Conclusie
curatoren
[eiseres 3]
[verweerders 1, 2 en 3]
[verweerders 4, 5, 6 en 7]
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
[verweerder 3]), [verweerder 5] (hierna:
[verweerder 5]) en [verweerder 7] (hierna:
[verweerder 7]) via hun vennootschappen Gerard [verweerster 1] B.V., [verweerster 2] B.V. (hierna:
[verweerster 1]respectievelijk
[verweerster 2], beide vennootschappen van [verweerder 3] ), [verweerster 4] B.V. (hierna:
[verweerster 4], een vennootschap van [verweerder 5] ) en [verweerster 6] B.V. (hierna:
[verweerster 6], een vennootschap van [verweerder 7] ) aandeelhouders van [B] B.V. (hierna:
[B]), [C] B.V. (hierna:
[C]), [D] B.V. (hierna:
[D]) en [E] B.V. (hierna:
[E]).
[betrokkene 1]).
werkmaatschappijen) waren werkzaam - adviserend, uitvoerend en ook als leverancier - in de installatiebranche, in het bijzonder op het terrein van drinkwatervoorziening. In 2008 hebben [verweerder 5] , [verweerder 3] en [verweerder 7] met elkaar gesproken over verkoop van (een deel van) hun aandelen in de werkmaatschappijen. Eind 2008 hebben zij bureau [G] (hierna:
[G]) ingeschakeld om een eventuele verkoop te begeleiden.
COA) een belangrijke opdrachtgever voor [C] . [betrokkene 1] was destijds als extern adviseur werkzaam voor het COA, en uit dien hoofde betrokken bij de uitbesteding van projecten aan [C] (waaronder met name Project Waterveiligheid). Eind 2008 heeft [betrokkene 1] kenbaar gemaakt dat hij geïnteresseerd is in participatie in de ondernemingen van [verweerder 3] , [verweerder 5] en [verweerder 7] .
intentieverklaring I). In de intentieverklaring worden [verweerster 1] en [verweerster 2] aangeduid als ‘Verkoper’, wordt [verweerster 6] aangeduid als ‘Koper1’ en wordt [eiseres 3] aangeduid als ‘Koper2’.
intentieverklaring II), strekkende tot inbreng van de door de vennootschappen van [verweerder 7] en [verweerder 5] gehouden aandelen in de werkmaatschappijen in een door de vennootschappen van [betrokkene 1] , [verweerder 7] en [verweerder 5] nog op te richten nieuwe vennootschap (“de [A] ”), die tevens zou optreden als koper van de door de vennootschappen van [verweerder 3] te leveren aandelen in de werkmaatschappijen.
oprichtingsakte) heeft de oprichting plaatsgevonden van [A] B.V. (hierna:
[A]). Op 21 januari 2010 heeft [eiseres 3] € 200.000 op haar gewone aandelen [A] gestort. [verweerster 4] en [verweerster 6] hebben hun aandelen in de werkmaatschappijen ingebracht op hun aandelen [A] , ieder ter volstorting van gewone aandelen á € 200.000 en cumulatief preferente aandelen (8% jaarlijks) á € 745.000. [A] heeft daarnaast voor de verwerving van de door [verweerster 4] ingebrachte aandelen in de werkmaatschappijen € 950.000 voldaan, door betaling van € 650.000 en schuldigverklaring voor het restant.
leveringsakte) is onder meer het volgende bepaald:
Overeenkomst
koopovereenkomst”. De omtrent deze koopovereenkomst gemaakte afspraken zijn tussen partijen schriftelijk vastgelegd in intentieverklaringen getekend op tien- en op vierentwintig augustus tweeduizendnegen. Van deze intentieverklaringen is een kopie aan deze akte gehecht. De daarin opgenomen bepalingen die nog werking kunnen hebben, blijven, voor zover daaraan in deze akte geen uitvoering is gegeven, onverkort van kracht.
een januari tweeduizend negenvoor rekening en risico van partij [B] . Alle dividenden en andere uitkeringen vallende op de aandelen, welke op die datum nog niet waren vastgesteld, komen toe aan partij [B] .” [onderstrepingen in origineel, A-G]
egalisatieovereenkomst), in het kader waarvan partijen afspreken dat de cumulatief preferente aandelen van [verweerster 6] en [verweerster 4] in [A] komen te vervallen, en [verweerster 6] en [A] betalingen doen/verschuldigd worden aan [eiseres 3] ten bedrage van € 143.000 respectievelijk € 127.000. [verweerster 4] doet bij deze gelegenheid tevens afstand van haar nog onvoldane aanspraak op [A] ter zake van haar inbreng op de aandelen [A] van € 300.000.
exitovereenkomst [verweerder 7]), waarin onder meer het volgende is bepaald:
exitovereenkomst [verweerder 5]). In deze overeenkomst heeft [verweerster 4] zich verplicht haar belang in [A] over te dragen aan [eiseres 3] tegen een vaste koopsom van € 1,5 miljoen en twee variabele, winstafhankelijke bedragen. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
lock, stock and barrel” gesloten, onder het credo
'garantie tot de deur’.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
procedure curatoren. Het hoger beroep van [eiseres 3] (met in hoger beroep als zaaknummer 200.200.121) zal hierna worden aangeduid als de
procedure [eiseres 3].
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen I t/m VI) en richt zich tegen rov. 4.15 t/m 4.24 en rov. 4.47 jo. 4.32 van het arrest. Daarmee komt de hoofdmoot van het middel op tegen het oordeel dat de op vernietiging en ontbinding van de intentieverklaringen (en de daaruit voortvloeide definitieve koopovereenkomst) en de beide exitovereenkomsten gerichte vorderingen van de curatoren en [eiseres 3] dienen te worden afgewezen (onderdelen I t/m V). Tot slot bevat het middel nog klachten tegen de afwijzing van de op interne bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde vordering van de curatoren (onderdeel VI).
hard and fast rules“ mogelijk zijn, zelfs niet “wanneer het de bestuurder is die de kennis draagt.” [13] Dit strookt met het sterk contextuele, multi-factor karakter van de door de Hoge Raad in dat verband wel aangelegde maatstaf [14] dat beoordeeld dient te worden of in het concrete geval de betreffende kennis van de betreffende persoon ‘in het maatschappelijk verkeer’ heeft te gelden als kennis (ook) van de betreffende rechtspersoon. [15] In de literatuur wordt dit wel geduid als een verschijningsvorm van de verkeersopvattingen: een open norm, waarvan in essentie de invulling dient te geschieden aan de hand van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [16] Dit leent zich naar de aard niet voor een mechanische toepassing. Op dit laatste sluit aan de opvatting van A-G Timmerman dat het begrip verkeersopvattingen “vaag” is en dat “de omstandigheden van het geval bepalen, of bij voorbeeld kennis van de een aan de ander toegerekend dient te worden”. Zijns inziens is de enkele vaststelling dat iemand gedurende een bepaalde periode “bedrijfsleider, directeur of (mede)eigenaar van een organisatie” is geweest, onvoldoende om een dergelijke “toerekening van kennis aan die organisatie” te rechtvaardigen. Om “kennis van een functionaris aan een rechtspersoon of organisatie te kunnen toerekenen” dienen “meer specifieke omstandigheden te worden vastgesteld die een dergelijke toerekening kunnen rechtvaardigen”. [17] In lijn daarmee oordeelde de Hoge Raad in die zaak [18] dat “de enkele vaststelling dat iemand gedurende een bepaalde periode bedrijfsleider, directeur of (mede)eigenaar van een bedrijf is geweest, onvoldoende is om kennis van deze persoon aan dat bedrijf toe te rekenen, hetgeen het hof in rov. 3.3 wel heeft gedaan”. [19]
de curatoreningestelde vorderingen tot vernietiging en ontbinding van de intentieverklaringen (en de daaruit voortgevloeide definitieve koopovereenkomst) als bedoeld in rov. 4.14, wijs ik op het volgende. Ten aanzien van [verweerders 4, 5, 6 en 7] geldt dat de afwijzing van die vorderingen hoe dan ook zelfstandig gedragen wordt door rov. 4.18, welk oordeel van het hof in cassatie stand houdt. [48] Ten aanzien van [verweerders 1, 2 en 3] geldt allereerst dat, reeds gelet op het voorgaande en hetgeen het hof (in cassatie niet of zonder vrucht bestreden) vaststelt in rov. 4.15, 4.22, 4.34, 4.35 en 4.41, niet goed in te zien valt hoe vernietiging of ontbinding van de ‘gehele’ definitieve koopovereenkomst of intentieverklaring I (of II) als bedoeld in vordering I.a (waarover rov. 4.7 jo. 4.11; zie ook vorderingen I.d en I.e, waarover rov. 4.27-4.28) nog aan de orde zou kunnen komen. Daarbij komt dat vorderingen I.b en I.c (waarover ook rov. 4.7 jo. 4.11), die ertoe strekken een succesvol beroep door [verweerders 1, 2 en 3] op “vermeende kwijtingen en/of exoneraties” te beletten, [49] evenmin nog relevant voorkomen, mede gelet op de verwerping door het hof van alle vorderingen jegens [verweerders 1, 2 en 3] (wat stand houdt in cassatie) [50] behoudens rov. 4.41 jo. 5.1 en 6 die ten gunste van de curatoren strekken (wat ook laat zien dat [verweerders 1, 2 en 3] aansprakelijk is gehouden door het hof en dat kwesties van “kwijtingen en/of exoneraties” daaraan niet in de weg stonden). [51] Wat betreft de door
[eiseres 3]ingestelde vorderingen tot vernietiging en ontbinding van de intentieverklaringen (en de daaruit voortgevloeide definitieve koopovereenkomst) als bedoeld in rov. 4.14, geldt dat het hof die vorderingen beoordeelt in rov. 4.17 (niet in rov. 4.15-4.16, waartegen het onderdeel zich richt), welk zelfstandig dragende oordeel in cassatie stand houdt. [52]
subonderdelen III.b en III.c.zich richten tegen het zelfstandig dragende oordeel dat uit de (concept)brief van 11 november 2011 volgt dat [A] en [eiseres 3] in ieder geval op dat moment van de gestelde verwijten op de hoogte waren, zodat de daarop gebaseerde vorderingen in ieder geval op 11 november 2014 respectievelijk 11 november 2016 zijn verjaard; ook deze subonderdelen zijn tevergeefs voorgesteld (zie nrs. 3.20-3.31).
[verweerder 5], dient te falen. Na in rov. 3.14 te hebben vastgesteld dat de (concept)brief van 11 november 2011, met daarin door [verweerder 5] aangebrachte wijzingen (productie 17 bij de memorie van antwoord tegen de curatoren), afkomstig was van de toenmalige advocaat van [A] en [eiseres 3] en was gericht aan de advocaat van [verweerders 4, 5, 6 en 7] (in hoger beroep), [82] citeert het hof een aantal passages uit die brief. Eén van die passages luidt als volgt:
de andere aandeelhouders(…) de onderneming stelselmatig te hebben leeggetrokken zonder daarbij acht te slaan op de liquiditeitspositie die nodig was om het bedrijf te kunnen runnen. Aan de andere kant is daarbij op een achteraf in de administratie zichtbare wijze geacteerd, in de vorm van managementfees en een dividendbelasting 2008, maar ook bleken er, om maar iets te noemen, privé-verbouwingen
bij de aandeelhoudersthuis te zijn gefinancierd vanuit de onderneming waarbij de facturen op projecten van [B] zijn weggeboekt. Ook is er in november 2008 dividend uitgekeerd over 2006 en 2007 zonder dat in de jaarrekening te vermelden. In totaal is er in 2008/2009 een kleine 1,7 mio uit [C] gehaald
door de aandeelhouders, aanzienlijk meer dan de bruto-winst in 2008.” [onderstrepingen, A‑G]
[verweerder 5]privékosten zakelijk hebben geboekt bij een of meer van de werkmaatschappijen was [A] en [eiseres 3] , gelet op de brief van 11 november 2011, eveneens bekend”. [onderstreping, A‑G]
[verweerder 5], [verweerder 7] en [betrokkene 1] eind 2010 de strijdbijl begraven en
de overeenkomst inzake het egaliseren van imperfecties bij de aandelenoverdracht gesloten. (…) De doelstelling was dat de heren [verweerder 7] en
[verweerder 5]op deze wijze schoon schip hebben gemaakt in de richting van [betrokkene 1] betreffende alle narigheid uit het verleden en onderling.” [onderstrepingen, A‑G]
definitieve koopovereenkomstkan vorderen, omdat [eiseres 3] daarbij geen partij is en de relevante wettelijke bepalingen - dat zijn hier, gelet ook op rov. 4.11-4.14, alleen nog art. 3:44 BW Pro (bedrog), art. 6:228 BW Pro (dwaling) en art. 6:265 BW Pro (tekortkoming in de nakoming) - dat wel vergen om daarop een beroep te kunnen doen;
intentieverklaringenkan vorderen op grond van die genoemde wettelijke bepalingen, omdat [eiseres 3] daarbij geen zelfstandig belang heeft, gelet op de door het hof in rov. 4.17, eerste t/m derde zin genoemde omstandigheden (erop neerkomend dat die intentieverklaringen door de leveringsakte, die tevens als definitieve koopovereenkomst dient te worden aangemerkt, als zelfstandige overeenkomst hun kracht hebben verloren, nu ze naar de bedoeling van partijen deel zijn gaan uitmaken van de definitieve koopovereenkomst, waarbij [eiseres 3] dus geen partij is en waarbij [A] de namens haar bij de intentieverklaringen aangegane rechtshandelingen heeft bekrachtigd).
de definitieve koopovereenkomst, wat de vraag doet rijzen naar welk belang zij hebben bij vernietiging of ontbinding van
de intentieverklaringen. Nu de intentieverklaringen evenwel onderdeel zijn gaan uitmaken van de definitieve koopovereenkomst (rov. 4.10 jo. 3.9 en 3.11), gaat het hof ervan uit dat de curatoren en [eiseres 3] met de gevorderde vernietiging of ontbinding van de intentieverklaringen “ook (of, beter gezegd: eigenlijk) het oog hebben gehad op de definitieve koopovereenkomst”, waarbij het hof betrekt dat dit ook voor de wederpartij ( [verweerders 4, 5, 6 en 7] ) voldoende kenbaar was.
[verweerders 4, 5, 6 en 7], geldt bovendien dat deze ook falen wegens gebrek aan belang. Zoals blijkt uit de bespreking van onderdeel III (zie nrs. 3.16-3.31), klagen de curatoren en [eiseres 3] in cassatie tevergeefs over het oordeel van het hof dat hun vorderingen jegens [verweerders 4, 5, 6 en 7] tot nietigverklaring, vernietiging en ontbinding van de intentieverklaringen zijn verjaard (rov. 4.18). Dit oordeel kan de afwijzing van de vorderingen van [eiseres 3] jegens
[verweerders 4, 5, 6 en 7]reeds zelfstandig dragen. [100]
het bedrog en het bewuste verzwijgen van de malversaties
het belasten van [A] met een bancaire lening
Grief II c.
“[z]onder nadere motivering, die ontbreekt,niet [valt] in te zien op welke grond de bestuurders aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door de aandeelhouders genomen besluiten.” [onderstreping, A‑G] In zoverre mist het onderdeel dus feitelijke grondslag.