Conclusie
1. Het proces-verbaal van de rechter Timm van het kantongerecht Duisburg van 30 juni 2015, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 1] .
5.2 Parketnummer 08/910036-14
Bewijsverweren
eerstemiddel behelst de klacht dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 2] zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Het
tweedemiddel behelst de klacht dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Het
derdemiddel klaagt dat het hof het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Deze drie middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Alvorens daartoe over te gaan geef ik het procesverloop in hoger beroep weer. Daarbij citeer ik voor een goed begrip enkele passages uit het proces-verbaal van de regiezitting, het tussenarrest, de pleitnota van de raadsman bij de inhoudelijke behandeling en het eindarrest.
23 mei 2018 te 14.00 uur.’
Verzoek van de verdediging
Als er nog meer verklaringen door deze getuigen zijn afgelegd over deze feiten dan dienen die aan het dossier te worden toegevoegd, teneinde een juiste en volledige beoordeling van de feiten te kunnen maken en vast te stellen welke standpunt c.q. welke verklaring(en) het meest betrouwbaar zijn.
Veroordelend vonnis d.d. 19 januari 2016. waartegen beroep.
Omstreeks 14.00 uurbelt client met een persoon NN7357, zijnde [medeverdachte] . Uit dit gesprek volgt enkel en alleen de vraag / mededeling of hij om 3 uur in het (nieuwe) clubhuis kan zijn. [medeverdachte] zegt dat hij dit redt.
productie 1).
Omstreeks 15.14 uurwordt client gebeld door [betrokkene 3] en zegt [betrokkene 3] dat ze er zijn. Client zegt dat de man daar is, die kleine, je weet wel. [betrokkene 3] vraagt of het allemaal daar is en client zegt er zijn mensen daar.
Omstreeks 15.17 uurwordt client weer gebeld door [betrokkene 3] en zegt hij dat ze op hem wachten in het oude clubhuis. Client zegt dat de kleine man zo daar is. Ene [betrokkene 16] komt aan de lijn tegen wie client zegt dat [medeverdachte] zo komt.
Omstreeks 15.29 uurbelt [betrokkene 3] weer met client en zegt dat het goed "smaakt". [betrokkene 3] vraagt "eentje maar? We zeiden twee". Client zou antwoorden dat hij die andere niet heeft.
vierdemiddel bevat een bewijsklacht betreffende de bewezenverklaring van feit 1 (parketnummer 08/910036-14). Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte op 21 februari 2013 vuurwapens van categorie II en een hoeveelheid munitie van categorie II en/of III heeft doen uitgaan naar Duitsland. De steller van het middel wijst erop dat er geen ‘wapenrapportage’ is, dat geen van de betrokkenen een verklaring heeft afgelegd ‘over het feit of de wapens en munitie werkzaam waren’ en dat ‘de classificering van een wapen’ nooit een feit van algemene bekendheid zou zijn.
vijfdemiddel bevat eveneens een bewijsklacht betreffende de bewezenverklaring van feit 1 (parketnummer 08/910036-14). Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte op 21 februari 2013 vuurwapens van categorie II en een hoeveelheid munitie van categorie II en/of III heeft doen uitgaan naar Duitsland. Uit de bewijsmiddelen zou slechts blijken dat er contact geweest is met de verdachte, maar niet dat er met hem over de wapens is gesproken en evenmin dat de verdachte op de hoogte was van het feit dat er wapens zouden worden geleverd.
zesdemiddel bevat een bewijsklacht betreffende de bewezenverklaring van feit 2 (parketnummer 08/910036-14). Deze bewezenverklaring zou in strijd met art. 342, tweede lid, Sv slechts steunen op de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] . Meer in het bijzonder zou slechts uit de bewijsmiddelen 4 en 5 en daarmee uit verklaringen van [betrokkene 1] blijken dat de levering van de kalasjnikovs in het bijzijn van de verdachte is besproken.
NJ2019/23 m.nt. Rozemond overwogen:
zevendemiddel bevat een bewijsklacht inzake de bewezenverklaring van feit 2 (parketnummer 08/910036-14). Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte ‘in de juridische hoedanigheid van medepleger’ op 15 maart 2013 een vuurwapen en een hoeveelheid munitie heeft doen uitgaan naar Duitsland. De steller van het middel wijst erop dat sprake moet zijn van een bijdrage van voldoende gewicht. Uit de verklaringen van [betrokkene 1] zou slechts volgen dat de verdachte bij de voorbereiding betrokken is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van een rol bij de uitvoering van het delict zou moeten worden gecompenseerd door een grotere rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan de vraag of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit de bewijsmotivering zou niet kunnen volgen dat van dergelijke compensatie sprake is, en het hof zou geen aandacht hebben besteed aan de vraag of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
NJ2015/390 m.nt. Mevis heeft Uw Raad, als bekend, enige aandachtspunten geformuleerd betreffende de vraag ‘wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken’. Tot die aandachtspunten behoort, dat in het geval het tenlastegelegde medeplegen in de kern bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit geval zich hier niet voordoet; de verdachte heeft niet – alleen – voor het vuurwapen en de munitie gezorgd, hij heeft een bepalende invloed op het plaatsvinden van het transport gehad. Nu het ‘doen uitgaan’ van vuurwapens en munitie ook functioneel kan worden begaan, doet zich niet het geval voor dat sprake is van het ontbreken van een rol in de uitvoering, die op enigerlei wijze dient te worden gecompenseerd. Aan het (functioneel) doen uitgaan levert de verdachte een wezenlijke bijdrage. Voor het geval Uw Raad daar anders over zou denken, meen ik overigens dat de bepalende rol van de verdachte die compensatie zou opleveren. Die bepalende rol brengt ook mee dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.
achtstemiddel bevat een bewijsklacht inzake de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 (parketnummer 08/910036-14). Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte op 21 februari 2013 en 15 maart 2013, zonder consent, vuurwapens en munitie heeft doen uitgaan naar Duitsland. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zouden niets inhouden omtrent de vraag of sprake was van een consent op basis waarvan deze vuurwapens en munitie rechtmatig naar Duitsland konden worden vervoerd.