Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in de eerste plaatsdat het oordeel in rov. 3.3 onjuist is, omdat uit artikel 7:403 lid 2 BW Pro niet volgt dat een opdrachtnemer “in beginsel” niet meer tot het doen van verantwoording gehouden is als de opdrachtgever de factuur of facturen van de opdrachtnemer heeft voldaan. De opdrachtnemer is daartoe ook verplicht als de opdrachtgever daarom vraagt nadat hij de facturen van de opdrachtnemer heeft voldaan en de opdrachtnemer op dat moment nog niet spontaan zijn verplichting krachtens artikel 7:403 lid 2 BW Pro is nagekomen. Althans is het oordeel in rov. 3.3 onbegrijpelijk, nu het hof geen omstandigheden noemt die het voorgaande in dit geval anders maken. [4]
tweede plaatsklaagt onderdeel 1 dat het oordeel in rov. 3.4 en 3.5 dat [eiseressen] geen bewijs van hun stellingen hebben aangeboden en hun stelplicht hebben verzaakt onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft miskend dat [verweersters]. hun betwisting van de stellingen van [eiseressen] onvoldoende hebben gesubstantieerd. [verweersters]. beschikken over de informatie waarmee [eiseressen] hun stellingen volgens het hof hadden moeten motiveren. [eiseressen] zijn voor de concretisering van hun vordering afhankelijk van een tijd- en urenverantwoording. [verweersters]. hebben deze specificatie niet spontaan overlegd. Het hof heeft [verweersters]. ook niet (alsnog) opgedragen om de specificatie in het geding te brengen.
welkewerkzaamheden zullen worden verricht of zijn verricht.
eerste klacht van onderdeel 1dient naar mijn mening te falen. De opvatting dat een substantiëringsplicht ten aanzien van gefactureerde (en reeds betaalde) bedragen in het algemeen uit de verantwoordingsplicht van art. 7:403 lid 2 BW Pro zou voortvloeien, zoals onderdeel 1 lijkt te veronderstellen, komt mij onjuist voor.
tweede klacht van onderdeel 1slaagt naar mijn mening niet. Voor zover de klacht voortbouwt op de eerste klacht, faalt zij in het verlengde daarvan.