Conclusie
Nummer19/03515
Het cassatieberoep
De zaak
De middelen
eerste middelkomt op tegen de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] niet voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde mogen worden gebruikt omdat de verdediging in hoger beroep niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuige te ondervragen. Geklaagd wordt dat de verwerping van dit verweer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”
Ad 1. Behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid
Voor het geval de gang van zaken met betrekking tot het horen van getuige [betrokkene 1] wel zou moeten leiden tot de conclusie dat niet gesproken kan worden van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van de betrokken getuige, geldt het volgende.
Ad 2. Beslissende mate voor bewezenverklaring
- Het hof heeft ter terechtzitting van 1 juli 2019 [betrokkene 1] ontzegd zich te beroepen op haar verschoningsrecht voor zover het vragen betrof met betrekking tot de herkenning van de verdachte, de foslo-confrontatie en het opstellen van de compositietekening, zodat de verdediging haar op die punten ten overstaan van de rechters die in hoger beroep over de zaak van de verdachte hebben geoordeeld heeft kunnen ondervragen;
- De verdediging is aanwezig geweest bij de verklaring die [betrokkene 1] op vragen van het hof heeft afgelegd als verdachte in haar eigen strafzaak, bij welke gelegenheid [betrokkene 1] ook is ondervraagd over andere onderdelen van haar eerdere verklaringen. Op verzoek van de verdediging is van deze verklaring een proces-verbaal opgemaakt en gevoegd in de zaak van de verdachte;
- De verdediging heeft vervolgens (ook in hoger beroep) de mogelijkheid gehad de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen te betwisten en heeft daar ook (ruimschoots) gebruik van gemaakt.
Conclusie
Schatschaschwili tegen Duitslandhet beoordelingskader uiteengezet op grond waarvan de strafrechter dient te beoordelen of het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht verenigbaar is met art. 6 EVRM Pro. [1] Uitgangspunt is dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid niet eraan in de weg staat dat een door de niet-ondervraagde getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk strafproces. Aan die eisen kan in het bijzonder zijn voldaan doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – doordat het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. [2]
NJ2014/257. In die zaak had een getuige (een medeverdachte) bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging aanvankelijk wel verklaard, maar zich vervolgens beroepen op zijn verschoningsrecht. De Hoge Raad overwoog dat de getuige wel vragen had beantwoord ten aanzien van die onderdelen van de verklaring waarover de verdediging hem wilde horen. De klacht dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid was geweest de getuige te ondervragen, faalde. De verdediging had immers in enig stadium van de procedure, te weten bij de rechter-commissaris, de gelegenheid gehad de getuige te ondervragen. [7]
tweede middelbehelst de klacht dat de afwijzende beslissing van het hof op het (voorwaardelijk) verzoek tot het houden van een ‘reconstructie’ in de woning waar het onder 1 primair bewezen verklaarde feit heeft plaatsgevonden onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
constitutievevoorwaarde dat het hof ‘zou neigen enigerlei materiaal uit het dossier als bewijs te hanteren’. In verband hiermee overweegt het hof als volgt.
derde middelhoudt in dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.