Conclusie
ASR/Achmea-arrest, tot het oordeel gekomen dat de regresvordering van Reaal niet is verjaard. Voor de beantwoording van de vraag wanneer de schade is ontstaan, knoopt het hof aan bij het moment waarop de schade zich heeft geopenbaard/gemanifesteerd en dat is na 1 april 1990. Het hof heeft de regresvordering van Reaal op Centraal Beheer vervolgens toegewezen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2012, omdat Centraal Beheer pas vanaf die datum in verzuim was. In het principaal cassatieberoep komt Centraal Beheer op tegen het verjaringsoordeel en tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan haar polisvoorwaarden. Reaal komt in het incidenteel cassatieberoep op tegen het oordeel omtrent de wettelijke rente.
1.Feiten
2.Procesverloop
Partijen verschillen van mening over de vraag of de schade is ontstaan voordat Centraal Beheer de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar werd van het ziekenhuis (1 april 1990) en over de vraag of de betreffende schade werd gedekt door die verzekering. Zij leggen daarmee dit geschilpunt in volle omvang aan het hof voor.
loss occurrenceverzekerden, hadden primair de bedoeling (alleen) schade te dekken die zich openbaarde tijdens de looptijd van de dekking. De dekking werd echter opgerekt doordat ook sluipende schadeprocessen onder de dekking werden geschaard, ook al openbaarde de schade zich na afloop van de looptijd van de polis. Omdat de onder dat systeem geboden uitloopdekking werd opgerekt, is men vervolgens overgestapt op een ander systeem. Zulks doet echter niet af aan de bedoeling van verzekeraars (onder wie Centraal Beheer en Reaal) om dekking te bieden voor schade die zich openbaart tijdens de looptijd van de polis. Dat is het moment waarop de diagnose wordt gesteld (vallende binnen de looptijd van de polis van Centraal Beheer), waarmee de schade temporeel gezien onder de polis van Centraal Beheer valt. Gelet op de aard van de polis, een aansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van een ziekenhuis, ligt het bovendien in de rede om aan te knopen bij het manifestatiemoment. Bij medische kunstfouten manifesteert de “schade” zich meestal niét direct. Pas op het moment van diagnose weet de benadeelde immers dat hij schade lijdt als gevolg waarvan hij de verzekerde aansprakelijk kan stellen. Het moment waarop de ziekte wordt gediagnosticeerd dan wel het moment waarop het slachtoffer zich “ziek” voelt, is, aldus nog steeds Reaal, kortom het moment waarop de “schade” in de zin van een
loss occurrence-polis ontstaat. Dat was in dit geval het moment waarop [betrokkene 1] met een vliegtuig vanuit Frankrijk naar Nederland werd gevlogen met ernstige klachten (juli 1991) waarna in augustus 1992 bleek dat zijn nier voor 75% was gescleroseerd (zie onder 1.7 en 1.8 van het tussenvonnis van de rechtbank ’s Hertogenbosch van 17 november 2000, productie 1 bij inleidende dagvaarding), beide momenten vallen binnen de verzekerde periode bij Centraal Beheer.”
loss-occurrence” verzekering.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
ASR/Achmea [13] niet zou gelden voor de onderhavige regresvordering van Reaal op Centraal Beheer, omdat deze regresvordering niet zou voortvloeien uit een hoofdelijk verbonden schuldenaarschap, en bestrijdt in dat kader bovendien (impliciet) dat voor het aanvangen van de verjaring vereist is dat de vordering ontstaan en opeisbaar is. Onderdeel II is specifiek gericht tegen rov. 5.4 en het dictum van het eindarrest, waarin het hof de stelling van Centraal Beheer heeft verworpen dat de verjaringstermijn
voor de gehele vorderingeen aanvang heeft genomen op het moment van de eerste betaling van Reaal aan [betrokkene 1] (voorschotbetaling d.d. 15 juni 2001, randnummer 1.12 van deze conclusie). Onderdeel III is gericht tegen rov. 5.8 tot en met 5.16 en het dictum van het eindarrest, waarin het hof onder meer tot het oordeel is gekomen dat bij de beantwoording van de vraag wanneer de schade is ontstaan, aangeknoopt kan worden bij het moment waarop de voor vergoeding in aanmerking komende schade zich heeft geopenbaard/gemanifesteerd.
randnummers 3.2. en 3.3. van de procesinleidingklaagt Centraal Beheer over rov. 5.3 van het eindarrest, waarin het hof volgens Centraal Beheer heeft overwogen dat het verjaringsregime zoals door Uw Raad uiteengezet in het
ASR/Achmea-arrest – in welke procedure het regres werd uitgeoefend door een hoofdelijk schuldenaar – ook geldt voor de onderhavige regresvordering van Reaal op Centraal Beheer. Centraal Beheer betoogt dat het hof daarbij is uitgegaan van een verkeerde (juridische) grondslag van Reaals vordering c.q. is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting daaromtrent, omdat de verhaalsvordering van Reaal niet voortvloeit uit een hoofdelijk verbonden schuldenaarschap, zoals geregeld in art. 6:10 e.v. jo. 6:102 lid 1 BW. De grondslag van de vordering van Reaal is volgens Centraal Beheer gelegen in de samenloop- en verhaalsbepaling van art. 7:961 BW Pro en subsidiair meent Centraal Beheer, onder verwijzing in voetnoot 9 naar het
Holland/Korstanje II-arrest [14] , dat het verhaalsrecht van Reaal zijn grondslag vindt in de redelijkheid en billijkheid.
ASR/Achmea-arrest
analoogheeft toegepast en dat mocht het hof mijns inziens ook doen (zie daarvoor randnummers 3.7 e.v. van deze conclusie). Deze toepassing door het hof verrast ook niet, nu
beidepartijen in feitelijke instanties een beroep hebben gedaan op de (analoge) toepasselijkheid van het
ASR/Achmea-arrest. Zij zijn het er alleen niet over eens op welke wijze dit arrest moet worden uitgelegd c.q. analoog moet worden toegepast op de onderhavige zaak. Centraal Beheer heeft op basis van het
ASR/Achmea-arrest namelijk betoogd [15] dat het regresrecht van Reaal op Centraal Beheer is ontstaan op de dag dat Reaal de eerste betaling aan [betrokkene 1] heeft gedaan, zodat daags daarna de verjaringstermijn is ingegaan. Aansluitend hierop heeft Centraal Beheer aangevoerd [16] – op basis van onder meer het
Van B./Vereniging voor Diaconessenarbeid II-arrest [17] (waarnaar Uw Raad in het
ASR/Achmea-arrest [18] verwijst, A-G) – dat de verjaring op de volledige vordering van Reaal jegens Centraal Beheer ziet omdat voor het aanvangen van de verjaring niet is vereist dat de omvang van de vordering exact vaststaat. Reaal heeft daarentegen op basis van hetzelfde
ASR/Achmea-arrest betoogd [19] dat bij ieder afzonderlijk betaald bedrag een aparte verjaringstermijn gaat lopen. De analoge toepassing door het hof komt, kortom, niet uit de lucht vallen. Gezien het vorenstaande faalt de klacht in
randnummers 3.2. en 3.3. van de procesinleiding.
randnummers 3.4., 3.5. en 3.6. van de procesinleidingbetoogt Centraal Beheer het volgende:
de opeisbaarheid van de vorderingniet uitdrukkelijk als voorwaarde voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn wordt genoemd, maar zulks wel ligt besloten in de eis van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, en in de genoemde eis dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen;
Van B./Vereniging voor Diaconessenarbeid II-arrest [31] .
ASR/Achmea-arrest [34] kan worden afgeleid dat voor de regresvordering ex art. 7:961 lid 3 BW Pro (net als voor een regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar) geldt dat deze regresvordering pas ontstaat (en opeisbaar wordt) op het moment dat de verzekeraar de schuld aan de verzekeringnemer voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem in de verhouding tot de andere verzekeraar(s) aangaat. Hierbij merk ik opnieuw op dat Centraal Beheer ook
zelfexpliciet, met verwijzing naar het
ASR/Achmea-arrest, in feitelijke instanties heeft betoogd dat het regresrecht van Reaal op Centraal Beheer is ontstaan op de dag dat Reaal de eerste betaling aan [betrokkene 1] heeft gedaan (randnummer 3.4 van deze conclusie). [35] Nu Uw Raad in hetzelfde arrest heeft geoordeeld dat voor art. 3:310 lid 1 BW Pro geldt dat de korte verjaringstermijn niet eerder een aanvang kan nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden (ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden geleden en wie de aansprakelijke persoon is) en daarnaast in cassatie niet is bestreden dat de onderhavige regresvordering kan worden beschouwd als een rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW Pro [36] , kan niet worden gezegd dat het hof ten onrechte het verjaringsregime met betrekking tot hoofdelijk schuldenaren (zij het analoog) heeft gehanteerd. De klacht in
randnummer 3.4. van de procesinleidingfaalt daarom. De klacht uit
randnummer 3.5. en 1e zin van randnummer 3.6. van de procesinleiding van de procesinleidingkan evenmin slagen, omdat het hof niet heeft miskend dat voor het aanvangen van de korte verjaringstermijn bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon is vereist. De klacht miskent juist dat de verjaring in het regime van
ASR/Achmeaondanks bekendheid met schade en aansprakelijke persoon nog niet is gaan lopen zolang de vordering nog niet (ontstaan en) opeisbaar is (randnummer 3.8, onder v., van deze conclusie). Het hof heeft dienovereenkomstig geoordeeld (zij het dat het hof daarbij op een enkel punt de mist is ingegaan, zie de behandeling van onderdeel II hierna).
randnummer 3.6. van de procesinleidingdeelt daarmee het lot van die klachten en faalt dus.
randnummer 3.7. van de procesinleidingaan dat gegrondbevinding van onderdeel I tevens de overige overwegingen (rov. 5.2 tot en met 5.7) alsmede het dictum van het eindarrest aantast, zodat het eindarrest niet in stand kan blijven. Aangezien onderdeel I mijns inziens faalt, geldt hetzelfde voor de voortbouwende klacht uit
randnummer 3.7. van de procesinleiding.
voor de gehele vorderingeen aanvang heeft genomen op het moment van de eerste betaling op 15 juni 2001 (randnummer 4.1. van de procesinleiding). [37] In onderdeel II geeft Centraal Beheer twee lezingen van rov. 5.4 van het eindarrest, waarbij zij betoogt dat beide lezingen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een verkeerde toepassing van het recht.
randnummer 4.2. van de procesinleiding: indien rov. 5.4 van het eindarrest zo moet worden gelezen dat volgens het hof pas
enigeregresvordering is ontstaan op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2006, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting omdat met betrekking tot de eerdere betalingen in 2001 en 2005 reeds een regresvordering is ontstaan. Ongeacht de kwalificatie van dergelijke betalingen (voorschot- of deelbetaling), geldt volgens Centraal Beheer dat Reaal een opeisbare verhaalsvordering had ter zake van die betalingen. Door in afwijking hiervan te oordelen dat pas enige regresvordering zou zijn ontstaan op het moment van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
enigeregresvordering pas is ontstaan op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2006. Het hof heeft geoordeeld dat na elke betaling van een bepaald bedrag door Reaal aan [betrokkene 1] (voor meer dan het gedeelte dat Reaal aangaat) een regresvordering van Reaal op Centraal Beheer ontstaat ten aanzien van
datbedrag. De verjaring van
dieregresvordering neemt volgens het hof pas een aanvang op het moment van betaling van
datbedrag. Dit volgt uit rov. 5.3 en 5.4 van het eindarrest. In dezelfde lijn ligt rov. 5.7 van het eindarrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de regresvorderingen van Reaal op Centraal Beheer, die zijn ontstaan door de (voorschot)betalingen van Reaal aan [betrokkene 1] in 2001 en 2005, zijn verjaard en waaruit volgt dat die regresvorderingen volgens het hof derhalve (elk) een ander aanvangstijdstip voor verjaring kennen dan de regresvordering ter zake van de slotuitkering. De klacht uit
randnummer 4.2. van de procesinleidingfaalt.
randnummer 4.3. van de procesinleiding: indien rov. 5.4 van het eindarrest zo moet worden gelezen dat het hof enerzijds is uitgegaan van separate verjaringstermijnen met betrekking tot elk van de door Reaal verrichte betalingen aan [betrokkene 1] en anderzijds ervan is uitgegaan dat de verjaringstermijn met betrekking tot de door Reaal verrichte slotbetaling (ad € 231.655) op 11 mei 2006 pas op die betaaldatum een aanvang heeft genomen, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een verkeerde toepassing van het recht. Centraal Beheer licht dit toe in randnummers 4.4. en 4.5. van haar procesinleiding:
voor diens gehele vorderingeen aanvang op dat eerste moment van het ontstaan van de (letsel)schade. Daarbij geldt niet als voorwaarde of vereiste dat de gehele omvang van de schade bekend zou moeten zijn (randnummer 4.4. van de procesinleiding);
geheleregresvordering uiterlijk op 15 juni 2001 een aanvang heeft genomen. Hierbij merkt Centraal Beheer nog op dat de onjuiste rechtsopvatting/rechtstoepassing uit rov. 5.4 van het eindarrest niet afhankelijk is van de vraag of zich in casu een hoofdelijk schuldenaarschap voordoet. Ongeacht het antwoord op die vraag en ongeacht de (on)gegrondheid van onderdeel I geldt hier immers dat de voorwaarden van art. 3:310 BW Pro, inclusief opeisbaarheid van de vordering, reeds in 2001 waren vervuld, aldus Centraal Beheer. Zie ter zake ook de nadere onderbouwing die Centraal Beheer bij onderdeel II geeft in haar schriftelijke toelichting: [38] “Dit is in regresverhoudingen niet anders. Ook in gevallen van hoofdelijk schuldenaarschap en regres tussen hoofdelijk schuldenaren, ontstaat de regresvordering uiterlijk op het moment waarop de regresgerechtigde enige betaling aan de derde-benadeelde verricht. Immers, op dat moment kan deze regresgerechtigde een vordering instellen tegen de regresdebiteur. De eventuele omstandigheid dat de regresgerechtigde aan zijn verplichtingen jegens de derde-benadeelde zou voldoen door middel van betalingen op verschillende tijdstippen, brengt hierin geen verandering. Vanaf die eerste betaling beschikt de regresgerechtigde over een vorderingsrecht jegens de regresdebiteur. In casu spreekt dit des te meer aangezien Reaal meent dat haar aandeel nihil moet zijn en het aandeel van Achmea honderd procent, zodat Reaal met de eerste betaling (2001) in haar optiek reeds méér voldeed dan haar aangaat.”
ASR/Achmea-arrest weergegeven in rov. 5.3 van het eindarrest en in rov. 5.4 van het eindarrest één op één op de onderhavige zaak toegepast. Het hof heeft daarbij mijns inziens over het hoofd gezien dat Uw Raad in het
ASR/Achmea-arrest [39] aan het oordeel dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan hem in de verhouding tot de andere schuldenaar (schuldenaren) aangaat en dat dan ook de verjaringstermijn een aanvang neemt, heeft toegevoegd dat een verjaringstermijn die is gaan lopen
medegeldt voor de vergoeding van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden, omdat in zoverre sprake is van afzonderlijke elementen van de reeds ingetreden schade. Uw Raad heeft daarbij verwezen [40] naar het
Van B./Vereniging voor Diaconessenarbeid II-arrest [41] . Zie randnummer 3.8 van deze conclusie voor een uiteenzetting van het
ASR/Achmea-arrest. De klacht uit
randnummer 4.3. van de procesinleidingis derhalve terecht aangevoerd. Of de regel van het arrest
Van B./Vereniging voor Diaconessenarbeid IIin het onderhavige geval ertoe leidt dat de regresvordering inmiddels is verjaard, is aan het verwijzingshof. Daartoe zal het moeten beoordelen of de verjaringstermijn die op de voet van art. 3:310 lid 1 BW Pro is gaan lopen in 2001 in verband met de eerste betaling, mede geldt voor de betaling van Reaal aan [betrokkene 1] in 2006, omdat Reaal in 2001 redelijkerwijs kon verwachten dat zij ook deze ‘schade’ als gevolg van dezelfde ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’ zou kunnen gaan lijden. [42]
randnummer 4.6. van de procesinleidingaan dat gegrondbevinding van onderdeel II de verjaringsbeslissing als zodanig en tevens het dictum van het eindarrest aantast, zodat het eindarrest niet in stand kan blijven. Ook deze voortbouwende klacht uit
randnummer 4.6. van de procesinleidingtreft dus doel.
ontstaanvoordat Centraal Beheer de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar werd van het ziekenhuis (1 april 1990) en over de vraag of de betreffende schade werd gedekt door de bij die verzekeraar afgesloten verzekering. Het hof heeft vervolgens in rov. 5.8 overwogen dat partijen daarmee dit geschilpunt
in volle omvangaan het hof voorleggen. In rov. 5.10 van het eindarrest heeft het hof overwogen dat in de onderhavige zaak de vraag voorligt of de schade van [betrokkene 1] onder de dekking van de verzekering van Centraal Beheer valt en dat het hof bij die vraag uitgaat van de volgende feiten en omstandigheden: i) in juli 1989 is ten behoeve van de behandeling van [betrokkene 1] met het medicijn Pentasa gestart, zijn bloedwaardes waren toen normaal, ii) op 8 maart 1990 had [betrokkene 1] een verhoogde bloedwaarde van 336 µmol/L, welke bloedwaarde door de internist over het hoofd is gezien, iii) in juli 1991 [43] is [betrokkene 1] met ernstige klachten vanuit Frankrijk naar Nederland gevlogen en in het ziekenhuis opgenomen, het creatininegehalte in zijn bloed bleek 660 µmol/L te zijn en iv) in augustus 1992 is vastgesteld dat één nier van [betrokkene 1] ernstig beschadigd was en is de diagnose tubulo-interstitiële nefritis gesteld. Hierna heeft het hof in rov. 5.12 van het eindarrest het standpunt van Centraal Beheer (ten aanzien van het ontstaan van de schade) uiteengezet, waarna het hof in rov. 5.13 van het eindarrest het volgende heeft overwogen: “
Voor zover Centraal Beheer beoogt te stellen dat de schade is ontstaan op het moment dat de internist niet reageerde op de afwijkende bloedwaardes van [betrokkene 1] op 8 maart 1990, verwerpt het hof deze stelling. Geenszins staat vast dat op dat moment al sprake was van enige schade aan de zijde van [betrokkene 1] . In zoverre falen de grieven van Centraal Beheer.” In cassatie heeft Centraal Beheer geen inhoudelijke klacht gericht tegen rov. 5.13 van het eindarrest. Hiermee staat mijns inziens in cassatie vast dat het door Centraal Beheer (volgens het hof kennelijk het enige) gevoerde verweer dat door het hof onbestreden is uitgelegd als: dat de schade is ontstaan op het moment dat de internist een fout maakte op 8 maart 1990, niet kan slagen. Nu onbestreden vaststaat dat, als gezegd, Centraal Beheer volgens het hof geen beroep heeft gedaan op ontstaansmomenten (ter zake de schade) tussen 8 maart 1990 en 1 april 1990, heeft Centraal Beheer ook geen belang meer bij onderdeel III, dat uitsluitend gaat over de door het hof gegeven uitleg aan de polisvoorwaarden (het slagen van het onderdeel kan haar dan geen soelaas bieden). Ook overigens falen de klachten van onderdeel III. Ik licht dat toe.
randnummers 5.1. tot en met 5.3. van de procesinleidingmerkt Centraal Beheer op i) dat het hof uitsluitend in zijn eindarrest heeft geciteerd uit de polisvoorwaarden van Centraal Beheer (rov. 5.11 van het eindarrest), ii) dat voor zover het hof heeft verzuimd om de Reaal-polis in zijn overwegingen te betrekken ervan mag worden uitgegaan dat het hof heeft bedoeld – nu in rov. 5.15 van het eindarrest wordt gesproken van “de polisvoorwaarden” – om beide polisvoorwaarden op dezelfde wijze uit te leggen aangezien de relevante bewoordingen in beide polissen gelijkluidend zijn en iii) dat in cassatie dan ook uitgangspunt is dat voor de dekking onder de polis van zowel Reaal als Centraal Beheer beslissend is of de schade is
ontstaantijdens de duur van de verzekering.
Centraal Beheer. In cassatie is voorts niet bestreden dat sprake is van een excedent-polis van Reaal. Het hof kon daarom uitgaan van de polisvoorwaarden van Centraal Beheer, omdat voor de vraag of Reaal regres kan nemen op Centraal Beheer alleen relevant is of de schade van [betrokkene 1] is gedekt onder de polis van Centraal Beheer. Zie ook rov. 5.16 van het eindarrest waarin het hof het volgende heeft overwogen:
“Zoals hiervoor al is overwogen heeft Centraal Beheer niet betwist dat sprake is van een excedent-polis van Reaal zodat Reaal volledig regres kan nemen op Centraal Beheer.”De redenering van Centraal Beheer in
randnummers 5.1. tot en met 5.3. van de procesinleidingsnijdt geen hout.
randnummers 5.4. en 5.5. van de procesinleidingvermeldt Centraal Beheer dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd voor de uitleg van polisvoorwaarden (rov. 5.9 van het eindarrest). Centraal Beheer merkt hierover op dat het hof (vrijwel letterlijk) heeft overwogen dat die uitleg met name afhankelijk is van
objectieve factoren, zoals de
bewoordingenwaarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van de polisvoorwaarden als geheel (en in het licht van eventuele toelichtingen). Ondanks het hanteren van het juiste criterium is het hof volgens Centraal Beheer echter tot een onbegrijpelijke en onjuiste uitleg gekomen. Beslissend voor de uitleg van de polisvoorwaarden is of de schade is “ontstaan” tijdens de duur van de verzekering. Het hof heeft ter zake in rov. 5.15 van zijn eindarrest (onder meer) het volgende overwogen: “
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan in deze zaak voor de beantwoording van de vraag wanneer de schade is ontstaan aangeknoopt worden bij het moment waarop de voor vergoeding in aanmerking komende schade zich heeft geopenbaard/gemanifesteerd. Daarbij kan in het midden worden gelaten of aangeknoopt moet worden bij het moment dat de gezondheidsklachten zich openbaarden of het moment waarop de diagnose werd gesteld.”Volgens Centraal Beheer is deze redenering onbegrijpelijk, omdat zij haaks staat op en in strijd is met de
bewoordingenals relevante
objectieve factor: in taalkundig opzicht is de betekenis van de term ‘ontstaan’ (van de schade) een geheel andere dan die van de term ‘zich openbaren/manifesteren’ van de schade. In
randnummer 5.9. van de procesinleidingvoegt Centraal Beheer hieraan nog toe dat ’s hofs oordeel, daar waar het hof enerzijds uitgaat van het
Haviltex-criterium, maar anderzijds hieraan een invulling geeft die haaks staat op de bewoordingen van de onderhavige polisvoorwaarde, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onjuiste rechtstoepassing.
randnummers 5.6., 5.7. en 5.9. van de procesinleidingklaagt Centraal Beheer, samengevat en op grond van een door haar geschetste ontwikkeling in de verzekeringspraktijk, dat de term ‘ontstaan’ in de
loss occurrence-verzekering [44] niet gelijk is aan de term ‘zich openbaren/manifesteren’ en dat verzekeraars nimmer de bedoeling hebben gehad om de dekking onder de
loss occurrenceop te rekken tot en met het manifestatiemoment en dat daarom het oordeel van het hof eens te meer onbegrijpelijk is. Waar het hof in rov. 5.14 van het eindarrest het standpunt van Reaal heeft weergegeven – al dan niet bij wijze van onderbouwing van de conclusie van het hof aan het slot van rov. 5.15 van het eindarrest – moet volgens Centraal Beheer worden vastgesteld dat de daar verwoorde ‘verzekeringshistorie’ niet juist is. Ten onrechte wordt in rov. 5.14 van het eindarrest door Reaal de indruk gewekt dat het in het kader van
loss occurrence-verzekering de bedoeling zou zijn geweest van verzekeraars om dekking te bieden voor schade die zich ‘openbaart’ tijdens de looptijd van de polis. Het tegendeel is volgens Centraal Beheer het geval. Volgens Centraal Beheer kan de ontwikkeling van de verzekeringspraktijk als volgt worden weergegeven:
long tail’ schaden – problemen, omdat enerzijds een dergelijke schade zich in de regel pas na zeer geruime tijd manifesteerde/openbaarde en vaak (ver) na de expiratiedatum van de verzekering, terwijl anderzijds het ontstaansmoment van die long tail schaden in een veel eerder stadium gelegen was en veelal wél tijdens de looptijd van de verzekering. Door deze discrepantie tussen enerzijds het ontstaansmoment en anderzijds het manifestatiemoment werden verzekeraars ook lang na beëindiging van de ‘loss occurrence’ verzekeringsovereenkomst en in strijd met hun bedoelingen ten tijde van het aangaan van die verzekering geconfronteerd met schaden, die op basis van het
ontstaansmoment onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst vielen (en dus juist niet op basis van het manifestatiemoment ná expiratie van de verzekering). In verband met deze discrepantie, die zowel voor verzekerden als voor verzekeraars nadelen met zich meebracht, is de loss occurrence als verzekeringsvorm minder in zwang geraakt en zijn verzekeraars (veelal) overgestapt op de
claims madeverzekering.”
Chubb/Dagenstaed-arrest [46] . In dit arrest is geoordeeld dat het bij de uitleg van zodanige polisvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. [47]
ontstaan van schade tijdens de duur van de verzekeringdient te worden verstaan, allereerst gekeken naar de bewoordingen van de polis in het licht van de polisvoorwaarden als geheel: schade is in de polis van Centraal Beheer gedefinieerd als “letsel of aantasting van de gezondheid al dan niet de dood ten gevolge hebbend en de daarmee rechtstreeks verband houdende gevolgen”. Bij de vraag wanneer sprake is van “aantasting van de gezondheid” in de zin van de onderhavige verzekering die ook wel wordt aangeduid als een
loss occurrence-verzekering, sluit het hof zich aan bij hetgeen Reaal “gemotiveerd gesteld” heeft vanaf randnummer 5.6. van haar memorie van antwoord [48] en komt het tot de conclusie dat ook verzekeraars, onder wie Centraal Beheer, zich destijds realiseerden dat als ontstaansmoment (mede) aangeknoopt kan worden bij het moment waarop de schade zich openbaart/manifesteert. Hieruit leid ik af dat het hof kennelijk tot het oordeel is gekomen dat de verzekeringspraktijk zoals die door Reaal is geschetst onvoldoende is betwist door Centraal Beheer en dat het de door Reaal aangevoerde (feitelijke) verzekeringspraktijk als vaststaand heeft beschouwd. Centraal Beheer poogt in cassatie hiertegen uitgebreid verweer te voeren (waarbij Centraal Beheer overigens geen vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding vermeldt in de procesinleiding). Voor dit napleiten is in cassatie echter geen plaats. Ook het standpunt van Centraal Beheer dat de term ‘ontstaan’ een geheel andere zou zijn dan die van de term ‘zich openbaren/manifesteren’, kan niet slagen, nu een objectieve uitleg, als genoemd in randnummer 3.26 van deze conclusie, niet inhoudt dat de grammaticale betekenis van een term altijd doorslaggevend is; bij de uitleg van polisvoorwaarden mag bijvoorbeeld ook betekenis worden toegekend aan het gebruikte begrip in een specifieke setting zoals in een bepaald vakgebied [49] (in casu heeft het hof kennelijk de betekenis van de term ‘ontstaan’ zoals die term destijds volgens Reaal in de verzekeringswereld werd opgevat, als juist beschouwd). Verder heeft het hof nog aandacht besteed aan de redelijke verwachtingen die een verzekeringnemer (het ziekenhuis) mag ontlenen aan de dekkingsomvang van de verzekering. Het hof heeft zich, kortom, bij de uitleg van de polisvoorwaarden gebaseerd op de bewoordingen van de desbetreffende bepaling gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel [50] en de redelijke verwachtingen van een verzekeringnemer die betrokken is bij een dergelijke verzekering. [51] Van een onjuiste rechtsopvatting of van een onbegrijpelijke uitleg is mijns inziens in de onderhavige zaak geen sprake. De klachten uit
randnummers 5.4. tot en met 5.7. en 5.9. van de procesinleidingtreffen geen doel.
randnummer 5.8. van de procesinleidingnog dat het hof “kennelijk bij wijze van onderbouwing” heeft “gerefereerd aan het betoog van Reaal, vermoedelijk mede vanwege een door Reaal geciteerde passage” uit het boek van Wansink over de algemene aansprakelijkheidsverzekering. Dit citaat is volgens Centraal Beheer “echter nogal uit zijn verband gehaald”. Het citaat waar Centraal Beheer op doelt [52] luidt:
“Vanuit de gedachte dat van ontstaan eerst sprake is zodra het letsel, de ziekte of de zaakbeschadiging zich openbaart (manifesteert) is dit systeem lange tijd door verzekeraars als zeer positief beoordeeld.” [53] Deze motiveringsklacht uit
randnummer 5.8. van de procesinleidingkan niet tot cassatie leiden, omdat Centraal Beheer niet heeft onderbouwd
waaromdit citaat uit zijn verband is gehaald, terwijl dat wel had gemoeten. [54] Ook bij welwillende lezing kom ik niet tot een ander oordeel. Voor mij is niet duidelijk dat het citaat uit zijn verband zou zijn gehaald.
randnummer 5.10. van de procesinleidingaan dat gegrondbevinding van onderdeel III rov. 5.15 en 5.16 en tevens het dictum van het eindarrest aantast, zodat het eindarrest niet in stand kan blijven. Aangezien de verschillende klachten uit onderdeel III mijns inziens falen, geldt hetzelfde voor de voortbouwende klacht uit
randnummer 5.10. van de procesinleiding.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
eerste subonderdeel van onderdeel 1staat art. 6:83 aanhef Pro en sub c BW centraal. Daarin is bepaald dat het verzuim zonder ingebrekestelling, en dus van rechtswege, intreedt wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. [55] Het eerste subonderdeel voert ter zake aan dat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden op grond van art. 6:83 aanhef Pro en sub c BW, omdat Reaal (onweersproken) heeft gesteld in eerste aanleg dat Centraal Beheer reeds vele malen vóór de betaling door Reaal in 2006 te kennen heeft gegeven aan Reaal dat zij niets onder haar polis zou betalen. [56] In het licht van deze stelling van Reaal (die het hof ingevolge de devolutieve werking van het appel in zijn beoordeling diende te betrekken) is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 5.18 van het eindarrest te oordelen dat voor het intreden van het verzuim een ingebrekestelling was vereist. Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel in rov. 5.18 onbegrijpelijk, omdat het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op deze stelling van Reaal, terwijl het hof deze stelling ingevolge de devolutieve werking van het appel in zijn beoordeling dient te betrekken en daarbij zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet valt in te zien dat het beroep van Reaal op art. 6:83 aanhef Pro en sub c BW zonder meer ongegrond zou zijn. Evenmin valt zonder nadere motivering in te zien dat deze stelling “onvoldoende onderbouwd” zou zijn, zoals het hof in rov. 5.18 van het eindarrest mogelijk heeft willen oordelen.
tweede subonderdeel van onderdeel 1staat art. 6:83 aanhef Pro en sub b BW centraal. Daarin is bepaald dat het verzuim zonder ingebrekestelling, en dus van rechtswege, intreedt wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW Pro en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. Het tweede subonderdeel voert ter zake aan dat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden op grond van art. 6:83 aanhef Pro en sub b BW, omdat een regresvordering uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW Pro op één lijn moet worden gesteld met de verbintenissen bedoeld in art. 6:83 aanhef Pro en sub b BW (althans dat dit regime bij een dergelijke regresvordering naar analogie dient te worden toegepast). Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel in rov. 5.18 van het eindarrest zonder nadere motivering niet begrijpelijk, nu (zoals het hof in rov. 5.4 van het eindarrest vaststelt) de regresvordering van € 213.655 uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW Pro op 11 mei 2006 is ontstaan en deze vordering niet (laat staan: terstond) door Centraal Beheer is nagekomen (zie rov. 3.15 van het eindarrest: Centraal Beheer heeft de regresvordering niet voldaan). Hieruit kan volgens Reaal geen andere conclusie worden getrokken dan dat Centraal Beheer op 11 mei 2006 zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.
“3.8. Ter zake het tijdstip waarop de wettelijke rente is gaan lopen, merk ik op dat zulks vanaf de betaling in 2006 was. Immers, reeds vele malen voordien had Centraal Beheer aangegeven dat zij niets onder haar polis zou betalen en is het verzuim aldus ingetreden zonder ingebrekestelling op grond van artikel 6:83 aanhef Pro en sub c BW.”Uit het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg volgt dat Centraal Beheer niet op deze stelling van Reaal heeft gereageerd, terwijl uit datzelfde processtuk [57] wel blijkt dat Centraal Beheer expliciet heeft gereageerd op de omvang van de schade. Ook in hoger beroep heeft zij deze stelling van Reaal niet betwist. Centraal Beheer heeft in feitelijke instanties ‘slechts’ aangevoerd [58] dat voor het verschuldigd zijn van wettelijke rente vereist is dat de schuldenaar door de regresnemer in gebreke is gesteld waarbij zij heeft geciteerd uit een kroniek van Engelhard uit 2007. [59] Uit het door Centraal Beheer weergegeven citaat volgt dat de betwisting van Centraal Beheer ziet op toepasselijkheid van art. 6:83 aanhef Pro en sub b BW en niet op de toepassing van het door Reaal aangevoerde art. 6:83 aanhef Pro en sub c BW. In cassatie voert Centraal Beheer ook geen op art. 6:83 aanhef Pro en sub c BW betrekking hebbende verweren aan (met daarbij vermeld vindplaats(en) in de gedingstukken) die zij zou hebben ingenomen in feitelijke instanties.
“Het meer of anders gevorderde op dit onderdeel wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.”, hebben bedoeld de onderhavige stelling van Reaal te behandelen, is ook dit oordeel in het licht van de motivering door Reaal en het ontbreken van een weerspreking daarvan door Centraal Beheer, onbegrijpelijk. Het
eerste subonderdeel van onderdeel 1slaagt derhalve.
tweede subonderdeel van onderdeel 1kan dan ook niet slagen.
onderdeel 2.