Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Het bestreden arrest
3.Juridisch kader
Tekortkoming, verzuim en ontbinding
het uitblijven vancorrecte nakoming en verhindert dat de schuldenaar zijn tot op dat moment nog onvolkomen prestatie, op een
nadien gelegen tijdstipalsnog vervolmaakt. Ook beneemt ontbinding de schuldenaar zijn aanspraak op de door hem bedongen tegenprestatie.
aanmaningaan de schuldenaar om binnen een redelijke termijn alsnog te presteren. De uitzondering ziet op gevallen waarin aanmaning geen zin heeft: te weten indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen [29] of uit zijn
houding [30] blijkt dat de aanmaning nutteloos zou zijn. In die gevallen kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldenaar voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Verzuim treedt dan in bij ontvangst van deze verklaring houdende de aansprakelijkstelling (art. 3:37 lid 3 BW Pro).
Asser/Sieburgh 6-I 2016/386wordt naar voren gebracht dat het stellen van het vereiste van ingebrekestelling in een samenleving past waarin schuldenaar en schuldeiser in een nauwe relatie tot elkaar staan en ook afgezien van de nakoming van hun desbetreffende verplichtingen onderling van elkaar afhankelijk zijn. Dit beeld van een samenleving sluit, zo wordt opgemerkt, minder aan bij de huidige maatschappelijke verhoudingen.
Asser/Sieburghwordt het voorbeeld gegeven dat een tijdsbepaling slechts inhoudt dat de schuldenaar niet eerder behoeft te presteren en niet dat hij in verzuim zal zijn indien hij op het aangegeven tijdstip niet heeft gepresteerd. Andere correcties op de hoofdregel van art. 6:83 onder Pro a BW ten gunste van de schuldenaar kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in art. 6:265 lid 1 slot Pro BW (ondanks het intreden van verzuim kan het zijn dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt) en in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid die kan meebrengen dat de schuldeiser zich niet op overschrijding van een termijn kan beroepen (gezien zijn houding in eerdere gevallen heeft hij bijvoorbeeld zijn recht verwerkt). [57]
fatale termijnis afgesproken, is die laatste waarschuwing niet nodig: de duidelijkheid die de ingebrekestelling anders zou moeten geven, is er al. De eisen waaraan de fatale termijn moet voldoen, hangen daarmee samen: de termijn moet voldoende scherp afgebakend zijn en het moet voor partijen voldoende duidelijk zijn dat het niet ging om een indicatie maar om een afspraak (deze beoordeling vindt in beginsel plaats met behulp van het Haviltex-criterium: gezien de strekking van een ingebrekestelling zijn de bewoordingen zeer belangrijk, maar altijd moet worden meegewogen wat partijen redelijkerwijs over en weer te dien aanzien mochten verwachten).” [58]
[...] / [...] [59] ging het om een koopovereenkomst waarin was bepaald dat de economische eigendomsoverdracht zal plaatsvinden “op uiterlijk 1 september 1992 of zoveel eerder als partijen nader overeenkomen (…)”. [60] Op de vordering tot betaling van wettelijke rente vanaf 1 september 1992 oordeelde het hof dat koper op 7 december 1992 in gebreke is gekomen om af te nemen. Dienaangaande oordeelde de Hoge Raad als volgt:
[...] / [...]volgt onder meer dat een termijn als bedoeld in art. 6:83 BW Pro, aanhef en onder a, tussen partijen moet zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid moet voortvloeien uit de aard van de overeenkomst in verband met de omstandigheden van het geval. [61] Het enkele stellen door de opdrachtgever van een termijn is niet voldoende om een opdrachtnemer (zonder aanvaarding van de gestelde termijn) in verzuim te doen geraken ingevolge art. 6:83 onder Pro a BW.
[...] /Mol [62] uit 2008 was de doorverkoop aan telers van pootaardappelen die Mol van [...] had gekocht. Nadat de aardappelen waren gepoot, bleek dat zij onvoldoende kiemden, waarna Mol schadevergoeding eiste van [...] . Het hof oordeelde dat geen ingebrekstelling was vereist en achtte hierbij van belang “dat de door Mol gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst. Daaruit vloeide voort dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst. De aardappelen waren reeds gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd zodat nakoming blijvend onmogelijk was (art. 6:81 BW Pro). In deze omstandigheden kon de in het verleden liggende tekortkoming door [...] niet meer ongedaan worden gemaakt door alsnog na te komen. De conclusie luidde dat er geen ingebrekestelling was vereist voor het doen ontstaan van aansprakelijkheid van [...] voor de door Mol (ten gevolge van de non-conformiteit van de pootaardappelen) geleden schade.” [63]
29 april 2011 ( [...] /Staat) [64] speelde een geval waarin de ontbinding werd gebaseerd op art. 6:261 lid 2 BW Pro. De zaak betrof – voor zover voor deze conclusie van belang – een door de Staat getroffen afbetalingsregeling onder de voorwaarde dat [...] de Staat ‘per omgaande’ zou informeren over ontwikkelingen die van invloed zouden kunnen zijn op de afhandeling van de achtergestelde vordering. [...] schoot in diverse opzichten tekort in de nakoming van de uit de voorwaarde voortvloeiende verplichting, waarna de Staat de afbetalingsregeling ontbond. In cassatie werd onder meer door [...] geklaagd over het oordeel van het hof dat de tekortkoming van [...] in de afbetalingsregeling direct verzuim deed ontstaan. Aangevoerd werd dat dit oordeel van het hof onjuist is of onbegrijpelijk is gemotiveerd omdat [...] haar verplichting om de Staat op de hoogte te stellen van ontwikkelingen die van invloed zouden kunnen zijn op haar aflossingscapaciteit, alsnog kon nakomen en er daarom een ingebrekestelling had moeten volgen, die echter is uitgebleven. [65]
15 december 2017 [66] kwam zowel het bepaalde in art. 6:83 onder Pro a als onder c van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (hierna: BWC) aan bod. Deze bepalingen zijn gelijkluidend aan die in het Nederlandse BW. Ik bespreek op deze plaats het oordeel van de Hoge Raad over de fatale termijn. De bepaling van art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW(C) komt hierna onder 3.41-3.42 aan de orde.
15 december 2017 [71] , is de vraag opgeworpen hoe het oordeel van de Hoge Raad in die zaak zich verhoudt tot het eerdere arrest
[...] /Mol.
[...] /Molaf dat volgens de Hoge Raad het bestaan van een voor voldoening bepaalde termijn ook kan volgen uit de strekking van de overeenkomst: pootaardappelen moeten voor het einde van het pootseizoen worden geleverd. Valk kwam op basis daarvan tot de slotsom dat het oordeel van het hof dat de gestelde termijn van vier maanden met het oog op de regen- en orkaantijd, onvoldoende is bepaald, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Zou dat al anders zijn, dan is het oordeel, aldus Valk, in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. [72]
[...] /Molin elk geval voor partijen (vooraf) duidelijk was dat de pootaardappelen op een zodanig (uiterste) tijdstip geleverd (en gepoot) moesten worden dat nog een volwaardige opbrengst gerealiseerd zou kunnen worden. In de Curaçaose zaak is dit volgens Bakker minder duidelijk en is minder eenvoudig (van te voren) met voldoende zekerheid (en objectiviteit) een moment aan te wijzen waarop de prestatie zeker te laat zal zijn dan wel na het verstrijken waarvan deze haar nut en waarde heeft verloren hetgeen te meer geldt nu (het aanvangsmoment van) het regen- en orkaanseizoen in het Caribisch gebied niet eenduidig is vast te stellen. Dit ervaringsgegeven zal volgens Bakker wellicht hebben bijgedragen aan het door de Hoge Raad in stand gelaten oordeel van het hof over het ontbreken van een fatale termijn.
Brocacef/ [...] [80] leidde, had de schuldenaar, nadat een overeenkomst was gesloten, een voorstel gedaan voor aanpassing van de overeenkomst onder de mededeling dat hij wil komen tot een definitieve afronding van de kwestie. De Hoge Raad oordeelde dat van een mededeling dat de schuldenaar niet zal nakomen, geen sprake is. Onder verwijzing naar de in de parlementaire geschiedenis gegeven toelichting (zie hiervoor 3.37) overwoog de Hoge Raad als volgt:
15 december 2017betrof, naast de fatale termijn, ook de wijze waarop door het hof toepassing is gegeven aan art. 6:83 onder Pro c BW(C). Dienaangaande had het hof het volgende geoordeeld:
[...] /Staat [89] en
[...] / [...]. [90] In het eerste arrest gaat het in de kern om het ‘per omgaande’ nakomen van de verbintenis (om de Staat op de hoogte te stellen van ontwikkelingen die van invloed zijn op de capaciteit om de achtergestelde vordering af te lossen). Het tweede arrest betreft het ‘zonder vertraging’ nakomen van de verbintenis (om het gehuurde na een brand ‘zonder vertraging’ te herstellen). De uitkomst in het eerste arrest is dat de schuldenaar die niet per omgaande presteerde, op grond van art. 6:83 onder Pro a BW in verzuim raakt, terwijl het tweede arrest ertoe leidde dat, doordat de verhuurder niet zonder vertraging presteerde, de nakoming blijvend onmogelijk is.
[...] /Mol [92] acht Hijma het “gezien het forse onmogelijkheidsgehalte” van het oordeel van het hof “verrassend dat de Hoge Raad het betoog volledig in de richting duwt van de systematische latere route (fatale termijn), de prealabele toetssteen der blijvende onmogelijkheid passerend.” Hij concludeert vervolgens dat “de lezer de indruk [krijgt] dat de Raad het wettelijk stelsel in dezen niet als een onbuigzaam harnas ervaart.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
(de toelichting op) grief XVII en grief XVIX (nummering [verweerder] )waarin [verweerder] betwist dat "31 december 2011 de deadline was" en de daarop gegeven toelichting door zijn advocaat ter zitting van het hof. Volgens [verweerder] stond partijen bij het sluiten van de mondelinge koopovereenkomst in juli 2011 weliswaar voor ogen dat de levering uiterlijk einde 2011 zijn beslag zou krijgen, maar is geen fatale datum afgesproken. Voorts stelt [verweerder] dat hij op 6 december 2011 heeft aangegeven dat hij meer tijd nodig had en dat hij uit de reactie van [eiser] destijds niet heeft begrepen dat hem geen langere termijn werd toegestaan. Anders dan door [eiser] is aangevoerd, acht het hof dit verweer niet gedekt door de uitlating in de conclusie van antwoord onder 3 inhoudende dat "levering uiterlijk 1 januari 2012, maar zo mogelijk eerder, zou plaatsvinden" omdat die uitlating ook past binnen het verweer zoals dat is gevoerd. Ook van een gerechtelijke erkentenis is daarom geen sprake, waar nog bijkomt dat nergens in de inleidende dagvaarding is gesteld dat een fatale termijn was overeengekomen. Dat [eiser] zich op dat standpunt stelt, volgt slechts impliciet uit het gestelde in de dagvaarding onder 10.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/394expliciet genoemd als voorbeeld van een andere strekking van een termijn in de zin van art. 6:83 onder Pro a BW. [98]
[...] / [...]volgt dat indien een rechter van oordeel is dat een termijn een andere strekking heeft dan die van een fatale termijn, hij voldoende inzicht in zijn gedachtegang dient te geven door aan te geven uit welke omstandigheden hij die andere strekking heeft afgeleid. Ik heb daarnaast (onder 3.35) uit het arrest van 15 december 2017 afgeleid dat de invulling van het begrip ‘voor de voldoening bepaalde termijn’ als bedoeld in art. 6:83 aanhef Pro en onder a BW aan de feitenrechter wordt overgelaten.
subonderdeel 2.2wordt in de eerste plaats geklaagd dat, voor zover [verweerder] moet worden geacht zich te hebben beroepen op de door het hof in de rov. 5.9.1, 5.9.2 en 5.10 genoemde feiten en omstandigheden, het oordeel van het hof waarin deze stellingname kennelijk wordt gehonoreerd, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In het subonderdeel wordt naar voren gebracht dat [verweerder] in eerste aanleg immers (uitdrukkelijk) heeft gesteld – zie ook rov. 5.7 – dat "levering uiterlijk 1 januari 2012, maar zo mogelijk eerder zou plaatsvinden". In die stellingname kan volgens het subonderdeel bezwaarlijk een beroep op het ontbreken van een fatale termijn worden gelezen. Dat in verband met deze stellingname van [verweerder] in eerste aanleg geen sprake is van een gedekt verweer of gerechtelijke erkentenis – aldus het hof in rov. 5.7 – doet daaraan als zodanig niet af. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat, voor zover [verweerder] (het fatale karakter van) de overeengekomen leveringstermijn (uiterlijk 31 december 2011) in eerste aanleg heeft betwist, die stellingname uitsluitend stond in de sleutel van het (geheel andere) verweer dat de overeenkomst tussen partijen onder opschortende voorwaarde (financieringsvoorbehoud) zou zijn aangegaan ("dat er geen perfecte overeenkomst was"), zodat (kort gezegd) de desbetreffende leveringstermijn daarom niet relevant was, aldus het subonderdeel. De stellingname in appel kenmerkt zich door een soortgelijk stramien. Het standpunt van [verweerder] , dat tussen partijen geen perfecte overeenkomst zou zijn totstandgekomen dan wel dat aan een aantal 'totstandkomingsvoorwaarden' niet zou zijn voldaan, heeft het hof evenwel (terecht) verworpen.
subonderdelen 2.3en
2.4vallen de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden in de rov. 5.9.3 (i) tot 5.9.4 afzonderlijk aan met daarbij alternatieve lezingen van de overwegingen van het hof.
subonderdeel 1.2gaat in het tweede gedeelte uit van de lezing dat het hof de stellingname van [eiser] uitsluitend als een beroep op het bepaalde in art. 6:83 aanhef Pro en onder a BW heeft opgevat. In zoverre faalt het subonderdeel om dezelfde reden als subonderdeel 1.1.
subonderdelen 1.2 en 1.3klagen verder dat het hof ten onrechte niet, althans niet op voldoende begrijpelijke wijze heeft gerespondeerd op de essentiële in de sleutel van art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW staande stellingname van [eiser] dat uit de mededelingen van [verweerder] in (en buiten) het gesprek van 6 december 2011 bleek dan wel kon worden afgeleid dat hij het pand niet meer in 2011 zou afnemen en dus zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet tijdig zou nakomen, zodat het verzuim daarmee zonder ingebrekestelling intrad. Volgens subonderdeel 1.2 heeft het hof blijkens de laatste volzin van rov. 5.6 ook onderkend dat de stellingname van [eiser] (vooral, maar in ieder geval ook) mede in de sleutel stond van het bepaalde in art. 6:83 onder Pro c BW.
ook na[cursivering en onderstreping advocaat] 31 december 2011 niet zou nakomen. In ieder geval is, aldus het subonderdeel, voor een succesvol beroep op art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW voldoende dat (door [eiser] is gesteld dat) tijdens het gesprek op 6 december 2011 door [verweerder] is gezegd, of uit zijn verklaringen of gedragingen viel op te maken, dat hij niet uiterlijk op 31 december 2011 zou nakomen (hetgeen het hof heeft miskend).
van de voor art. 6:83 onder Pro c BW in aanmerking te nemen verbintenisvormt, heeft m.i. het onwenselijke gevolg dat een niet fatale termijn via de weg van art. 6:83 onder Pro c BW alsnog een ‘fataal’ karakter kan krijgen. Indien de termijn niet fataal is, is van tekortschieten nog geen sprake. Volgens het subonderdeel betekent de mededeling van de schuldenaar echter dat het niet naleven van de niet-fatale termijn onder alle omstandigheden een tekortschieten in de nakoming van de verbintenis oplevert in de zin van art. 6:83 onder Pro c BW, hetgeen dus leidt tot verzuim zonder ingebrekestelling. Het blijkt dan automatisch toch een fatale termijn te zijn. In wezen zou art. 6:83 onder Pro a BW weinig zelfstandige betekenis meer hebben als de termijn (ongeacht of deze fataal is) een onderdeel van de verbintenis in de zin van art. 6:83 onder Pro c BW vormt en ook het niet naleven van een niet-fatale termijn toch zou leiden tot het intreden van verzuim zonder ingebrekestelling, waarbij merkwaardigerwijs dit alleen het geval is als dit niet naleven van de niet-fatale termijn zou blijken uit een mededeling van de schuldenaar (en niet als deze niet-fatale termijn louter verstrijkt zonder dat de schuldenaar een mededeling heeft gedaan). Dit onderscheid lijkt mij niet te rechtvaardigen.
en[cursivering en onderstreping advocaat] van [eiser] zal afwijzen. In het dictum van zijn arrest vernietigt het hof het eindvonnis van 9 december 2015 (en de tussenvonnissen van 28 augustus 2013 en 19 maart 2014 voor zover zij aan het vernietigde deel van het eindvonnis hebben bijgedragen) en wijst, opnieuw rechtdoende de vordering
en[cursivering en onderstreping advocaat] van [eiser] af.
subonderdeel 3.1wordt geklaagd dat, voor zover het hof moet worden geacht (opnieuw rechtdoende) tevens de door hem in rov. 4.1 onder 1 genoemde vordering van [eiser] te hebben afgewezen, dat dan rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel geldt dat, ook indien er van moet worden uitgegaan dat de door partijen overeengekomen termijn "uiterlijk 31 december 2011" géén fataal karakter had, dat niet wegneemt dat op [verweerder] de verbintenis rustte om het pand binnen die overeengekomen termijn af te nemen en dat, nu zodanige afname is uitgebleven, [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van dié verbintenis. Het hof had de vordering van [eiser] genoemd in rov. 4.1 onder 1 derhalve moeten toewijzen. Voor zover het hof moet worden geacht géén beslissing te hebben gegeven op de desbetreffende vordering van [eiser] is dat, aldus nog steeds het subonderdeel, onjuist en/of onbegrijpelijk, terwijl het hof alsdan tevens heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het gevorderde, daarbij zijn taak als appelrechter miskennend.