Conclusie
UWV/X).
1.Feiten
2.Procesverloop
UWV/X, stelt het hof vervolgens voorop dat het bij de beoordeling van het causaliteitsverweer van de gemeente aankomt op de vraag welke besluiten de gemeenteraad en de burgemeester zouden hebben genomen, als zij zich ten tijde van de vernietigde dan wel herroepen besluiten bewust zouden zijn geweest van het volgens het CBb aan deze besluiten klevende formele (bevoegdheids)gebrek (rov. 6.19).
“in dat geval”rechtmatige besluiten met eenzelfde inhoud en strekking zouden hebben genomen, namelijk het vaststellen van een verordening respectievelijk het verlenen van een vergunning die de (tijdelijke) exploitatie van een speelautomatenhal in [het hotel] mogelijk zouden maken (rov. 6.19). Overwogen is, samengevat:
“dan”aan de exploitatie van een speelautomatenhal in [het hotel] (althans een tweede speelautomatenhal in de kern Sluis) niet haar medewerking zou hebben verleend (rov. 6.19);
3.Juridisch kader
UWV/X) [23] geformuleerde maatstaf voor de beoordeling van het condicio sine qua non-verband (hierna: csqn-verband) tussen een onrechtmatig besluit en de schade die de belanghebbende stelt te hebben geleden. [24]
UWV/Xging het om de aansprakelijkheid van een bestuursorgaan voor een voor de belanghebbende
belastendbesluit. Het arrest sluit aan bij het eerder gewezen arrest van 3 juni 2016 (
Hengelo/ […]), dat ging over een onrechtmatig
begunstigendbesluit. [25]
UWV/Xeen onderscheid tussen (i) gevallen waarin een bestuursorgaan na vernietiging, intrekking of herroeping van het besluit op nieuw in de zaak moet voorzien door het nemen van een nieuw besluit (‘verlengde besluitvorming’) en (ii) gevallen waarin een bestuursorgaan geen nieuw besluit hoeft te nemen.
“veelal”bepaald zal worden door de inhoud van het nieuwe besluit dat het bestuursorgaan moet nemen. Bepalend daarbij is of de schade van de belanghebbende is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit. Is dat het geval, dan ontbreekt het causaal verband indien het nieuwe, rechtmatige besluit voor de belanghebbende hetzelfde rechtsgevolg heeft als het eerdere, onrechtmatige besluit. [26] Voor schade die niet is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit, geldt het causaliteitscriterium dat de Hoge Raad formuleert voor de tweede categorie van gevallen.
UWV/X. Daarbij gelden een drietal voorwaarden, namelijk dat (i) het nieuwe, latere besluit rechtmatig is, (ii) het tot hetzelfde rechtsgevolg leidt als het onrechtmatige besluit, en (iii) het voor het bestuursorgaan ten tijde van het nemen van het onrechtmatige besluit rechtens mogelijk was om een besluit als het latere besluit te nemen. [30] Zijn deze voorwaarden vervuld, dan kan het nieuwe besluit grond zijn
“om tot uitgangspunt te nemen”dat het bestuursorgaan destijds – dat wil zeggen: ten tijde van het onrechtmatige besluit – dit besluit zou hebben genomen in plaats van het onrechtmatige besluit, zo volgt uit het slot van rov. 3.4.6. Vervolgens zal ook dan nog moeten worden getoetst of de gestelde schade zich ook in de aldus vastgestelde hypothetische situatie (in dezelfde mate) zou hebben voorgedaan.
BKR/Provincie) heeft de Hoge Raad de in het arrest
UWV/Xgeformuleerde causaliteitsmaatstaf bevestigd. [31] Daarbij benadrukte de Hoge Raad, na de algemene overwegingen uit
UWV/X(in samengevatte vorm) te hebben herhaald, [32] in een afzonderlijke overweging dat ook bij besluitenaansprakelijkheid de gewone csqn-toets moet worden toegepast (rov. 3.3.3):
4.Uitgangspunten in cassatie
6.1. De hier aan de orde zijnde beroepen hebben betrekking op twee besluiten waarin de burgemeester toepassing heeft gegeven aan Verordening 2004.
UWV/Xheeft geformuleerd.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
UWV/Xniet (zonder meer) van belang zijn de gemeentelijke besluitvorming en de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedures die dateren van ná de uitspraak van het CBb van 31 mei 2013. Verder heeft het hof miskend dat bij deze causaliteitsmaatstaf niet geabstraheerd mag worden van het gegeven dat voor het nemen van rechtmatige besluiten nu juist de gemeentelijke verordening(en) gewijzigd moest(en) worden. Het onderdeel wijst erop dat het bij de toepasselijke causaliteitsmaatstaf uit
UWV/Xwat betreft de hypothetische situatie gaat om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending. Bij het
“hypothetisch inlezen”van de – van ruim ná de besluiten van 7 januari en 12 oktober 2009 daterende – gewijzigde Verordening 2010 die, evenals de Verordening 2010, in 2009 nog absoluut toekomstig was, gaat het niet om de juiste maatstaf voor het csqn-verband. Hierbij komt nog dat de exploitatievergunning van juni 2014 is verleend op grond van een op 20 december 2013 gedane aanvraag van [F] , welke aanvraag is voorafgegaan door de inwerkingtreding van de gewijzigde Verordening 2010 op 19 december 2013, aldus het onderdeel.
UWV/X, waarin de Hoge Raad voor de tweede categorie van gevallen (gevallen waarin een bestuursorgaan na vernietiging, intrekking of herroeping van het besluit geen nieuw besluit hoeft te nemen) overwoog dat als het bestuursorgaan op een later moment onverplicht toch een nieuw besluit neemt met hetzelfde rechtsgevolg, dit grond kan zijn om tot uitgangspunt te nemen dat het bestuursorgaan dit besluit zou hebben genomen in plaats van het onrechtmatige besluit.
ten tijde van het onrechtmatige besluit(7 januari 2009) een rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg (verlening van een exploitatievergunning aan [F] ) te nemen. Het CBb heeft immers geoordeeld dat de toen geldende Verordening 2004 daarvoor geen grondslag bood, omdat die op dat punt onverbindend was wegens strijd met de wet. Dat oordeel laat geen andere conclusie toe dan dat het ten tijde van het onrechtmatige besluit niet mogelijk was voor de burgemeester om een rechtmatig besluit te nemen met hetzelfde rechtsgevolg als het onrechtmatige besluit.
indien dat op dat tijdstip ook rechtens mogelijk was’ in rov. 3.4.6 van het arrest
UWV/X(vgl. onder 3.6 en 3.8). Uit de woorden ‘
op dat tijdstip’ blijkt duidelijk dat het erom gaat of het op de ‘peildatum’ (het moment waarop het onrechtmatige besluit werd genomen) rechtens mogelijk was een ‘hypothetisch rechtmatig besluit’ te nemen. Zie in deze zin ook Keus in zijn noot onder het arrest
BKR/Provincie: [40]
Als een op hetzelfde rechtsgevolg gericht rechtmatig besluit eerst later mogelijk is geworden, kan dit niet aan het causale verband tussen het onrechtmatige besluit en de daardoor veroorzaakte schade afdoen; hooguit zou de aannemelijkheid van een dergelijk besluit de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade kunnen beperken.”
eerstmoet worden beoordeeld of het mogelijk was om op het moment van het vernietigde, ingetrokken of herroepen besluit een ander, rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg te nemen. Als dat niet het geval is, staat daarmee het csqn-verband tussen het onrechtmatige besluit en de daardoor veroorzaakte schade vast.
vervolgensworden beoordeeld wat de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade is. Daarbij moet in aanmerking worden genomen of het aannemelijk is dat
op een later moment, na het nemen van de benodigde procedurele stappen om alsnog rechtmatig te kunnen besluiten, mogelijk wél een rechtmatig besluit zou zijn genomen. Als dat het geval is, komt voor vergoeding in aanmerking de schade over de periode die gelegen is tussen het moment waarop het onrechtmatige besluit is genomen, en het moment waarop aannemelijk is dat alsnog een rechtmatig besluit zou zijn genomen.
Als het nemen van een rechtmatig besluit destijds niet mogelijk was, maar op een later tijdstip alsnog mogelijk is geworden (en een legaliserend besluit ook daadwerkelijk tot stand komt), dan komt de schade die is ontstaan tussen het tijdstip waarop het onrechtmatige besluit is genomen en het tijdstip waarop het nieuwe rechtmatige besluit tot stand komt voor vergoeding in aanmerking. [42] Denk bijv. aan een planologisch besluit ten behoeve van de aanleg van een weg dat op basis van oud beleid niet kon worden genomen, maar op grond van nieuw beleid wel. Vergoedbaar is dan de schade die werd geleden gedurende de periode die gemoeid was met het zetten van een ‘extra procedurele stap’, die nodig was om alsnog rechtmatig te kunnen besluiten. [43] ”
Meerssen,waarop de geciteerde passage in het handboek van Schlössels c.s. is gebaseerd, luidt als volgt: [44]
ten tijde van het besluit van 7 januari 2009geen rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg had kunnen nemen. De toen geldende Verordening 2004 bood daarvoor immers geen grondslag. [eiseres] heeft dit ook betoogd in feitelijke instanties. [48] Het oordeel van het hof ‘
dat voor het nemen van rechtmatige besluiten de gemeentelijke verordening(en) moes(en) worden gewijzigd, […] het voorgaande niet anders [maakt]’, is onjuist. Dit maakt het wél anders.
UWV/Xvoor de tweede categorie van gevallen heeft geformuleerd, niet geabstraheerd mag worden van het gegeven dat voor het nemen van een rechtmatig besluit ten tijde van de peildatum voor het bepalen van het csqn-verband, de gemeentelijke verordening gewijzigd moest worden. De overige klachten van het onderdeel behoeven daarmee geen bespreking meer.
voorafgaand aandat moment al zodanige stappen zouden zijn genomen (NB: door een
anderbestuursorgaan), dat rechtmatige besluitvorming ten tijde van het onrechtmatige besluit rechtens mogelijk zou zijn geweest.
UWV/X, de vermelde feiten niet relevant zouden zijn en/of ten onrechte niet (toereikend) heeft gerespondeerd op essentiële stellingen van [eiseres] . Het hof heeft eraan voorbij gezien dat (a) wegens de door [F] verzwegen onherroepelijke weigering van de speelcasinovergunning rechtens – gezien de op 7 januari en 12 oktober 2009 alsmede nog tot 15 juli 2015 vigerende Verordening 2004 – aan [F] geen exploitatievergunning voor een speelautomatenhal in [het hotel] kon/mocht worden verleend, (b) de burgemeester in de brief van 25 maart 2010 nog expliciet te kennen had gegeven vast te houden aan het restrictieve beleid, en (c) het CBb bij zijn uitspraak van 31 mei 2013 de burgemeester niet heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
UWV/Xvoor de tweede categorie van gevallen, zie onder 3.6-3.8). In die hypothetische situatie kon op grond van de Verordening 2004 geen exploitatievergunning worden verleend.
gewijzigdeVerordening 2010 (zie onder 1.30-1.31). De daaraan voorafgaande Verordening 2010 is ook gesneuveld bij het CBb, om dezelfde redenen als de Verordening 2004 (zie rov. 7.6 van de uitspraak van het CBb).
de burgemeester (…) in elk geval nog aantoonbaar op de koers van het sluiten van de tijdelijke hal van [F] zat’. [52] [eiseres] heeft voorts gesteld dat zij in ieder geval over díe periode een aanzienlijke omzet heeft gederfd. [53] Verder heeft zij betoogd dat aannemelijk is dat in de hypothetische situatie [F] haar deuren zou hebben moeten sluiten. In dat geval zou de ruimte in [het hotel] waarin de speelautomatenhal werd geëxploiteerd vermoedelijk een andere bestemming hebben gekregen. [54] Ten slotte heeft zij aangevoerd dat bij een gerepareerde Verordening 2004 geenszins zeker is dat [F] een exploitatievergunning zou hebben verkregen, zeker niet als zij eerder haar deuren had moeten sluiten. [55]
wanneerdat dan zou zijn gebeurd. Hierop is het hof in de met onderdeel 1 bestreden overwegingen namelijk in het geheel niet ingegaan. Daarmee heeft het hof ofwel blijk gegeven van een onjuiste toepassing van de relevante causaliteitsmaatstaf uit het arrest
UWV/X, ofwel zijn oordeel bij de toepassing van die maatstaf onvoldoende gemotiveerd, in het licht van de stellingen die daarover door [eiseres] zijn ingenomen.
januari 2009(en de daarop volgende periode) zou zijn gebeurd. Het hof lijkt eraan voorbij te zien dat het op zichzelf niet ondenkbaar is dat op enig moment (alsnog) een hypothetisch rechtmatig besluit zou zijn genomen, maar dat dat het csqn-verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade van [A] niet doorbreekt. Het kan hooguit consequenties hebben voor de periode waarover de gemeente schadeplichtig is (vgl. onder 5.6-5.11).
“de oordelen van de rechtbank en de daartoe gegeven overwegingen ten aanzien van de onderscheidenlijke vernietigde dan wel herroepen besluiten”, zoals neergelegd in rov. 4.3.3 tot en met 4.3.8 van het vonnis van de rechtbank. In rov. 6.22 is overwogen, kort gezegd, dat de slotsom is dat het verweer van de gemeente dat er geen causaal verband is tussen de onrechtmatige besluitvorming en de schade van [A] , slaagt omdat de rechtmatige besluiten die in de hypothetische situatie zouden zijn genomen tot dezelfde schade zouden hebben geleid.