Conclusie
Nummer19/02970
Bewezenverklaring en bewijsvoering
1. Een proces-verbaal opgemaakt te Venlo, op 23 april 2014. d.d. 8 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1], en [verbalisant 2]:
Het hof begrijpt: achterbank) zat mij een document te overhandigen. Zij overhandigde mij een Roemeense identiteitskaart ten naam gesteld van: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]-1980 te [geboorteplaats]. Ik, [verbalisant 1], vroeg de vrouw waar zij heen ging. Ik zag dat de vrouw haar schouders ophaalde en hoorde haar in gebrekkig Engels zeggen “I don’t know”. Zij verklaarde onder meer, dat zij op weg zijn naar vrienden van [medeverdachte] in België, dat zij niet weet waar deze vrienden wonen, dat zij niet weet hoe lang zij er zullen verblijven, dat zij [verdachte] vandaag voor het eerst heeft gezien, dat zij in het verleden als prostituee heeft gewerkt, dat zij een tatoeage heeft met een naam er in, dat deze naam [betrokkene 1] is en zij verder niets wil vertellen over [betrokkene 1] en dat zij 4 dagen in Dordmund is verbleven.
[a-straat 1]
[plaats]
T e l . [telefoonnummer]
tot prostitutie brengen" in de zin van art. 250ter (oud) Sr mede verstaan dient te worden "
iedere gedraging gericht tegen een persoon ertoe strekkende deze te belemmeren in zijn vrijheid met prostitutie op te houden ongeacht de omstandigheden of deze daarbij vrijwillig betrokken is geraakt dan wel reeds eerder bij prostitutie betrokken was”. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat dit criterium ook van toepassing is bij de interpretatie van het bestanddeel “
tot prostitutie brengen" in de zin van art. 273f lid 1 sub 3 Sr.
uitbuiting" in de zin van art. 273f Sr (evenals het vroeger het geval was bij art. 273a oud Sr) is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij komt o.a. betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die meegebracht worden voor het vermeende slachtoffer, het economische voordeel dat daarmee behaald zou kunnen worden. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Het gaat derhalve om mondige prostituees.
de overtuigingdat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] aan het bewezen verklaarde schuldig heeft gemaakt voorts ontleend aan de omstandigheid dat beiden wisselende, onderling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over hun reisdoel en de relatie tussen medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer]. Het hof heeft de inhoud van die verklaringen in het arrest reeds weergegeven met verwijzing naar de pagina’s in het voormelde politiedossier. Hieronder wordt die weergave voor de volledigheid herhaald:
Het eerste middel
NJ2016/314 m.nt. Van Kempen heeft Uw Raad overwogen dat deze gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. [2] ‘Uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van art. 273f Sr, is – zo heeft Uw Raad aangegeven - niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. [3] In HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
NJ2010/598 m.nt. Buruma heeft Uw Raad overwogen dat ‘in een geval als het onderhavige’ onder meer betekenis toekomt aan ‘de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’, terwijl bij de weging van deze en andere relevante factoren ‘de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader (dienen) te worden gehanteerd’. Het ging in die zaak evenwel om personen die tewerk waren gesteld in een Chinees restaurant. Het gegeven kader is niet geformuleerd met het oog op een zaak waarin het gaat om (het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van) prostitutiewerkzaamheden. Daarmee is overigens niet gezegd dat aan deze factoren geen betekenis toekomt in de situatie van seksuele uitbuiting. [4] In die zaken ligt het accent evenwel meer op rechtstreekse vaststellingen van onvrijwilligheid. Bij de invulling van de vereiste mate van onvrijwilligheid is HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235,
NJ2002/546 van belang. In die zaak was sprake van prostitutiewerkzaamheden. Uw Raad overwoog daarin dat een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’ door de wetgever als ‘uitbuitingssituatie’ is aangeduid. [5]
NJ2016/314 m.nt. Van Kempen had de verdachte een vliegticket voor betrokkene geboekt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de betrokkene had bevestigd dat zij ‘een kamer had betaald om te kunnen werken’. In HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2928 had de verdachte met de betrokkene contact gelegd in Roemenië en haar van het vliegveld opgehaald. A-G Vegter wees erop dat de betrokkene werkdagen maakte van dertien uren. Maar deze enkele vaststelling zou niet het oordeel kunnen dragen dat sprake was van mensenhandel. Na cassatie volgde in deze zaak wederom een veroordeling, die in HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:891 in stand bleef. Uw Raad wees er in laatstgenoemd arrest onder meer op dat het hof had vastgesteld dat de betrokkene ‘wat betreft haar verblijfplaats, vervoer en communicatie met derden volledig afhankelijk was van de verdachte en zijn broer’ en dat zij ‘van het door haar verdiende bedrag van 400 à 500 euro niets in haar bezit had’.
Het tweede middel
NJ1982/258. De verbalisanten hadden op straat een hen bekende verslaafde zien lopen die een plastic tas met zich droeg. Zij vroegen hem wat er in die tas zat, waarop hij antwoordde dat er vier boeken in de tas zaten. Toen zij hem vroegen waar hij die boeken vandaan had, antwoordde hij dat hij de boeken even tevoren gestolen had. Uw Raad oordeelde dat uit het relaas van verbalisanten niet noodzakelijk voortvloeide dat zij reeds op het moment van aanspreken van de betrokkene ‘te zijnen aanzien een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27, eerste lid, Sv aanwezig achtten’. In HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8773,
NJ2012/398 m.nt. Van Kempen was de verdachte aangehouden wegens overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Onderweg naar het politiebureau vertelde hij uit eigen beweging dat hij ‘iets heel ergs had gedaan’. Toen de agent hem vroeg ‘wat hij dan gedaan had’, antwoordde hij dat hij zijn vriend had doodgestoken. Het hof oordeelde dat de aan de verdachte gestelde vraag niet kon worden aangemerkt als een vraag ‘betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt’. Uw Raad overwoog dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was. [17] In HR 16 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8838,
NJ1985/806 had een aanrijding plaatsgevonden en was door een getuige het kenteken gezien van de auto die betrokken was bij de aanrijding. De verbalisant begaf zich daarop naar het perceel waar de persoon woonde aan wie het kenteken was afgegeven en trof voor het perceel een beschadigde auto aan. De verbalisant belde aan en vroeg aan de man die opendeed of hij de bestuurder van de auto was geweest, wat de man vervolgens bevestigde. Uw Raad overwoog dat de wetenschap die de verbalisant had hem er geenszins toe dwong ‘aan te nemen dat een redelijk vermoeden bestond dat degene die bij aanbellen aan voormeld perceel opendeed zich had schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit van het begaan waarvan de geconstateerde aanrijding een vermoeden had opgeleverd’.