Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
Sun/Novartis [14] is uitgemaakt dat in cassatie in kort geding de afstemmingsregel niet geldt, zodat Uw Raad in dit kort geding zijn oordeel niet hoeft af te stemmen op de beslissing van de bodemrechter, die inmiddels in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan en welke zaak nu in appel hangt (vgl. in 1.36 hiervoor).
Bayer/Sandoz [15] ,
Resolution/AstraZeneca [16] en
Tata Steel/ArcelorMittal [17] (waar deze zaak nog het meeste verwantschap mee vertoont en die is afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro). Aan die uiteenzettingen heb ik nu niets toe te voegen. Ik herhaal voor de zelfstandige leesbaarheid van deze conclusie in grote lijnen hetgeen ik in de laatste conclusie in 2.4-2.9 als samenvatting van dit stelsel heb gegeven.
Bayer/Sandoz [18] heeft Uw Raad in rov. 3.3.5 een overzicht gegeven van de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 69 EOV Pro en het Protocol en daar is vervolgens naar verwezen in de latere arresten
MSD/Teva [19] en
Resolution/AstraZeneca [20] .
Bayer/Sandozgeformuleerde, als vaste rechtspraak te beschouwen, uitlegregel en de duiding daarvan door Uw Raad luidt zo:
Bayer/Sandoz [25] .
function-way-result’-test. Bij deze test wordt nagegaan of de als equivalent verdedigde maatregel in wezen dezelfde functie vervult als de in het octrooi beschreven maatregel en of daarmee op in wezen dezelfde manier in wezen hetzelfde resultaat wordt behaald.
Bayer/Sandoz [28] herinner ik eraan dat in Engeland met de
Supreme Courtuitspraak in de parallelle zaak aan de onze (maar dan in de bodemzaak),
Actavis/Eli Lilly [29] is gekomen tot een herformulering van de zogenoemde Protocol questions als hulpmiddel voor de afbakening van wel en niet beschermde equivalenten, in rov. 66 als volgt samengevat:
voor een beperktere beschermingsomvangdan waarop indachtig de uitvindingsgedachte (mogelijk) aanspraak zou bestaan. Dat miskent dat het hof hier een verweer van Fresenius behandelt, zo volgt uit de voorafgaande rov. 4.13. Daarin overweegt het hof (in cassatie niet bestreden) dat Fresenius bij pleidooi in appel erkent dat “de uitvindingsgedachte onder omstandigheden door de tekst van de conclusie heen [kan] breken”, maar met een beroep op
Bayer/Sandozen mijn conclusie in de
Rosuvastatine-zaak (kort geding), voegt Fresenius daar in de uitleg van het hof aan toe dat dat niet zo kan zijn, als derden hadden mogen veronderstellen
dat Lilly bewust voor dinatrium heeft gekozen. En dat laatste – is er in de ogen van de gemiddelde vakman bewust gekozen voor dinatrium – onderzoekt het hof vervolgens in 4.14-4.31 – en dus de stelling van Fresenius zelf dat hier geen ruimte is voor, kort gezegd, equivalente bescherming, aangezien bewust zou zijn gekozen voor het dinatruimzout door Lilly.
Bayer/Sandoz(Hoge Raad-arrest gelezen in samenhang met het in die zaak bestreden hof-arrest) in zijn ogen wordt bedoeld [31] . Dat is: een bewuste keuze die op een technische reden is gebaseerd. Technische reden is in dat verband volgens het hof te begrijpen als: elke reden van technische aard, ook als die niet te maken heeft met de uitvindingsgedachte. Dat illustreert het hof met een schroef/spijker-vergelijking in rov. 4.14 om dat nader te verduidelijken: het hangt van de (technische) omstandigheden van het geval af. Is er op de plaats van de bevestiging sprake van een aanzienlijke gewichtsbelasting, dan zal de vakman inzien dat daar bewust voor een schroef is gekozen (kan meer gewicht hebben dan bijvoorbeeld een spijker) en dan loopt een spijker vrij. Maar als het technisch gezien niet uitmaakt of er op de betreffende plek wordt geschroefd of gespijkerd, is er geen sprake van een bewuste keuze in de door het hof bedoelde zin en zou een spijker ook onder de beschermingsomvang vallen. Het hof begrijpt dit in het slot van rov. 4.14 zo dat zo’n beperking tot in ons geval: alleen het dinatriumzout van pemetrexed alleen kan worden aangenomen als het voor de gemiddelde vakman op grond van de beschrijving of zijn algemene vakkennis kenbaar is dat technische overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de conclusieformulering met een beperktere beschermingsomvang dan op grond van het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte te verwachten zou zijn.
Bayer/Sandoz-geval hier dus in de ogen van het hof.
subonderdeel 1.5is “en/althans” miskend dat de in de procesinleiding in 1.e genoemde argumenten (in onderling verband te wegen) van Fresenius ten faveure van haar positie dat sprake is van een bewuste keuze voor het dinatriumzout door Lilly ten onrechte door het hof verworpen op de grond dat zij niet wijzen op een kenbare technische reden voor een bewuste keuze voor pemetrexed dinatrium.
subonderdeel 2.1.ivheeft het hof miskend dat art. 69 EOV Pro niet zo mag worden uitgelegd dat de conclusies alleen als richtlijn dienen voor de beschermingsomvang en is de beschermingsomvang opgerekt tot hetgeen de octrooihouder, naar het oordeel van de gemiddelde vakman die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen (die onjuiste benadering zou volgen uit rov. 4.23 en 4.37).
subonderdeel 2.1.vis dat is miskend dat de beschermingsomvang van Europese octrooien zich niet in beginsel of bij wijze van uitgangspunt uitstrekt tot equivalenten, nu art. 2 van Pro het Protocol alleen voorschrijft dat op passende wijze rekening wordt gehouden met equivalente elementen.
subonderdeel 2.1.viheeft het hof een oordeel gegeven dat de ratio van het octrooirecht zou ondermijnen, welke ratio is dat de octrooihouder nauwkeurig omschrijft wat hij heeft bijgedragen aan de stand van de techniek in ruil voor een tijdelijk monopolie. Volgens de klacht zet het hofoordeel een onwenselijke prikkel op het laten bestaan van onduidelijkheid over de uitvinding: als een octrooihouder inzicht geeft in de technische redenen van zijn keuzes, beperkt hij de beschermingsomvang, de octrooihouder die dat inzicht niet geeft, doet dat dan vervolgens niet, aldus deze klacht.
subonderdeel 2.i.viizou hiermee het risico van conclusie-uitleg bij de derde worden gelegd die zich op het octrooi oriënteert, waarmee wordt miskend dat onduidelijkheden ten gevolge van onzorgvuldige formulering van het octrooischrift voor risico van de octrooihouder behoren te komen.
mitsvoor die vakman duidelijk is dat
nietbewust voor een beperkte beschermingsomvang is gekozen [32] . Het hof heeft dit omgedraaid door te aanvaarden dat de uitvindingsgedachte (altijd) corrigerend werkt
tenzijvoor die vakman duidelijk is dat
welbewust voor een beperkte beschermingsomvang is gekozen.
voorde afbakening van de juiste beschermingsomvang van het octrooi een centrale rol, niet als uitgangspunt
vande beschermingsomvang (waarom dat andersom zou zijn in het hofoordeel, maakt de klacht niet inzichtelijk) en van toepassing van de verlaten leer van het wezen en de afstandsleer is geen sprake. In subonderdeel 2.1.ii wreekt zich dezelfde verkeerde (te geïsoleerde) lezing van “bewuste keuze vanwege een kenbare technische reden” als we tegenkwamen bij de bespreking van onderdeel 1. Dat “goede grond tot afstand” uit de verlaten afstandsleer op een lijn zou zijn te stellen met bedoelde “bewuste keuze”, zoals de klacht in subonderdeel 2.1.ii ingang wil doen vinden, gaat alleen al vanwege die onjuiste lezing mank, die bewuste keuze staat in een hele andere bij onderdeel 1 besproken sleutel. Het hof is overigens niet gehouden alle door Fresenius aangevoerde gezichtspunten in aanmerking te nemen (vgl. rov. 4.2.2 en 4.2.6 van het
AGA/Occlutech-arrest [34] ). Het hof beziet die gezichtspunten vanuit het perspectief van de gemiddelde vakman en dat is ook de juiste benadering. Terecht voert Lilly bij s.t. 121 aan dat dit perspectief bijdraagt aan de rechtszekerheid voor derden, zodat de klacht dat de hofbenadering rechtsonzekerheid in de hand zou werken grond mist. Dat de daadwerkelijke beoordeling van de beschermingsomvang ook anders had kunnen uitpakken (overigens komt de overgrote meerderheid van de parallelle zaken in binnen- en buitenland tot overeenkomstige inbreukoordelen ten detrimente van de generieke producenten), staat daar los van, maar maakt niet dat deze klachten kunnen slagen.
willenbeschermen, zoals deze klacht aandraagt. Het hof gebruikt in beide rechtsoverwegingen de zinsnede “wat de octrooihouder (…) voor ogen [had/stond]” als synoniem voor de uitvindingsgedachte als gezichtspunt.
function-way-resulttoets, waarbij in rov. 4.35 en 4.36 nadere equivalentieverweren van Fresenius worden besproken. De hiertegen gerichte rechtsklacht treft geen doel.
because the Examiner said so.” De uitvinding gaat om iets anders, de zoutvorm doet er vanuit het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte niet toe. Dat had mogelijk ook anders (en wellicht eveneens “cassatie-
proof”) kunnen worden benaderd, maar van rechtsschending in de vorm van een oordeel dat tegen de ratio van het octrooirecht in zou gaan en een onwenselijke premie zou zetten op onnauwkeurige omschrijving van de uitvinding, is hier echt geen sprake.
Medinol/Abbott [35] );
niet aan de stof pemetrexed dinatrium, maar aan de nieuwe therapeutische toepassing ervan (rov. 4.10);
antifolaat pemetrexed[in zijn algemeenheid en dus niet beperkt tot het antifolaat pemetrexed dinatrium], de ernstige toxische bijwerkingen van de pemetrexed anionen verminderen, terwijl de werkzaamheid van de pemetrexed anionen bij het remmen van tumorgroei behouden blijft (rov. 4.10);
en niet op de specifieke daarin geopenbaarde dinatrium zoutvorm, in de beschrijving van het muismodel (in par. 35-39 van de beschrijving) (rov. 4.11).
de factobuiten spel worden gezet. Dat zou kunnen leiden tot een te beperkte beschermingsomvang. Dit oordeel van het hof is juist.
due accountmoet worden gehouden met equivalenten. De voorwaarde die Fresenius hier wil invlechten bestaat niet in het Europese octrooirecht.
subonderdeel 4.4is dat art. 2 van Pro het Protocol niet nadrukkelijk voorschrijft dat equivalenten in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de beschermingsomvang, maar alleen dat daar op passende wijze rekening mee moet worden gehouden, waarbij de rechtszekerheid een belangrijke rol speelt.
“due account” moeten worden gehouden met equivalenten uit de Protocoltekst en uit de beoordeling (vgl. m.n. rov. 4.3 en 4.28) blijkt dat hier geen sprake is van een verkeerde rechtsopvatting daarover.
subonderdeel 4.5met de klacht dat in het verlengde van de gronden genoemd in subonderdelen 4.1-4.4, het hof met zijn oordeel in rov. 4.29 dat “indien reeds vanwege de strikte 123 lid 2 EOV-toets, geen aanspraak meer zou mogen worden gemaakt op bescherming van equivalenten, dan zou dat in strijd komen met artikel 2 van Pro het Protocol en kunnen leiden tot een te beperkte beschermingsomvang”, verder heeft miskend dat de octrooihouder niet per definitie aanspraak heeft op bescherming van equivalenten (daarmee moet op passende wijze rekening worden gehouden), zodat het niet beschermen van equivalenten evenmin in strijd hoeft te komen met art. 2 van Pro het Protocol en evenmin een te beperkte bescherming hoeft op te leveren.
kunnenzijn, maar van voorspelbaarheid of een
specifiekzout (zoals het pemetrexed dizuur met tromethamine) voldoende stabiel en oplosbaar was voor farmaceutisch gebruik, was toen geen sprake. Dat is niet zonder (routinematig) zoutonderzoek te voorspellen. De tegen dit dragende feitelijke oordeel gerichte motiveringsklacht uit subonderdeel 5.1 slaagt volgens mij niet, zoals we zo zullen zien. Dan kan vervolgens in het midden blijven of een beroep op equivalentie alleen mogelijk is bij varianten die op de prioriteitsdatum nog niet voorzienbaar waren voor de gemiddelde vakman. Wat het hof daarover overweegt, draagt dan het oordeel niet, omdat hier geen sprake is van een dergelijke wel voorzienbare variant. Bij klachten tegen het (afwijzende) hofoordeel hierover (subonderdelen 5.2-5.4) bestaat dan geen belang in cassatie.
The skilled person would both in 2000 and 2017 expect that pemetrexed in the form of pemetrexed diacid (with tromethamine) could be exchanged while maintaining reduction of the toxicity achieved by the combination therapy with vitamin B12 and folic acid”, en
“it would be obvious to the pharmaceutical formulation scientist that Lilly had envisaged that pemetrexed could be used both as the free acid and in the form of a number of well-known pharmaceutically acceptable salts, including the tromethamine salt effectively used by Fresenius Kabi”;en, in antwoord op de vraag “
What salt forms would be deemed obvious replacements to pemetrexed disodium to the pharmaceutical formulation scientist in 2000”,verklaren de experts dat de pharmaceutical formulation scientist een “short list” van zouten zou maken waarop tromethamine zeker zou voorkomen: “
As for the tromethamine salt, the existing use in pharmaceutical products (...) and anticipation of the formation of a soluble salt, and knowledge about the use of “tris”-buffers, warrants inclusion in the short list.”
I am of the opinion that it was obvious for the skilled person in June 2000 who knew the teaching of the patent that instead of pemetrexed disodium, pemetrexed diacid could be used to administer the dissociated pemetrexed ion. The same would be true for pemetrexed ditromethamine, so that it does not make any difference”, en: “
To the skilled person it was known in June 2000 that tromethamine salts could be used instead of sodium salts in the manufacturing of drugs, especially those to be administered parenterally. Also, tromethamine was known as a common buffer for biological systems because it is typically used in the pH range of 7-9, near physiological pH. I am thus of the opinion that for administration of pemetrexed, the skilled person would not have had a problem to come up with a tromethamine buffered solution like the contested embodiment in routine testing”.
en mogelijk onder de tijdsdruk heeft begaan.Lilly stond evenwel onder geen enkele tijdsdruk en heeft tijdens de verleningsfase weloverwogen keuzes gemaakt. In de tweede plaats heeft Lilly zelf in de procedure nooit gesteld dat zij zich heeft vergist of vergeetachtig is geweest. Zo'n stelling zou ook bezwaarlijk te verenigen zijn met de tijd die Lilly genomen heeft voor haar correspondentie met de Examiner tijdens de verleningsfase.
AGA/Occlutech [44] zo was dat een uitvoeringsvorm die volgens de octrooihouder onder het equivalentiebereik viel, wel in de beschrijving was geopenbaard maar niet was geclaimd. De klacht is dat voor zover het hof daarmee heeft bedoeld onderscheid te maken met deze zaak, het hof heeft miskend dat deze situatie zich in essentie ook in deze zaak voordoet. Lilly zélf heeft immers in haar EP 677 en EP 612 geopenbaard (“disclosed”) dat pemetrexed, behalve als zuurvorm, ook in verscheidene zoutvormen kan voorkomen. Fresenius heeft gesteld dat ook hieruit blijkt dat Lilly zich bewust was van andere zouten – en deze ook heeft geopenbaard – maar zich desondanks in het latere EP 508 beperkt heeft tot pemetrexed dinatrium. Ook heeft Fresenius aangevoerd dat hieruit blijkt dat de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum van EP 508 vakkennis had van het bestaan van deze andere zouten. Vast staat verder dat het door Fresenius gebruikte pemetrexed dizuur met tromethamine behoort tot de klasse van “mono-substituted amines”
,die in EP 677 wordt geopenbaard (terwijl volgens Lilly's stellingen en haar experts Frokjӕr, Østergaard en Smit bovendien voor de hand zou liggen dat pemetrexed dizuur met tromethamine een farmaceutisch aanvaard zout zou zijn). Daarmee doet zich volgens de klacht in essentie wél dezelfde situatie voor als in
AGA/Occlutechen
Bayer/Sandoz [45] , te weten dat een uitvoeringsvorm, pemetrexed dizuur met tromethamine, die volgens de octrooihouder, Lilly, onder het equivalentiebereik valt, door de octrooihouder is geopenbaard maar niet is geclaimd. Het hof heeft dit volgens Fresenius miskend. Een verdere rechtsklacht is dat hier de rechtsregel “
disclosed but not claimed is disclaimed” niet is toegepast. Daaraan doet volgens de klacht niet af dat de klasse van “mono-substituted amines” resp. pemetrexed dizuur met tromethamine niet is geopenbaard in EP 508 maar in EP 677 en EP 612. Voor de toepassing van die rechtsregel kan ook niet in de beschrijving van het betreffende octrooi (EP 508) geopenbaarde stand van de techniek van belang zijn, waaronder in de beschrijving van andere, nabije octrooien (EP 677, EP 612) van dezelfde octrooihouder (Lilly) geopenbaarde stand van de techniek. Bij de uitleg van een octrooi is immers leidend het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek [46] .
disclosed but not claimed is disclaimed” nog het volgende. Onduidelijk is of deze regel naar Nederlands octrooirecht in algemene zin bestaat. Ik denk het niet. Die zou dan moeten volgen uit
AGA/Occlutech [47] rov. 4.4.2:
Resolution/AstraZeneca [49] onder 2.28 heb ik al aangegeven dat hieruit volgens mij niet is af te leiden dat Uw Raad in deze zaken de regel als algemene regel heeft aanvaard. Zou de regel echter wel algemene gelding hebben, dan is in onze zaak geen sprake van schending daarvan. De regel wordt in de klacht immers opgerekt. De eventuele regel lijkt mij hoe dan ook niet zo ver te gaan dat eventuele openbaringen in
andereoctrooien maken dat die openbaringen buiten de beschermingsomvang van het onderhavige octrooi zouden moeten vallen. Dat gaat veel te ver. Ook op inhoudelijke gronden faalt subonderdeel 5.4 zodoende.
3.Proceskosten
Medinol/Abbott [56] . Dat betrof overigens een bodemzaak en geen kort geding. Dit een en ander zou op grond van de dubbele redelijkheidstoets aanleiding kunnen zijn tot (aanzienlijke) matiging van de aan Lilly toe te kennen proceskosten voor de cassatie-instantie.