Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middeldat het hof ten onrechte en niet begrijpelijk heeft verworpen het namens de verdachte gevoerde verweer dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van het Tallon-criterium.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
'Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest in verband met de delicten inzake de handel en gebruik van vals geld. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de strafbare feiten zou hebben gepleegd als [betrokkene 4] (die optrad als informant voor de CIE) hem daartoe niet had overgehaald. Onder andere het feit dat [betrokkene 4] door de overheid kreeg betaald voor het verstrekken van informatie over strafbare feiten heeft hem er kennelijk toe gebracht verdachte over te halen om te bemiddelen bij de vals geld transactie. [betrokkene 4] heeft kunnen handelen zoals hij gehandeld heeft, omdat het toezicht van de CIE faalde. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.'
NJ1980/356 m.nt. Th.W. van Veen, heeft de Hoge Raad het standaardcriterium voor uitlokking geformuleerd, het zogenoemde Tallon-criterium. In de zaak die voorafging aan deze uitspraak, sloot de verdachte, Bruce Tallon, die al enige tijd in drugs handelde, een deal met twee personen die later (undercover)agenten van het Amerikaanse Drug Enforcement Agency bleken te zijn. Zij deden zich voor als (mede)criminelen en (mede)handelaren in verdovende middelen, om in overleg met hun chef en in samenwerking met de politie en de officier van justitie op een later tijdstip de aanhouding van één of meer verdachten te bewerkstelligen. In de strafprocedure werd het verweer gevoerd dat de verdachte door de agenten tot de deal zou zijn aangezet en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Door zowel de rechtbank als het hof werd dit optreden echter aanvaard. [1] Omdat het openbaar ministerie het van belang achtte dat ook de Hoge Raad zich over deze opsporingsmethodiek zou uitspreken, werd cassatie in het belang der wet ingesteld. Nu de verdachte door het optreden van de beide agenten niet was gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht, oordeelde ook de Hoge Raad dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde was. Aldus mag volgens het (Tallon-)criterium een infiltrant zijn wederpartij niet tot andere handelingen brengen dan hij reeds van plan was. Zou de infiltrant dat wel doen, dan zou de overheid criminaliteit bevorderen. Dat zou niet alleen in strijd zijn met het Tallon-criterium, maar ook met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. [2]
NJ2010/440 draaide om medeverdachte [betrokkene 1] , de zojuist genoemde Turkse man die door de burgerinformant was benaderd. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613,
NJ2010/441 en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0656,
NJ2010/442, betroffen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] , de twee Bulgaren. In al deze zaken had het hof geoordeeld dat de runner het reële risico onder ogen had moeten zien van een mogelijke betrokkenheid van de informant bij de overdracht van vals geld, die “gelijkenis vertoonde met die van de burgerpseudo-koper ex art. 126ij Sv, zonder dat aan enige daaraan in dat artikel gestelde formele voorwaarde was voldaan.”
NJ2010/440 ( [betrokkene 1] ) oordeelde de Hoge Raad daarop als volgt:
NJ2010/441 ( [medeverdachte 2] ) oordeelde de Hoge Raad als volgt:
NJ2010/442 ( [betrokkene 3] ) oordeelde de Hoge Raad ten slotte als volgt:
i)is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl het opzet van de verdachte tevoren niet reeds op het begaan van het strafbare feit was gericht en
ii)dat hij hiertoe is gebracht door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is.
Op te leggen sanctie