Uitspraak
1.Geding in cassatie
4.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.Slotsom
7.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van doodslag op het slachtoffer. Het slachtoffer werd op 13 juni 2011 door verdachte en medeverdachte urenlang rondgereden, waarbij het slachtoffer letsel opliep door forse geweldsinwerkingen op de hals en ribben. Vervolgens werd het slachtoffer in de Weespertrekvaart te water gelaten, waar hij binnen enkele minuten overleed.
Het hof concludeerde dat verdachte en medeverdachte nauw en bewust samenwerkten, ook al was de precieze rolverdeling niet vastgesteld. De verklaringen van getuigen en deskundigen, gecombineerd met technische gegevens, ondersteunden de bewezenverklaring. De verdachte gaf geen aannemelijke verklaring die de bewijskracht kon ontzenuwen.
De Hoge Raad bevestigde de motivering van het hof over opzet en medeplegen, herhaalde relevante jurisprudentie over de afbakening van medeplegen en medeplichtigheid, en oordeelde dat de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd was. Wel werd de straf verminderd van negen jaar naar acht jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Veroordeling tot medeplegen doodslag met gevangenisstraf van acht jaar en tien maanden.