Conclusie
medeplegen van afpersing” en het onder 6 bewezenverklaarde “
oplichting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld. Verder heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen tot de in het arrest genoemde bedragen en aan de verdachte voor diezelfde bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Tot slot heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat de gedeelten van twee eerder opgelegde vrijheidsstraffen die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer zijn gelegd, alsnog geheel worden ondergaan.
Tros Opgelichtvan 29 maart 2016, waarin de handelwijze van de verdachte en [betrokkene 1] aan de kaak werd gesteld.
5 primair:
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gebruikgemaakt van schakelbewijs voor de bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair.
modus operandivan de delicten, dat wil zeggen: de wijze waarop het delict is uitgevoerd. [1] Het resultaat van zo’n vergelijking kan zijn dat er op dit punt opvallende gelijkenissen tussen bepaalde delicten worden waargenomen. De vraag rijst dan of dat toevallig is, of dat er een verband is tussen deze delicten doordat zij zijn begaan door dezelfde dader(groep). Wanneer de variatie in een bepaald gedragspatroon tussen verschillende personen (de interindividuele variatie) voldoende groot is, en de variatie in dat gedragspatroon van één persoon (de intra-individuele variatie) voldoende klein is, kan een bepaald gedragspatroon onderscheidend zijn voor een individu ten opzichte van andere individuen. [2] Indien de aangevers van verschillende delicten in hun beschrijving van de toedracht van die delicten (onafhankelijk van elkaar) overeenkomstige melding maken van een dergelijk kenmerkend gedragspatroon, kunnen de bedoelde gelijkenissen in een bepaalde mate beter worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door een en hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de gelijkenissen (dus) louter op toeval berusten. Indien bovendien op bepaalde feitelijke gronden mag worden aangenomen dat het eerstbedoelde ene individu de verdachte betreft, mag de rechter die verhoogde kans ten bezware van de verdachte in aanmerking nemen bij de bewijsvoering voor de desbetreffende delicten. Waar het bij schakelbewijs met name om gaat is dat de rechter in dat geval bewijsmateriaal voor een van die delicten ook mag gebruiken als indirect bewijs voor bepaalde bestanddelen van de andere delicten. Dat heet ‘schakelen’.
modus operandi) tot voorbeeld genomen. Dit gedragsaspect is voor het gebruik van schakelbewijs evenwel inwisselbaar voor
iederespecifieke omstandigheid waarvan de constatering bij twee of meer verschillende delicten invloed heeft op de kans dat die delicten door hetzelfde individu zijn begaan. Schakelen komt dus mogelijk voor toepassing in aanmerking wanneer bij de vergelijking van delicten specifieke, onderscheidende overeenkomsten worden waargenomen, terwijl significante verschillen ontbreken, ten aanzien van de plaats en/of het tijdstip van de delicten (bijvoorbeeld twee inbraken kort na elkaar in buurpanden), het object van het delict, en het instrument van het delict, maar ook bij overeenkomstig bewijsmateriaal ten aanzien van bijvoorbeeld handschrift, taalgebruik, locatiegegevens van een mobiel toestel, enzovoort. [3]
slachtoffervan verschillende delicten telkens dezelfde persoon betreft. Een vrouw wordt bijvoorbeeld door een (vooralsnog) onbekende man lastiggevallen over de telefoon, terwijl in diezelfde periode haar werkgever door een onbekende man wordt benaderd met lasterlijke informatie over haar. Of het geval waarin in een betrekkelijk korte periode tweemaal wordt ingebroken in dezelfde woning, vermoedelijk om de spullen die na de eerste inbraak ter vervanging van de buit zijn aangeschaft ook weer weg te nemen, geen ongebruikelijk fenomeen onder criminelen.
NJ2018/84, over schakelbewijs, te weten: “
Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.” Naar mijn inzicht heeft de Hoge Raad hiermee echter
niettot uitdrukking willen brengen dat schakelen van bewijsmateriaal uitsluitend mogelijk is bij gelijkenissen in ‘de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan’ (de
modus operandi), maar wel dat in dát geval de
modus operanditen minste ‘op essentiële punten overeenkomt’. Duidelijker is HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600,
NJ2012/279. Daarin betrok de Hoge Raad bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de bewijsvoering niet alleen de
modus operandi, maar tevens de overeenkomsten in het signalement en de woonplaats van de dader, en de (overeenstemmende) inhoud van hetgeen de dader aan twee verschillende slachtoffers had meegedeeld. [4] In HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455,
NJ2019/467, rov. 3.3.2, accordeerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat voor het bewijs redengevend is de overeenkomsten tussen de
omstandigheden waaronderde feiten zijn begaan, hetgeen een ruimer begrip is dan alleen de
wijze waaropde feiten zijn begaan. Terzijde laat de Hoge Raad in die uitspraak – m.i. terecht – weten dat schakelbewijs ook van betekenis kan zijn voor de vraag of er überhaupt delicten zijn begaan. [5]
circumstantial evidencegebruiken voor de bewijsvoering van een ander delict. Dat betreft geen rechtsvraag, maar de toepassing van probabilistische logica in de bewijsvoering, die zich in cassatie leent voor toetsing op haar begrijpelijkheid. In beginsel kan bij de beantwoording van deze vraag elke vorm van betrouwbare informatie over delicten (‘elke omstandigheid’) in aanmerking worden genomen.
waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5] ) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden” ‘identificerend’ geacht. Aldus geformuleerd hebben de desbetreffende delicten kenmerken gemeenschappelijk die m.i. kunnen bijdragen aan het oordeel dat deze delicten door dezelfde dader(s) zijn begaan. Daarvoor hoeven die gemeenschappelijke kenmerken niet uniek te zijn. Slechts is vereist dat de bewijsvoering in haar geheel beschouwd in voldoende mate uitsluit dat anderen dan de verdachte en de [betrokkene 1] de tenlastegelegde misdrijven hebben begaan.
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van het feit onder 1 primair, waarvan [slachtoffer 1] de aangeefster is.
De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna: * [001] ). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer * [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat] te [plaats] . Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] opgehaald. Die auto staat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte.”
vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur[is]
gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing.” Een voldoende nauwkeurige verwijzing naar het bewijsmiddel dat blijk geeft van deze omstandigheid ontbreekt echter in het bestreden arrest en in de bewijsmiddelencatalogus.
niet voor de volle 100%”) [slachtoffer 2] (bewijsmiddel 33), terwijl het voertuig waarvan [slachtoffer 4] en haar vriend (bewijsmiddelen 12 en 13) melding maken (kentekennummer 55JFN2) is gesteld op naam van de vriendin van de verdachte (bewijsmiddel 14) en door de verdachte meermalen is gebruikt (bewijsmiddel 32).
verdachte heeft nagelaten een aannemelijke verklaring te geven voor de hiervoor weergegeven omstandigheden.” [8]
unus testis-regel van artikel 342 lid 2 Sv Pro klaagt het
derde middelover het gebrek aan wettig bewijs voor de onder 1 primair bewezenverklaarde afpersing van een laptop.
unus testis-regel klaagt het
vierde middelover het gebrek aan wettig bewijs voor de onder 3 bewezenverklaarde afpersing.
vijfde middelklaagt over de tekortkomingen in de bewijsmotivering van de bewezenverklaring van het feit onder 3.
zesde middelklaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van de feiten 4 primair en 5 primair (betreffende de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ).
zevende middelklaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van het feit onder 6, de oplichting waarvan [betrokkene 5] aangifte heeft gedaan.
De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene “ [betrokkene 6] ”. Haar is voorgehouden dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld.”
dat hier niet ligtgeloovigheid en onnoozelheid worden in bescherming genomen, maar dat de aaneenschakeling en het onderlinge verband der verdichte feiten en omstandigheden den bedrogene door de kleur der waarheid of waarschijnlijkheid op het dwaalspoor moeten gebragt hebben.”
een zamenweefsel van verdichtsels als middel van opligting te erkennen. Tegen onwaarheid alleen moet geen bescherming worden verleend; (…) het publiek behoort daar tegen op zijn hoede te zijn.”
Met opzet is gekozen het woord samenweefsel, niet te verwarren met opeenstapeling. Het is niet voldoende dat de eene leugen wordt gestapeld op de andere, maar de eene leugen moet door de andere op zoodanige wijze waarschijnlijk werden gemaakt dat de nadenkende mensch zich daartegen evenmin kan wapenen als tegen andere middelen geschikt om de onwaarheid waarschijnlijk te maken. Zoodanig listig samenweefsel van allerlei onware beweringen is inderdaad in het maatschappelijk verkeer hoogst gevaarlijk.”
hetzij door een samenweefsel van verdichtsels” te doen vervallen uit het (inmiddels) Gewijzigd Ontwerp hield minister Modderman bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer voet bij stuk. Ik citeer hem uit de beraadslagingen:
En nu geloof ik, dat, wanneer in de wet staat: een samenweefsel van leugens, en er wordt eene dergelijke interpretatie naast gegeven, geen regter zich zal vergissen in de beteekenis van die uitdrukking, en durf ik met volle vertrouwen het oordeel aan hem overlaten.”
De eene uitdrukking, manoeuvres frauduleuses — listige kunstgrepen — onderstelt altijd eene daad, de andere, samenweefsel van verdichtsels, onderstelt alleen woorden, leugens, maar die door een onderlingen band verbonden zijn, zóó listig aaneengekoppeld en tot onderlingen steun gebezigd, dat zij een mensch van gewone verstandelijke ontwikkeling bedriegen kunnen. Of men nu het bedrog pleegt met behulp van woorden alleen, of ook van daden, doet tot het resultaat niets af; ook met woorden alleen is dit te bereiken. Ik voor mij wil ook niet elke eenvoudige leugen als een strafbaar zamenweefsel beschouwd hebben.
NJ2012/279, overwoog de Hoge Raad:
Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende "promissory notes" afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.” [11]
de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.” Daarbij zijn tevens van belang “
andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.”
de nadenkende mensch” zich daartegen niet kan wapenen. Dat is mogelijk weer anders indien de persoonlijkheid van het slachtoffer of de kwetsbare positie waarin hij of zij verkeert tot een verhoogde mate van bescherming dient te leiden, met name indien de verdachte van een en ander op de hoogte was en van die omstandigheid misbruik heeft gemaakt.
dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt.” Het komt mij voor dat dergelijke mededelingen bij de ‘nadenkende mens’ tot argwaan aanleiding hadden moeten geven. Voor niks gaat (alleen) de zon op. Als het te mooi is om waar te zijn, is het dat meestal ook. Dat [betrokkene 5] vanwege haar persoonlijkheid of vanwege een vertrouwensrelatie met de (mede)verdachte rechtens een verhoogde graad van bescherming toekomt, is door het hof niet vastgesteld.