uit art. 7:655 BW Pro een (weerlegbaar) wettelijk bewijsvermoeden voortvloeit [44] . Dit past volgens hem ook in de lijn van de rechtspraak dat onduidelijkheid in de informatieverschaffing over de inhoud van de arbeidsovereenkomst in beginsel in de risicosfeer van de werkgever ligt [45] . De Nederlandse rechter heeft ook los van wettelijke vermoedens de vrijheid om in voorkomend geval een voorshandsconstructie te hanteren, zoals hiervoor is besproken.
Subonderdeel 1.1.1bevat de rechtsklacht dat het hof ten onrechte in rov. 3.4.4-3.4.6 TB en rov. 2.4 EB de bewijslast voor de vraag hoe de bonusregeling moet worden uitgelegd heeft omgekeerd en bij werkgever heeft gelegd, kennelijk op basis van een schending van de op haar rustende informatieplicht uit art. 7:655 lid 1 onder Pro h BW. Schending van art. 7:655 lid 1 BW Pro leidt niet tot een bewijslastomkering indien tussen werkgever en werknemer een geschil bestaat over de uitleg van de betreffende arbeidsvoorwaarde (de bonusregeling), omdat die bepaling geen “
bijzondere regel” is in de zin van art. 150 Rv Pro waaruit een van de hoofdregel afwijkende bewijslastverdeling voortvloeit.
subonderdeel 1.1.2is dat, voor zover dit niet is miskend, maar het oordeel zo moet worden begrepen dat de bewijslastomkering is gebaseerd op de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van art. 150 Rv Pro, dit oordeel ook onjuist is. Dat kan alleen bij bijzondere omstandigheden en de rechter dient daarbij terughoudendheid te betrachten. Schending van de informatieplicht uit art. 7:655 lid 1 BW Pro is daarvoor onvoldoende. Ook de door het hof in rov. 3.4.4-3.4.6 TB en rov. 2.4 EB genoemde (en in de PI onder B.1. samengevatte) omstandigheden [46] , al dan niet in combinatie met de vastgestelde schending van art. 7:655 lid 1 BW Pro, kwalificeren niet als bijzondere omstandigheden die een omkering van de bewijslast kunnen rechtvaardigen. Zonder nadere motivering blijkt althans niet dat het hof de gepaste terughoudendheid heeft betracht en is onvoldoende begrijpelijk dat deze omstandigheden (al dan niet in combinatie met de op art. 7:655 lid 1 BW Pro gebaseerde schending) zouden moeten leiden tot een bewijslastomkering.
voorshands heeft aangenomendat de uitleg van bonusregeling die werknemer voorstaat voor juist moet worden gehouden, waarna werkgever in de gelegenheid wordt gesteld tegenbewijs te leveren. Een voorshandsconstructie dus. Partijen verschillen immers van mening over de juiste uitleg van de voor werknemer geldende bonusregeling en de uitwerking daarvan in het door werkgever aan werknemer verstrekte booklet en componentenschema. Werknemer, die voor zijn loonvordering volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro het bewijsrisico draagt, heeft gesteld dat het op basis van het booklet en componentenschema berekende bonusbedrag conform de arbeidsovereenkomst in zijn geheel moet worden uitbetaald,
bovenophet bassalaris. Werkgever heeft zich verweerd met de stelling dat de bonusbedragen alleen worden uitgekeerd voor zover deze het basissalaris overtreffen (rov. 3.4.2 TB). Op basis van een waardering van de wederzijdse stellingen en het bewijsmateriaal waar partijen zich op beroepen en de beschermingsgedachte van art. 7:655 BW Pro, heeft het hof hier de voorshandsconstructie toegepast dat uitleg van werknemer het meest voor de hand ligt, maar dat werkgever tegenbewijs kan leveren en daaraan het volgende ten grondslag gelegd:
nietin de desbetreffende sollicitatiegesprekken (of op enig ander moment) heeft uitgelegd, hetgeen kan wijzen op een patroon van inadequate informatievoorziening door werkgever (rov. 3.4.6 TB).
dubbelzinnig” is of “
geen volledige duidelijkheid” geeft, niet dat werkgever ‘dus’ zijn informatieplicht heeft geschonden.
omvang van het overwerk [62] uit prod. 36. Werknemer krijgt in de tussenbeschikking gelegenheid bij na de getuigenverhoren te nemen akte te onderbouwen tot welk concreet bedrag het overwerkoverzicht zou moeten leiden, waarop werkgever dan vervolgens mag reageren. Het hof heeft het vervolgens in rov. 2.6 EB
de hoogte van de vergoeding van de gemaakte overurenvastgesteld.
rechthad op een overwerkvergoeding gelet op art. 9 lid 4 van Pro de oproepovereenkomst: is dat overwerk op verzoek van werkgever verricht en is dat overmatig te bestempelen in de zin van deze bepaling? Er is door werkgever aangevoerd dat zij werknemer
nietheeft verzocht over te werken en dat het overwerk geen overmatige omvang had aangenomen. Op deze en hetgeen werknemer daartegen heeft ingebracht [63] is het hof niet (kenbaar) ingegaan, zodat ik subonderdeel 2.1 zie slagen. Na verwijzing (vanwege het betrekkelijke ondergeschikte punt zou dat naar ik meen in de vorm van een terugverwijzing kunnen [64] ) moeten de hier bedoelde ‘voorvragen’ nog feitelijk-inhoudelijk worden onderzocht.
Subonderdeel 3.1klaagt dat het oordeel in rov. 2.7 EB dat werknemer onweersproken heeft gesteld gedurende het hele dienstverband 35,42 vakantiedagen te hebben opgebouwd onbegrijpelijk is, nu dit door werkgever wel is betwist bij verweerschrift EA 4.8.
Subonderdeel 3.2klaagt dat de passage uit rov. 2.11 EB dat geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente, ook onbegrijpelijk is, nu daartegen wel verweer is gevoerd bij verweerschrift EA 7.8 (matigingsverweer) onder verwijzing naar 7.3-7.6 (met als argumenten voor matiging de aard van het geschil, de buitensporige hoogte van het bedrag in relatie tot het vermeende verwijt aan het adres van werkgever, de opstelling van werknemer en onredelijke cumulatie tussen wettelijke verhoging en wettelijke rente).
Voor zover het hof heeft gemeend dat het (zonder nadere motivering) aan deze verweren voorbij mocht gaan, klaagt
subonderdeel 3.3dat dit rechtens onjuist is. Gelet op de positieve zijde van de devolutieve werking moest het hof deze in eerste aanleg gevoerde verweren in zijn beoordeling te betrekken, omdat werkgever deze niet heeft prijsgegeven (maar juist uitdrukkelijk heeft gehandhaafd bij verweerschrift HB 1.3 en 4.80) en de kantonrechter de vorderingen van werkgever had afgewezen.
onweersprokenheeft gesteld gedurende het hele dienstverband 35,42 vakantiedagen te hebben opgebouwd (rov. 2.7 EB), maar daarmee is miskend dat werkgever daartegen in eerste aanleg het niet in hoger beroep prijsgegeven verweer heeft gevoerd dat het door werknemer gestelde aantal van 35,42 opgebouwde vakantiedagen onjuist is, onder verwijzing naar prod. 21. Ik citeer verweerschrift EA 4.8:
Productie 21volgt een afschrift met daarin relevante e-mailcorrespondentie inclusief het totaal aantal opgebouwde vakantiedagen.’
geel is geaccentueerd, is dit aantal vervolgens in één oogopslag te zien: ‘Totaal opgebouwd’ onder het kopje ‘Wettelijk’: 21 en onder het kopje ‘Bovenwettelijk’: 5.5, dus tezamen 26,5 dagen. Het tabelletje wordt in de email toegelicht met verwijzing naar een uitdraai uit het verlofregistratiesysteem, dat is bijgevoegd. Het lijkt mij hier zonder meer duidelijk te zijn geweest voor rechter en wederpartij waar het hier om ging – het juiste aantal opgebouwde verlofdagen, met één blik te zien op de eerste pagina van prod. 21, waar naar wordt verwezen: 21 + 5.5 = 26.5. Van een in strijd met de procesorde komend ‘zoekplaatje’ is hier bepaald geen sprake. Subonderdeel 3.1 in verbinding met 3.3. treft dan ook doel.
subonderdeel 3.3zien op de toewijzing van de gevorderde wettelijke rente. Daarover overweegt het hof niet dat die claim onweersproken is, zoals bij het aantal vakantiedagen, maar dat daartegen door werkgever ‘
geen verweer’ is gevoerd. Die formulering verdient geen schoonheidsprijs, omdat er wel verweer is gevoerd in eerste aanleg in de vorm van een beroep op matiging van de wettelijke rente in de sleutel van art. 6:109 BW Pro [71] , onder verwijzing naar dezelfde matigingsargumentatie die was gevoerd tegen toekenning van de wettelijke verhoging in dat verweerschrift onder 7.3-7.6. Bedoeld is kennelijk met deze afwijzing door het hof dat dat summiere verweer onvoldoende is bevonden, zodat daartegen geen voldoende
gemotiveerdverweer is gevoerd door werkgever, waarmee dit verweer dan impliciet is verworpen. Het is wel een beslispunt of hier niet ten minste had mogen worden verwacht dat het hof (met een enkel woord) in zou gaan op de gevoerde matigingsargumentatie van de kant van werkgever (bij welke matiging de rechter overigens terughoudendheid past, zoals werknemer bij verweerschrift in cassatie terecht aangeeft [72] ); als geoordeeld wordt dat dat had moeten gebeuren en niet (kenbaar) is geschied, zou ook op dit punt gecasseerd moeten worden en in dat geval zal een nadere feitelijke beoordeling moeten volgen door de feitenrechter – naar wil voorkomen in dit geval van een betrekkelijk ondergeschikt punt: na terugverwijzing naar hetzelfde hof [73] . Ik bepleit dat niet als hoofdlijn.
5.Incidenteel cassatieberoep
Finaal Adviesgroep/Allerzorg,al aangehaald, rov 3.2: van een partij op wie de stelplicht rust kan niet worden gevergd dat zij een stelling onderbouwt voor zover de voor die onderbouwing benodigde gegevens zich bevinden in het domein van haar wederpartij en zij daar geen toegang toe heeft. Bij die stand van zaken ligt het eerder op de weg van de wederpartij om in het kader van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat zij de partij met de stelplicht aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van haar stelling. Afhankelijk van de
specifieke omstandigheden van het geval(en dus niet in zijn algemeenheid) kunnen zodoende lichtere eisen aan de stelplicht van in ons geval werknemer worden gesteld wanneer de voor de onderbouwing van bepaalde stellingen benodigde gegevens zich geheel in het domein van werkgever bevinden, zodat op werkgever een verzwaarde stelplicht (ofwel verzwaarde motiveringsplicht)
kankomen te rusten [77] . Ook Beenders en Interfurth merken in hun JBPr-noot onder
Finaal Adviesgroep/Allerzorgop dat een op de casus toegespitste toepassing van de domeinleer hen logisch voorkomt, gegeven de ratio van de verzwaarde motiveringsplicht die aan een lichtzinnige toepassing daarvan in de weg staat [78] . Die ratio is dat zonder een dergelijke verzwaarde motiveringsplicht bewijslevering te zwaar of zelfs illusoir kan worden, met als gevolg dat de rechtsbescherming te zeer in het gedrang komt [79] . Het enkele gegeven dat bepaalde gegevens zich in het domein van de wederpartij bevinden, is op zich nog niet toereikend om een verzwaarde motiveringsplicht aan te nemen; daar zijn bijzondere omstandigheden voor nodig; enkele bewijsnood rechtvaardigt geen bewijsverlichting [80] .
benodigdvoor onderbouwing van de stelling van werknemer dat ook na de eerste vier maanden substantieel is overgewerkt, zodat niet verbaast dat het hof hierin geen aanleiding heeft gezien tot bewijsverlichting in de door werknemer voorgestane vorm. Van andere ‘bijzondere omstandigheden’ in de hiervoor besproken zin (waar de klacht overigens ook geen beroep op doet) blijkt niet uit het partijdebat of de vastgestelde feiten. In gelijke zin verweerschrift werkgever incidenteel cassatieberoep 1.4-1.8. Daar ketst deze klacht al op af.
vanaf februari 2020– en dus tot januari 2021 – niet heeft onderbouwd. Het in de klachten bedoelde overzicht uit prod. 48 bestrijkt maar drie maanden van deze periode van elf maanden, namelijk april tot en met juni 2020
.Niet onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof dat onvoldoende heeft geoordeeld. In zoverre kan de klacht niet tot cassatie leiden.