ECLI:NL:RVS:2019:406
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huurtoeslag wegens te hoog vermogen in 2016
De Belastingdienst/Toeslagen heeft het recht van appellant op huurtoeslag over 2016 definitief berekend en op nihil gesteld vanwege een te hoog vermogen, waarna de aan hem betaalde voorschotten van € 3.695,00 zijn teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant hiertegen ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
Appellant stelde dat de Belastingdienst hem had moeten informeren over de wijziging van de vermogensgrens en dat de dienst onterecht het voorschotbesluit heeft genomen, maar deze gronden zijn niet inhoudelijk beoordeeld omdat het voorschotbesluit niet ter beoordeling stond. Verder voerde appellant aan dat de dienst in strijd met het vertrouwensbeginsel handelde door het voorschot toe te kennen en later terug te vorderen, maar de Afdeling oordeelde dat aan het voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend en dat de dienst niet op de hoogte kon zijn van het vermogen over 2016 ten tijde van het voorschotbesluit.
Ook het betoog dat de dienst had kunnen afzien van terugvordering op grond van haar discretionaire bevoegdheid faalde, omdat de definitieve vaststelling van het recht op toeslag een verplicht sluitstuk is en de dienst niet bevoegd is om van terugvordering af te zien in deze situatie. Het verzoek om schadevergoeding op grond van een onrechtmatig besluit werd afgewezen omdat geen sprake was van een onrechtmatig besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de terugvordering van huurtoeslag wegens te hoog vermogen en wijst het verzoek om schadevergoeding af.