Conclusie
Tata Steel IJmuiden B.V.
ArcelorMittal France
clearing the wayin jargon) en vordert daartoe brede verklaringen voor recht, onder meer inhoudend dat met staalplaten met minder dan 0,00045 wt% boor die verder wel aan de kenmerken van de conclusies van EP 044 beantwoorden, niet onder de beschermingsomvang van EP 044 wordt gekomen.
principal researcherbij Tata Steel werkzaam is [9] . ArcelorMittal heeft verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met 9 grieven. Grieven 2 en 3 in dit incidentele appel houden in dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen A, C en D. Incidentele grieven 4 tot en met 7 zijn gericht tegen de verwerping van ArcelorMittals op art. 3:302/3:303 BW gegronde verweren, waarbij grief 4 specifiek klaagt over het oordeel dat de vorderingen van Tata Steel onvoldoende concreet zijn. De incidentele grieven 1 en 8 bestrijden op onderdelen de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank en grief 9 van het inciedentele appel keert zich tegen de gedeeltelijke afwijzing van de opgegeven proceskosten. Tata Steel heeft verweer gevoerd in incidenteel appel.
Folien Fischer-arrest [10] valt een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht, die ertoe strekt het bestaan van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te ontkennen, binnen de werkingssfeer van art. 7 lid 2 van Pro de Brussel I bis-Verordening (rov. 4.3).
imminent threatvereist volgens het hof. Arcelor Mittals verweer dat sprake is van een volstrekt hypothetisch product wordt verworpen (rov. 4.5).
VJV/Staat [12] is een uiteenzetting gegeven over het belang-vereiste bij een verklaring voor recht die, omgezet naar een negatieve verklaring voor recht als in onze zaak aan de orde, op het volgende neerkomt. De verklaring moet, wanneer deze ziet op handelingen die nog niet hebben plaatsgevonden, op zodanige wijze zijn geformuleerd dat in alle daardoor bestreken gevallen geen sprake is van inbreuk/onrechtmatigheid. Wanneer al op voorhand blijkt dat de handelingen waarop de gevorderde verklaring ziet, zodanig zijn omschreven dat zij niet alle of niet onder alle omstandigheden een inbreuk/onrechtmatigheid opleveren en de vraag of zij een inbreuk/onrechtmatigheid opleveren ook niet aan de hand van concrete omstandigheden van het geval kan worden onderzocht, is die verklaring onvoldoende concreet omschreven, waardoor zij niet voor toewijzing in aanmerking komt, aldus het hof. Dan bestaat onvoldoende belang bij de vordering en volgt niet-ontvankelijkheidverklaring.
Medinol/Abbott [14] en
Bayer/Sandoz [15] . Dit toetsingskader en de gezichtspuntenleer die volgt uit de rechtspraak van Uw Raad komt hierna bij de bespreking van het cassatieberoep aan de orde (zie hierna in 2.3-2.5).
‘de voorgestelde platen niet bekleed (worden) geleverd vanwege gedragsproblemen van de bekleding tijdens de thermische behandeling’en dat het
‘bekleden (dus) (wordt) uitgevoerd op gerede onderdelen, hetgeen een flinke reiniging nodig maakt van de oppervlakken en de holle delen’terwijl bovendien
‘de thermische behandeling uitgevoerd (moet) worden onder geregelde atmosfeer om iedere ontkoling en oxidatie van het metaal te vermijden’(§ 0002 van de Franse tekst, blz. 1 van de Nederlandse vertaling);
‘de aanwezigheid van de bekleding tijdens de thermische behandeling van de onderdelen (…) het mogelijk maakt iedere ontkoling van het basismateriaal alsook iedere oxidatie te vermijden’hetgeen
‘een onbetwistbaar voordeel (is) in het bijzonder in het geval van het warme vormgeven’, terwijl
‘bovendien het verwarmen van het behandelde onderdeel geen oven met een geregelde atmosfeer nodig heeft om een ontkoling te vermijden’(§ 0022 van de Franse tekst, blz. 6/7 van de Nederlandse vertaling),
‘voorde thermische behandeling de bekleding wordt onderworpen aan (…)’(onderstreping door het hof).”
‘op passende wijze rekening (dient) te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element’. Het gaat hier om equivalente elementen (rov. 3.5.2 van
‘Medinol/Abbott’).
Bayer/Sandoz [20] in 2.1-2.40 (i.h.b. in 2.1-2.8 en 2.33-2.34) en
Resolution/AstraZeneca [21] in 2.5.
purposive constructionna het arrest van de Engelse Supreme Court in de zaak
Actavis/Eli Lilly [22] niet langer opgeld doet, waarmee die belangrijke octrooi-jurisdictie meer lijkt te zijn opgeschoven naar de continentaal Europese benadering van de beschermingsomvang van octrooien [23] , heb ik aan die uiteenzettingen nu niets toe te voegen. Over de wending na
Lillykom ik nog te spreken in 2.9.
Bayer/Sandoz [24] heeft Uw Raad in rov. 3.3.5 een overzicht gegeven van de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 69 EOV Pro en het Protocol en daar is vervolgens naar verwezen in de latere arresten
MSD/Teva [25] en
Resolution/AstraZeneca [26] .
Bayer/Sandozgeformuleerde, als vaste rechtspraak te beschouwen, uitlegregel en de duiding daarvan door Uw Raad luidt zo:
Medinol/Abbotten
Bayer/Sandoz [27] . Dit toetsingskader is in cassatie op zichzelf ook niet bestreden.
Bundesgerichtshof (BGH)is uitleg van octrooien een rechtsvraag [31] en ook in Engeland en Wales toetst het
Supreme Court (UKSC)de uitleg van octrooien in volle omvang [32] . Tata Steel heeft in cassatie gewezen op de lijn van het
BGHen het
UKSC(repliek 12-16), maar die vindt geen navolging in Nederland, zo volgt uit voornoemde vaste rechtspraak, laatstelijk bevestigd in
Resolution/Astrazeneca [33] . Bij repliek in cassatie onder 17 bepleit Tata Steel een ruimhartiger cassatiecontrole door Uw Raad van oordelen over beschermingsomvang van octrooien in het belang van een faire en voorspelbare uitleg van Europese octrooien. Onder verwijzing naar de praktijk in Duitsland en Engeland en met als motivering verder dat ook gespecialiseerde hoven (het Haagse voor octrooirecht bijvoorbeeld) fouten maken als ieder ander hof, die moeten kunnen worden rechtgezet door Uw Raad.
Bayer/Sandoz [35] .
‘function-way-result’-test [38] . Bij deze test wordt nagegaan of de als equivalent verdedigde maatregel in wezen dezelfde functie vervult als de in het octrooi beschreven maatregel en of daarmee op in wezen dezelfde manier in wezen hetzelfde resultaat wordt behaald.
Bayer/Sandozherinner ik eraan dat in Engeland met
Actavis/Eli Lilly [39] inmiddels afscheid is genomen van de tot dan toe gangbare
purposive construction(zie hiervoor in 2.3)
.In
Lillyis gekomen tot een herformulering van de zogenoemde
Protocol questionsals hulpmiddel voor de afbakening van wel en niet beschermde equivalenten, in rov. 66 als volgt samengevat:
eerste onderdeel, met vijf subonderdelen, is gericht tegen de benadering van het hof in rov. 5.6-5.8, hiervoor weergegeven in 1.17 en 1.18. Nog korter samengevat is die benadering: de achter de bewoordingen van de conclusies liggende uitvindingsgedachte heeft niet met de staalsamenstelling zelf te maken, maar met het voorafgaand aan de thermische verhardingsbehandeling aanbrengen van bekleding; het gewichtspercentage boor is zodoende geen absolute ondergrens in de ogen van de vakman, maar zal begrepen worden als een standaardondergrens en als slechts gekozen om bij de gebruikelijke standaard aan te sluiten.
Resolution/AstraZeneca(vp. vt. 26), waarin ook (tevergeefs) werd geklaagd dat het hof “daarmee rechtens onjuist de uitvindingsgedachte [heeft] verheven tot
uitgangspunt, in plaats van gebruikt als gezichtspunt.” In die zaak was overigens ook de rechtsklacht uit onderdeel 2.3.3 van Resolution tevergeefs dat uitgangspunt is dat beschrijving en tekeningen moeten worden gebruikt bij de voorgeschreven Protocolaire uitleg, terwijl de uitvindingsgedachte hooguit een gezichtspunt is dat bij de uitleg kan (niet moet) worden meegenomen. Vergelijkingen tussen zaken zijn niet altijd aansprekend, dus daar past zeker voorzichtigheid, maar net als in die zaak mist de parallelle klacht in onze zaak naar ik meen feitelijke grondslag. Het hof heeft de gezichtspuntenleer volgens mij juist toegepast hier.
subonderdeel 1.2wordt bepleit dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de rol en de betekenis van de conclusies in een Europees octrooi.
subonderdeel 1.2dat het ‘weginterpreteren’ van de ondergrens voor boor uit de conclusie temeer blijkt uit de omstandigheid dat de volgens het hof equivalente elementen chroom en mangaan al aanwezig moeten zijn in het staalproduct volgens conclusie 1, en wel in de aldaar gespecificeerde gewichtspercentages, komt in belangrijke mate overeen met subonderdeel 4.4 onder (2). Daarin wordt betoogd dat het hof bij zijn beoordeling kenbaar had moeten ingaan op het betoog van Tata Steel dat de aanvrager met chroom/mangaan, elk met hun eigen gewichtspercentages, reeds rekening heeft gehouden bij het opstellen van conclusie 1. Onderdeel 4 heeft in zijn geheel betrekking op het oordeel over equivalentie. Ik zal deze klacht daarom met name hierna in dat kader bespreken (vgl. hierna in 2.66-2.67). Op deze plaats volstaat de opmerking dat de klacht lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing van het hofoordeel op dit punt. Onderzocht is of er in het kader van de verzochte duidelijkheid met staal met een gewichtspercentage boor van minder dan 0,0045%, maar verder voldoend aan de specificaties uit de conclusie, equivalente inbreuk kan worden gemaakt. Antwoord ja en dan valt het doek voor dat hele negatieve declaratoir, zo hebben we hiervoor gezien (zie 1.19-1.20).
beschrijvingnaar de appeldagvaarding onder 44-52. Ook voor het betoog over het in de beschrijving genoemde
uitvoeringsvoorbeeldverwijst zij onder meer naar die dagvaarding onder 47-48. Deze passages bevatten een weergave van de beschrijving van het octrooi. Verder wordt in deze passages, voor zover relevant, opgemerkt dat de in de beschrijving gespecificeerde staalsamenstelling dezelfde is als in conclusie 1 (appeldagvaarding 46) en dat de samenstelling van de staalplaat in het uitvoeringsvoorbeeld prominent naar voren komt (appeldagvaarding 47). In de appeldagvaarding onder 51-52 monden deze passages over de beschrijving slechts uit in twee gevolgtrekkingen: (1) boor moet worden toegevoegd aan de legering vanwege het effect op de hardbaarheid, die op zijn beurt onder andere harding in dieptrekgereedschappen mogelijk maakt, oftewel het
hot formen, en (2) de samenstelling van het staal is van belang voor de lasbaarheid. Een nadere slotsom volgt in de appeldagvaarding onder 70. Tata Steel stelt daar:
groter dan0,0005% moet zijn.
enigeuitvoeringsvoorbeeld dat in de beschrijving wordt geopenbaard, bevat het staalproduct dus 0,003% (30 ppm) boor. Dat is gezien de stand van de techniek niet zo vreemd: 0,003 % is een gebruikelijk percentage voor toevoeging aan een boorstaal. Dit wordt bevestigd door dr. [betrokkene 1] (van Tata Steel), die verklaart dat een toevoeging van 0,002 % tot 0,004 % gebruikelijk is (productie T13, par 7).”
verleningsdossieradstrueert Tata Steel met een verwijzing naar haar plta EA onder 54-56 en haar mva-inc onder 140-142. Deze passages staan echter in de sleutel van een verweer van Tata Steel tegen de stelling van ArcelorMittal dat haar uitleg wordt gesteund door het verleningsdossier. ArcelorMittal heeft bij cva 4.26 en bij mva 5.28 gesteld dat uit de verleningsgeschiedenis blijkt dat de uitvinding niet in de staalsamenstelling zit. Zij heeft daartoe verwezen naar een brief van 2 augustus 2002 in vervolg waarop het octrooi is verleend (prod. 4 bij cva). Tata Steel reageert in de genoemde passages uit de plta EA en de mva-inc op dat betoog. Het hof heeft zijn beslissing niet gegrond op het betoog van ArcelorMittal over de verleningsgeschiedenis en is dus ook niet toegekomen aan het hierop door Tata Steel bij pleidooi in eerste aanleg en in het incidenteel appel gevoerde verweer. Het hof hoefde bij die stand van zaken in de door Tata Steel genoemde passages dan ook geen – als
essentieelte kwalificeren –
zelfstandigbetoog van Tata Steel te lezen dat de door haar verdedigde uitleg van de octrooiconclusies grond vindt in het verleningsdossier.
beschrijving, het
uitvoeringsvoorbeelden het
verleningsdossierniet een essentieel betoog als bedoeld in subonderdeel 1.4 opleveren.
eerste onderdeelketst op het voorgaande af.
tweede onderdeelkomt op tegen hetgeen in rov. 5.6-5.7 is overwogen over de uitvindingsgedachte. Het onderdeel bestaat uit een inleiding en twee subonderdelen.
gezichtspuntvan de
achter de woorden van de conclusie liggende uitvindingsgedachtevereenzelvigt met de in het moderne octrooirecht onder vigeur van art. 69 EOV Pro en het Protocol beladen term ‘
het wezen van de uitvinding’, welke laatste term het hof, anders dan de klacht suggereert, uitdrukkelijk niet in de mond neemt, geldt hier denk ik het volgende.
die compositiedus de uitvindingsgedachte is. Het standpunt dat de uitvindingsgedachte bestaat in de samenstelling van het staal heeft het hof in rov. 5.6 echter gemotiveerd verworpen (staalsamenstelling onderscheidt als zodanig het octrooi niet van de stand der techniek). In de plta EA 47 heeft Tata Steel uiteengezet waarom het beroep van ArcelorMittal op een door haar als prod. 7 overgelegd handboek niet opgaat. De plta EA 54-56 en de mva-inc 140-142 staan in de sleutel van een verweer van Tata Steel tegen de stelling van ArcelorMittal dat haar uitleg wordt gesteund door het verleningsdossier (zie hiervoor in 2.25). In deze passages behoefde het hof volgens mij niet het betoog te lezen dat de samenstelling van het staal, ook wanneer het daar als zodanig bij deze uitvinding niet om gaat, deel uitmaakt van de uitvindingsgedachte. Die nuance valt daar niet in te lezen, wel het (verworpen) betoog dat de staalcompositie de uitvindingsgedachte is of beter: essentieel is voor de aangegeven voordelige mechanische eigenschappen. Bij mva-inc 142 wordt alleen nog aangevuld dat niet relevant is dat de staalsamenstelling als zodanig niet van de stand van de techniek onderscheidt, omdat dat niet betekent dat een kenmerk niet relevant is en al helemaal niet dat het mag worden weggeïnterpreteerd. Dat lijkt de hiervoor in 2.4 geciteerde rov. 3.3.8 uit
Bayer/Sandozte miskennen. Daar strandt deze klacht op.
subonderdeel 2.1nog ter onderbouwing van de motiveringsklacht de nadere stelling van Tata Steel gememoreerd dat een kwart van de beschrijving is gewijd aan de functie van de verschillende legeringselementen, waaronder boor, en/althans de invloed daarvan op de eigenschappen van het geclaimde staalproduct [53] .
tweede onderdeelslaagt dus evenmin.
derde onderdeelis gericht tegen het oordeel in rov. 5.8 dat de gemiddelde vakman zal hebben begrepen dat de ondergrens van 0,0005 wt% boor in EP 044 alleen maar is gekozen om bij de gebruikelijke standaard aan te sluiten, en niet om de beschermingsomvang van het octrooi te beperken. Het onderdeel bestaat weer uit een inleiding zonder klachten en vier subonderdelen.
abstractvan het octrooi en niet van het octrooi als zodanig. Het
abstractbevat volgens Tata Steel niet de relevante informatie [54] . Onder verwijzing naar het arrest
[…] / […] [55] wordt betoogd dat een vertaling van een productie in beginsel noodzakelijk is als deze in een andere taal is gesteld dan Engels, Frans of Duits. Dit gedlt zeker nu het Japans, anders dan bijvoorbeeld Spaans, geen gebruik maakt van het (Latijnse) alfabet.
[…] / […]heeft Uw Raad geoordeeld dat in beginsel een vertaling noodzakelijk is als een productie is gesteld in een andere taal dan Engels, Frans of Duits. Wanneer een vertaling ontbreekt, maar deze naar het – ambtshalve of op verzoek van de wederpartij gegeven – oordeel van de rechter noodzakelijk of wenselijk is, behoort de partij die de productie heeft overgelegd, gelegenheid te krijgen een vertaling in het geding te brengen, tenzij de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten (rov. 3.4.4-3.4.5).
and 3 to 20ppm B, contg, at need, 0.0050 to 0.100% Nb and the balance substantial Fe is manufactured by rolling.” [onderstreping toegevoegd, A-G]
hot forming.Op de prioriteitsdatum zou een staalproducent volgens het octrooi altijd een groter boorgehalte dan 0,0005 wt% kiezen en in deze zin geldt dat percentage als absolute ondergrens, zoals ook verklaard door dr. [betrokkene 1] . De andersluidende lezing door het hof van mva-inc 49 is volgens de motiveringsklacht onbegrijpelijk.
“Uitleg octrooi”, dat hij
“de in conclusie 1 genoemde ondergrens van 0,0005 % boor daarom als een absolute ondergrens [ziet].”Zijn verklaring heeft dus betrekking op de uitleg van het octrooi – niet op wat met Tata Steels uitvinding al dan niet mogelijk is [en dus volgt uit zijn verklaring ook niet dat het niet mogelijk zou zijn een product met minder dan 0,0005 % boor op de markt te brengen, zoals ArcelorMittal ten onrechte concludeert].”
subonderdeel 3.2verwezen naar stellingen over
hot forming(staalproductie met warmtebehandeling). Het is volgens de klacht vanzelfsprekend mogelijk om staal te produceren met minder dan 0,0005 wt% boor, maar dergelijk staal kan niet worden gebruikt voor het proces van
hot formingwaar het hier om gaat. Tata Steel doet daartoe een beroep op de appeldagvaarding 21-26, de mva/mvg-inc 5.4-5.6 en haar plta HB 11 en 14.
hot forming.
principal researcherdr. [betrokkene 1] dat een producent van staal
volgens het octrooialtijd een groter boorgehalte dan 0,0005 wt% zou kiezen en dat 0,0005 wt% in deze zin geldt als een absolute ondergrens [58] . Opnieuw daargelaten het ontbrekende belang bij deze klacht, lijkt mij dat impliciet verworpen in de door het hof gegeven uitleg, die hoofdzakelijk steunt op meerbedoelde Japanner met een ondergrens van 0,0003 wt% boor. Deze uitleg is aan het hof als feitenrechter voorbehouden en niet onbegrijpelijk – daargelaten de nadere adstructie aan de hand van Tata Steels antwoord in incidenteel appel onder 49, die als het ware kan worden ‘weggedacht’, zonder het resterende hier aangevallen hofoordeel onbegrijpelijk te maken in cassatie-technisch opzicht.
‘commerciële normen (…) een absolute ondergrens van 0,0005 % boor suggereren’en daarna heeft laten zien dat de Europese en Amerikaanse normen inderdaad dezelfde ondergrens van 0,0005 % boor stellen. De stelling dat het gaat om een absolute ondergrens zou, anders dan het hof heeft gedaan, daarom niet zo kunnen worden verstaan dat het gaat om (slechts) een gebruikelijke ondergrens of standaardondergrens.
derde onderdeelkan zodoende naar ik meen evenmin tot cassatie leiden.
vierde onderdeelis gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.10 met betrekking tot equivalentie. Ook dit onderdeel bestaat uit een inleiding zonder klachten en vijf subonderdelen.
subonderdeel 4.1is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, indien is miskend dat hier de vraag aan de orde is of, in de perceptie van de gemiddelde vakman, de conclusies gelezen in het licht van de beschrijving
ruimte latenvoor equivalenten, waarbij rekening moet worden gehouden met de rechtszekerheid voor derden [59] . Als het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof heeft immers niet gemotiveerd waarom of in welk opzicht de conclusies, gelezen in het licht van de beschrijving, ruimte laten voor het vervangen van 0,00006 wt% boor door een ‘vervangende’ hoeveelheid chroom of mangaan waarmee hetzelfde hardheidseffect wordt bereikt.
unieklegeringselement wordt beschouwd vanwege de duidelijk andere invloed die het heeft op de hardbaarheid van staal ten opzichte van andere elementen die ook de hardbaarheid verhogen, waaronder chroom en mangaan. Dit is volgens de klacht algemene vakkennis blijkend uit het handboek
Steels: Metallurgy and Applications [61] . Het subonderdeel wijst er verder op dat het hof in rov. 5.2 onder II als feit heeft vastgesteld dat met de toevoeging van 0,002-0,003 wt% boor hetzelfde hardbaarheidseffect wordt verkregen als met de toevoeging van 0,7% chroom. Dit betekent dat men 233 tot 350 keer zoveel chroom als boor moet toevoegen om een vergelijkbaar resultaat te verkrijgen [62] . Voor mangaan geldt iets soortgelijks [63] . Het oordeel over equivalentie is daarom volgens de klacht onbegrijpelijk.
“Met haar argument in punt 177 MvA-inc, dat er niet iets kan bestaan dat een equivalent is van boor omdat dit een uniek chemisch element is uit het periodiek systeem, ziet Tata Steel over het hoofd dat ‘gelijkwaardig’ niet betekent: identiek.”Het hof heeft in rov. 5.10 eveneens gerespondeerd op het betoog dat aanzienlijk meer chroom/mangaan dan boor nodig is om hetzelfde hardbaarheidsresultaat te bereiken. In dat verband overweegt het hof:
“Het feit dat (aanzienlijk) meer chroom/mangaan dan boor nodig is om dezelfde hardbaarheid te bereiken, staat hieraan niet in de weg, in ieder geval niet in de zojuist omschreven situatie dat de in het octrooi voorgeschreven 0,0005 wt % boor niet geheel of grotendeels, maar slechts voor een klein deel (0,00006 wt %) wordt vervangen.”In het subonderdeel wordt niet uiteengezet waarom die redenering onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Subonderdeel 4.2 treft daarom geen doel. Het in de klacht van Tata Steel bedoelde betoog is door het hof met toereikende motivering verworpen.
subonderdeel 4.3heeft het hof uit het oog verloren dat de samenstelling van het staalproduct wijzigt indien 0,00006wt % boor zou worden vervangen door een hoeveelheid chroom of mangaan waarmee hetzelfde hardbaarheidseffect wordt bereikt. Vervangt men een bepaalde hoeveelheid boor door 233 à 350 keer zoveel chroom of 200 keer zoveel mangaan, dan verlaagt dat volgens Tata Steel het percentage van ten minste één van de, en mogelijkerwijs alle, overige bestanddelen. Naar Tata Steel heeft gesteld, kunnen zeer kleine verschillen in de samenstelling van het staal grote effecten hebben op de uiteindelijke eigenschappen. Zij heeft aangevoerd dat legeringen in de vakliteratuur zeer specifiek en nauwkeurig zijn gedefinieerd; met een kleine variatie in één van de legeringselementen kan men een geheel andere legering met geheel andere eigenschappen verkrijgen [64] . Het hof heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven. Om genoemde redenen is ook niet begrijpelijk waarom met het ‘vervangende’ chroom/mangaan in wezen hetzelfde resultaat kan worden bereikt. et is vlgens het hof passend om het gebruik van dit gelijkwa
subonderdeel 4.4wordt in de eerste plaats aangedragen dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat is miskend dat, ingevolge art. 2 van Pro het Protocol bij art. 69 EOV Pro, met equivalentie op passende wijze rekening moet worden gehouden en dat niet elke equivalente maatregel onder de beschermingsomvang van een octrooiconclusie valt. Indien het hof dit niet heeft miskend, is sprake van onbegrijpelijkheid. Het hof heeft in wezen alleen vastgesteld dat het vervangende chroom/mangaan een equivalente maatregel zou zijn, maar niet waarom het passend zou zijn om deze onder de beschermingsomvang van conclusie 1 te brengen.
cijfermatig bereiken (2) de aanvrager met chroom/mangaan reeds, elk met hun eigen gewichtspercentages, rekening heeft gehouden bij het opstellen van conclusie 1. Daarom is het niet passend om het vervangende chroom/mangaan als equivalente maatregel onder de beschermingsomvang van conclusie 1 te brengen. Tata Steel doet hier een beroep op haar plta HB 46. Tata Steel verwijst verder naar plta HB 50-69 waarin zij aan de hand van buitenlandse jurisprudentie heeft bepleit dat (i) getallen, maten en bereiken (‘ranges’) een duidelijk hogere duidingsgraad hebben dan woorden, (ii) de aanvrager die cijfers gebruikt in octrooiconclusies, reden te meer heeft om zich de consequenties daarvan goed te realiseren en (iii) de over- en onderschrijding van getallen in de regel niet meer onder de conclusies valt.
“Bij de in de punten 53-69 van haar PA door Tata Steel besproken buitenlandse uitspraken in andere zaken werd de uitvindingsgedachte juist wel gevormd door de numerieke waarden. Die uitspraken zijn daarom voor het onderhavige geval niet relevant.”
vierde onderdeeltreft dus geen doel.
Proceskosten
Nagedachte
clearing the wayroute van Tata Steel zou mogelijk anders hebben kunnen verlopen bij een minder brede opzet van de gevraagde verklaringen voor recht. Aan die opzet liggen zonder twijfel valide redenen ten grondslag en daar behoort ook niet in te worden getreden. Maar ArcelorMittal wijst er bij dupliek in cassatie onder 2 op dat nu heel brede negatieve verklaringen voor recht zijn gevraagd (en het hof met één daar net niet onder vallend geval al moet constateren dat het betreffende declaratoir niet toewijsbaar is), in plaats van een beoordeling van haar hypothetische
concretestaalproduct.
clearing the wayacties vanwege de wijze waarop in Nederland de beschermingsomvang van octrooien wordt bepaald tot mislukken zouden zijn gedoemd en zodoende onvoldoende recht zou worden gedaan aan de Protocolair geboden redelijke rechtszekerheid voor derden – anders dan in de cassatiestukken van Tata Steel tussen de regels mogelijk te lezen valt [68] .