Conclusie
eerste middelklaagt over de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, in het bijzonder dat het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had tot het toebrengen van nadeel als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, (oud) BW onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
- “Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij koste wat het kost wilde ontkomen aan de politie en daarbij slechts zijn eigen vlucht en belangen voor ogen heeft gehad, zonder zich daarbij te bekommeren om de gezondheid van de politieambtenaren.”[13]
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn verzonden.