Conclusie
e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro). IIF Holding verwijt [eiser] onder meer dat hij als algemeen directeur niet transparant is geweest over het feit dat hij samen met zijn broer eigenaar en verhuurder is van het pand waarin IIF Holding gevestigd is en IIF Holding heeft gebonden aan een huuruitbreiding en een forse stijging van de huurprijs terwijl slechts een deel van het pand werd gebruikt.
1.Feiten
managing director. Vanaf 1 oktober 2012 is hij voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij IIF Holding in de functie van algemeen directeur, met een arbeidsomvang van zestien uur per week.
de behoefte aan meer inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de stichting, haar belangen en de relaties met haar deelnemingen”.
2.Procesverloop
ernstigverwijtbaar handelen vereist in plaats van niet ongekwalificeerd verwijtbaar handelen. Daarvoor geeft de tekst van deze bepaling noch de toelichting daarop, anders dan bijvoorbeeld in art. 7:673 lid 1 sub b of Pro lid 7 sub c BW, aanknopingspunten, aldus de kantonrechter (rov. 5.15.). [9]
Artikel 2 – Functie-inhoud en functievervulling
beleidsvoorbereiding en beleidsformulering, en daarmee het realiseren van de operationele, beleidsmatige, financiële en personele doelstellingen van de organisatie van de werkgever binnen de kaders zoals vastgesteld door de Stichting in haar hoedanigheid van aandeelhouder van de werkgever.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
e-grond die in deze zaak centraal staat. Daarbij zal, met het oog op de klachten in onderdeel 1, onder meer, aan de orde komen dat:
e-grond geen ontslag op staande voet ‘light’ is;
e-grond daarom niet vereist is dat het ontslag een ‘laatste redmiddel’ is;
e-grond ‘situatieafhankelijk’ is en dus een beoordeling van de omstandigheden van het geval vergt;
e-grond besloten ligt dat voor de werknemer vooraf kenbaar moet zijn dat het bewuste gedrag voor de werkgever niet toelaatbaar is.
aen
b, dan kan de werkgever uitsluitend opzeggen. Art. 7:671 BW Pro bepaalt voor dat geval dat hij alleen rechtsgeldig kan opzeggen, een aantal uitzonderingen daargelaten, als de werknemer daarmee schriftelijk heeft ingestemd. Wanneer geen sprake is van schriftelijke instemming van de werknemer of de werkgever deze niet wil afwachten, mag de werkgever opzeggen na een daartoe verkregen toestemming van het UWV (de route van art. 7:671a BW). Bij de andere in art. 7:669 lid 3 BW Pro genoemde ontslaggronden (onder
ctot en met
i) is het de kantonrechter die op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbindt (de route van art. 7:671b BW). [24]
d-grond’);
e-grond’);
f-grond’);
g-grond’)
atot met
gaan de orde zijn (‘
h-grond’).
e-grond die in de onderhavige zaak centraal staat.
e-grond hebben we niet te maken hebben met de herplaatsingseis. Herplaatsing ligt namelijk niet in de rede, zo blijkt uit de laatste zin van art. 7:669 lid 1 BW Pro, indien sprake is van ‘verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer’ als bedoeld in het derde lid (de
e-grond). Achtergrond hiervan is dat een ontslag op deze grond een sanctie is op ontoelaatbaar gedrag van de werknemer. [33]
e-grond bedoelde verwijtbare handelen of nalaten. Ook de memorie van toelichting geeft niet veel houvast:
e-grond zouden kunnen opleveren: niet nakoming van de re-integratieverplichtingen door de werknemer (art. 7:660a BW) [35] en een dringende reden voor ontslag.
e-grond oplevert. Een van de redenen daarvoor is dat voor een dringende reden voor ontslag is verwijtbaarheid niet steeds vereist is. [36] Een dringende reden waarbij verwijtbaarheid ontbreekt, levert dus geen
e-grond op. Uit de wetsgeschiedenis mag ook niet worden afgeleid dat voor een succesvol beroep op de
e-grond eigenlijk een dringende reden (inclusief verwijtbaarheidselement) vereist is althans een gedraging die daar (zeer) dicht tegen aan ligt, zodat ontbinding op de
e-grond een ‘light’-versie zou zijn van ontslag op staande voet wegens dringende reden. [37] Het gevaar daarvan is dat vereisten die specifiek bij ontslag op staande voet wegens dringende reden aan de orde zijn, worden doorgetrokken naar beëindiging op de
e-grond. Zo is bij ontslag op staande voet wegens dringende reden bijvoorbeeld uitgangspunt dat het ontslag een ‘laatste redmiddel’ (
ultimum remedium) is. [38] Omdat beëindiging op de
e-grond geen ‘light’-versie is van ontslag op staande voet wegens dringende reden, geldt die ‘laatste redmiddel’-eis hier echter niet. [39]
e-grond oplevert. Vereist is, zo blijkt uit de wettekst, een
verwijtbaar handelen of nalaten zodanigdat van de
werkgever in redelijkheidniet kan worden verlangd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Dat laatste aspect krijgt ook nadruk in de zojuist geciteerde wetsgeschiedenis (randnummer 3.11 hiervoor). Dat daarbij ook het woord ‘ernstig’ valt, betekent niet dat voor een succesvol beroep op de
e-grond ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is vereist. De memorie van toelichting spreekt ook van “
zodanig ernstig handelen of nalaten” en niet van “
zodanig ernstigverwijtbaarhandelen of nalaten” (onderstreping van mij, A-G). [40] Er hoeft dus geen sprake te zijn van een gekwalificeerd verwijtbaar handelen of nalaten, waarvoor de wetgever in het huidige ontslagrecht soms bewust heeft gekozen. [41] Wel is vereist dat het gaat om een verwijtbaar handelen of nalaten zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Dat kan bijvoorbeeld worden bepaald door de
ernstvan het aan de werknemer te maken verwijt, maar kan net zo goed te maken hebben met de
aardvan het te maken verwijt. Zo is voorstelbaar dat het gedrag van de werknemer niet als ernstig verwijtbaar te bestempelen is, maar in verband met het daardoor bij de werkgever geschonden vertrouwen, toch beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de
e-grond rechtvaardigt.
e-grond, vergt uiteindelijk een beoordeling van de omstandigheden van het geval. Relevant zijn daarbij bijvoorbeeld: [42]
e-grond niet kan worden gezien als een ‘light-versie’ van ontslag op staande voet. Dat betekent ook dat voor een ontslag op de
e-grond, anders dan bij ontslag op staande voet, niet het uitgangspunt geldt dat dit het ‘laatste redmiddel’ (
ultimum remedium) is, anders gezegd: dat ontslag alleen mogelijk is wanneer de werkgever met minder ingrijpende middelen niet kan volstaan.
e-grond is evenmin vereist dat de werkgever de werknemer voor hetzelfde of vergelijkbaar gedrag eerst heeft gewaarschuwd of in verband daarmee disciplinaire maatregelen heeft getroffen. Dit sluit aan bij de Beleidsregels Ontslagtaak UWV. [44] Of de werkgever eerder vanwege hetzelfde of vergelijkbaar gedrag minder ingrijpende maatregelen heeft getroffen, kan wel een rol spelen bij de vraag of het voor de werknemer vooraf kenbaar was dat zijn gedrag niet toelaatbaar was.
e-grond besloten, zo blijkt uit de memorie van toelichting:
een werknemer van tevoren duidelijk zijn geweest wat wel of niet door de werkgever als toelaatbaar wordt gezien(behoudens uiteraard evidente zaken als diefstal e.d.). Bovendien moeten
eisen die aan een werknemer worden gesteld gangbaar en niet buitensporig zijn. Van buitensporige eisen is bijvoorbeeld sprake als van een werknemer wordt verlangd te handelen (of na te laten) in strijd met wet- of regelgeving.” [45] (onderstrepingen van mij, A-G)
vooraf kenbaarzijn geweest dat het bewuste gedrag voor de werkgever niet toelaatbaar (en grond voor beëindiging) is. [46] Ontbreekt die kenbaarheid, dan kan van (een succesvol beroep op) de
e-grond geen sprake zijn.
omstandigheden van het gegeven geval. Ook de reactie van de werkgever op soortgelijk gedrag in het verleden kan een rol spelen. Kan de werknemer bijvoorbeeld aantonen dat de werkgever dit soort gedrag in het verleden heeft getolereerd, dan kan van kenbaarheid vooraf bij de werknemer moeilijk worden gesproken. Bijkomende omstandigheden, zoals een waarschuwing door de werkgever, zijn dan nodig. [50]
e-grond van de werkgever verwacht dat hij op een duidelijke manier de werknemer kenbaar heeft gemaakt dat zijn gedrag door hem (werkgever) niet wordt getolereerd en kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarin ligt soms ook een ‘verbeterkans’ voor de bewuste werknemer besloten (een ‘gewaarschuwd mens’ weet wat hij in het vervolg moet doen of nalaten). De gewenste duidelijkheid vooraf kan de werkgever scheppen door het consistent toepassen van een duidelijk (individueel of collectief) beleid (categorie (ii)) of kan voortvloeien uit een eerder door hem getroffen minder ingrijpende maatregel vanwege vergelijkbaar gedrag (categorie (iii)). Als het gaat om evident ontoelaatbaar gedrag, is zulke verdere ‘actie’ van de werkgever niet nodig.
e-grond worden getrokken:
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten is niet vereist;
e-grond moet niet worden beschouwd als ontslag op staande voet ‘light’; aan een ontslag op staande voet te stellen eisen (zoals dat ontslag een ‘laatste redmiddel’ is) zijn dan ook niet zonder meer aan de orde bij ontbinding op de
e-grond;
ernsten
aardvan het aan de werknemer te maken verwijt en de
aard van de werkzaamhedeneen rol;
e-grond kan geen sprake zijn wanneer voor de werknemer niet vooraf kenbaar was dat het betreffende gedrag voor de werkgever niet toelaatbaar was en dus een grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou kunnen opleveren;
subonderdeel 1.1formuleert [eiser] een tweetal rechtsklachten. In de eerste plaats klaagt [eiser] dat het hof in rov. 3.10-3.11 heeft miskend dat toewijzing van een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro alleen mogelijk is indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een verwijtbaar handelen van de werknemer dat zodanig ernstig is dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarin ligt volgens [eiser] onder meer besloten dat de werkgever moet hebben aangetoond dat het ontslag het laatste redmiddel is en niet kan worden volstaan met lichtere disciplinaire maatregelen zoals een waarschuwing, op non-actiefstelling, schorsing of tijdelijke stopzetting van de loondoorbetaling aan de werknemer (eerste rechtsklacht). Volgens [eiser] is daarnaast vereist dat sprake is van overschrijding van voor de werknemer kenbare gedragsregels. Het moet voor de werknemer immers duidelijk zijn wat door de werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd alvorens de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan overgaan. De werknemer moet een reële kans krijgen en niet zijn overgeleverd aan de grillen van de werkgever. Het hof heeft zich volgens [eiser] in rov. 3.10 en 3.11 van deze toets geen (kenbare) rekenschap gegeven (tweede rechtsklacht).
e-grond alleen als ‘laatste redmiddel’ kan worden ingezet en dat de werkgever dus alleen op deze grond tot ontslag kan overgaan wanneer niet met lichtere maatregelen kan worden volstaan (randnummers 3.12, 3.15 en 3.24, onder (ii), hiervoor). Hierop stuit de eerste rechtsklacht af.
e-grond is vereist dat het voor de werknemer vooraf duidelijk is wat ontoelaatbaar gedrag is voor de werkgever, is dit natuurlijk juist. In de
e-grond ligt inderdaad de eis besloten dat het voor de werknemer
vooraf kenbaaris dat het gedrag dat hem wordt verweten voor de werkgever ontoelaatbaar is. Die kenbaarheid vooraf bij de werknemer kan op verschillende manieren ontstaan (randnummers 3.19-3.22 hiervoor). Uiteindelijk komt het erop neer dat van de werkgever wordt verwacht dat de werknemer vooraf kenbaar is gemaakt dat het betreffende gedrag voor de werkgever niet acceptabel is en een beëindigingsgrond kan opleveren (in zekere zin is de werknemer dan een ‘gewaarschuwd mens’ en kan hij daarmee in zijn gedrag rekening houden). Dit is anders bij evident ontoelaatbaar gedrag. Daarvan moet, ook zonder nadere actie van de werkgever, voor de werknemer kenbaar zijn dat het gedrag een beëindigingsgrond kan opleveren (randnummer 3.23 hiervoor). In het oordeel van het hof ligt besloten dat hiervan sprake is geweest. Het hof heeft derhalve niet miskend dat sprake moet zijn van een overschrijding van voor de werknemer kenbare gedragsregels. Daarmee faalt ook de tweede rechtsklacht. Ter nadere toelichting geldt nog het volgende.
e-grond is overgegaan.
subonderdeel 1.3betoogt [eiser] dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat sprake was van een belangenconflict bij het aangaan van de verplichting tot uitbreiding van de huur en dat [eiser] IIF Holding hierover had moeten inlichten, niet te rijmen is met het feit dat het bestuur van IIF Holding in 2014 zelf het besluit tot huuruitbreiding had genomen en daarvan derhalve op de hoogte was, terwijl [eiser] toen nog geen algemeen directeur was van IIF Holding en daarmee geen bemoeienis heeft gehad. [56]
gebonden” aan de huuruitbreiding. Ook hiertegen is [eiser] in cassatie niet opgekomen.
e-grond op (rov. 3.10 en 3.11). De zelfstandige verantwoordelijkheid van [eiser] als algemeen directeur staat in het oordeel van het hof dus centraal. De stellingen van [eiser] dat IIF Holding in 2014 op de hoogte was van de huurconstructie, dat het de wens van de stichting IIF is geweest om de huur uit te breiden en dat [eiser] [betrokkene 1] in november 2015 daarover had geïnformeerd doen daaraan, wat daarvan ook zij, niet af. Het hof heeft in zijn oordeel met voornoemde, volgens [eiser] , ‘essentiële gegevens’ rekening gehouden. Het hier bestreden oordeel kan ook een begrijpelijkheidstoets doorstaan. [58]
subonderdeel 2.1aan de orde dat het hof heeft miskend dat de rechter een relevant en gespecificeerd getuigenbewijsaanbod moet honoreren en een dergelijk aanbod alleen van de hand mag wijzen op relevante en toereikende gronden.
Subonderdeel 2.2bouwt vervolgens, met een motiveringsklacht, op deze klacht voort.